Lombardije: Solferino

Het centrum van Solferino, met op de heuvel de Rocca.

Tegenwoordig is Solferino een klein en lieflijk stadje zo’n tien kilometer ten zuiden van het Gardameer. Wie de uitgestrekte, vreedzame wijngaarden rondom het stadje in ogenschouw neemt, kan zich nauwelijks voorstellen dat hier op 24 juni 1859 een van de bloederigste veldslagen uit de Italiaanse geschiedenis werd uitgevochten. Over een front van misschien wel 7,5 kilometer gingen meer dan een kwart miljoen Franse, Italiaanse en Oostenrijkse soldaten elkaar te lijf. Aan het einde van de slag waren er duizenden doden en gewonden te betreuren. De Zwitser Henry Dunant (1828-1910) bezocht na afloop van de strijd het slagveld en was verbijsterd door wat hij zag. Een kleine vier jaar later richtte hij het Internationale Rode Kruis op, een organisatie die nog steeds bestaat. In Solferino staat dan ook een monument voor het Rode Kruis, het Memoriale della Croce Rossa. Sinds enkele jaren staat er ook een standbeeld van Dunant in het stadje.

Achtergrond van de Slag bij Solferino

Halverwege de negentiende eeuw bestond er nog geen verenigd Italië. Het enige echt onafhankelijke deel van het land was het koninkrijk Piëmont-Sardinië, met als hoofdstad Turijn. Het koninkrijk Lombardije-Venetië (met als hoofdstad Milaan) behoorde tot het Oostenrijkse keizerrijk. De Oostenrijkse keizer was tegelijkertijd koning van Lombardije-Venetië, maar liet in de praktijk het bestuur over aan een onderkoning. Ten zuiden van Lombardije-Venetië lagen de (groot)hertogdommen van Parma en Piacenza, Modena en Toscane, formeel onafhankelijk, maar in de praktijk sterk onder Oostenrijkse invloed. De Pauselijke Staat, waarover Pius IX (1846-1878) de scepter zwaaide, besloeg niet alleen heel Lazio, maar ook grote delen van Umbrië, de Marche en de Emilia-Romagna. Ten zuiden van de Pauselijke Staat lag het Koninkrijk van de Beide Siciliën. Tot dit koninkrijk, geregeerd door een tak van de Spaanse Bourbons, behoorden twee van de grootste steden van heel Europa, Napels en Palermo. Italië was dus geografisch sterk verdeeld, maar zeker in het noorden was in de eerste helft van de negentiende eeuw een sterk eenheidsstreven ontstaan. Dit streven kreeg een sterke impuls toen in 1848 overal in Europa opstanden uitbraken.

Uitzicht op de kerk van San Nicola vanaf de Rocca.

Kerk van San Nicola, met op de achtergrond de Rocca.

Cruciaal in dit proces was een omwenteling die in Wenen plaatsvond. Daar werd kanselier en minister van Buitenlandse Zaken Klemens von Metternich tot aftreden gedwongen. Nu het Oostenrijkse keizerrijk in chaos verkeerde, roken de Italiaanse steden die onder Oostenrijks gezag stonden hun kans. Een van de beroemdste opstanden vond plaats in Milaan, waar de rebellen het vijf dagen uithielden tegen de Oostenrijkse troepen van onderkoning en veldmaarschalk Radetzky: de fameuze cinque giornate. Ondertussen had Koning Karel Albert van Piëmont-Sardinië zich bereid verklaard Noord-Italië te bevrijden van de Oostenrijkse onderdrukkers. De koning bevrijdde Milaan en drong met zijn leger de Quadrilatero binnen, het gebied met de Oostenrijkse verdedigingswerken in het vierkant Peschiera, Verona, Legnano, Mantova. Zijn veldtocht liep echter op een mislukking uit: eind juli wist veldmaarschalk Radetzky de koning bij Custoza te verslaan. Er werd een wapenstilstand gesloten, die Karel Albert enkele maanden later overigens weer schond. Dat had hij beter niet kunnen doen, want nu hakte Radetzky hem, op 23 maart 1849, bij Novara in de pan. Het gevolg was dat ook de ‘Tien dagen van Brescia’ (dieci giornate di Brescia) op niets uitliepen.

Ondanks deze forse tegenslagen tijdens de Eerste Italiaanse Onafhankelijkheidsoorlog ging de geest van de Risorgimento, het Italiaanse eenwordingsproces, niet meer terug in de fles. Een belangrijke rol in dit proces was weggelegd voor Frankrijk. Ook daar had, eind februari 1848, een revolutie plaatsgevonden die had geleid tot het uitroepen van de Tweede Franse Republiek. In december van dat jaar was Louis-Napoléon Bonaparte (1808-1873) tot president van de Republiek gekozen. Hij was de zoon van de voormalige Koning Lodewijk Napoleon van Holland en een neef van diens oudere broer, de grote Napoleon. Enkele maanden na zijn aantreden had hij al in Italië geïntervenieerd door Franse troepen onder leiding van generaal Oudinot naar Rome te sturen. Deze moesten de al genoemde Paus Pius IX steunen tegen de zelfverklaarde Romeinse Republiek. Na een aanvankelijke tegenslag slaagde Oudinot er eind juni 1849 in de Eeuwige Stad voor de Paus te heroveren. De Fransen zouden vervolgens nog twee decennia in Rome blijven.

Uitzicht op Solferino vanaf de Rocca.

De Slag bij Solferino

Buste van Napoleon III in Solferino.

Koning Karel Albert van Piëmont-Sardinië was vrijwel direct na zijn nederlaag bij Novara afgetreden ten gunste van zijn zoon Victor Emanuel II. Die beschikte in de persoon van graaf Camillo Cavour (1810-1861) over een eerste minister die een fervent voorvechter van de Italiaanse eenwording was. Cavour legde contact met Louis-Napoléon, die sinds 2 december 1852 geen president meer was, maar het Franse keizerrijk hersteld had en als keizer Napoleon III op de troon zat. Napoleon III was wel te porren voor een nieuw Italiaans avontuur. Als bevrijder van de Italianen zou hij eeuwige roem vergaren, maar de veldtocht zou hem ook flink materieel voordeel opleveren. De keizer had namelijk bedongen dat in ruil voor Franse steun Piëmont-Sardinië het graafschap Savoye en de stad Nice aan Frankrijk zou afstaan.

Op 12 mei 1859 landde Napoleon III met een grote troepenmacht bij Genua. De Tweede Italiaanse Onafhankelijkheidsoorlog was begonnen. Na enkele kleinere confrontaties kwam het in de vroege ochtend van 24 juni tot een treffen met de Oostenrijkse hoofdmacht, die inmiddels de Quadrilatero had verlaten en de rivier de Mincio was overgestoken. Het is moeilijk te zeggen over hoeveel troepen beide legers precies beschikten. De Fransen en Piëmontezen hadden samen waarschijnlijk meer dan 130.000 manschappen, waarbij het Franse aandeel ruim tweemaal groter was dan het Italiaanse. De Oostenrijkers, geleid door hun jonge keizer Frans Jozef I, konden daar zeker hetzelfde aantal soldaten tegenoverstellen. Bij elkaar stonden er dus meer dan een kwart miljoen mannen op het slagveld, plus nog duizenden paarden en enkele honderden stukken geschut. Het was het ideale recept voor een vreselijk bloedbad. Dat bloedbad werd alleen maar erger gemaakt door de chaos van de strijd, want de beide legers waren min of meer bij toeval op elkaar gestuit en moesten dus improviseren.

Rocca van Solferino, bijgenaamd ‘Spia d’Italia’.

Terwijl de Piëmontezen op de linkerflank strijd leverden bij San Martino – later hernoemd tot San Martino della Battaglia – bonden de Fransen verder naar het zuiden bij Solferino de strijd aan met hun Oostenrijkse tegenstanders. Misschien wel de zwaarste strijd vond plaats bij de burcht van het stadje, de Rocca. ‘Burcht’ is overigens een te groot woord: de Rocca was en is niet meer dan een middeleeuwse toren uit 1022, die wel uiterst gunstig gelegen is op een heuvel. Later zou de toren de bijnaam van Spia d’Italia (spion van Italië) krijgen omdat vanaf de top naar Oostenrijks gebied kon worden geloerd. Op 24 juni 1859 moest de toren echter eerst nog veroverd worden en daar wensten de Oostenrijkse soldaten niet aan mee te werken. Ze verschansten zich op het kerkhof bij de kerk van San Nicola (zie de afbeelding hierboven) en rondom de burcht. Het moderne Franse geschut schoot dwars door de muren van de begraafplaats heen, maar de heuvel met de burcht moest met de bajonet veroverd worden. De Franse soldaten moesten hiervoor over een front met een breedte van slechts 40 meter oprukken en liepen recht in een moordend geweer- en kanonvuur. Toch slaagden ze erin de Rocca te veroveren, waarna ook Solferino zelf in Franse handen viel.

Ossario di Solferino, met honderden schedels van gesneuvelden in de apsis.

Toen de slachtpartij voorbij was, hadden de Fransen en Italianen ondanks hun zege nauwelijks minder doden en gewonden te betreuren dan de Oostenrijkers. Zoals in vrijwel iedere veldslag was het aantal doden hoger dan het aantal gewonden. Dat nam niet weg dat de meer dan 20.000 gewonden een ernstig risico liepen hetzelfde lot te moeten ondergaan als de bijna 5.000 doden als er niet snel medische hulp voor hen kwam. Het was verzengend heet, er was een tekort aan water en mogelijk was er al tyfus uitgebroken. Henry Dunant kwam pas in de avond van de 24e juli op het slagveld aan, maar was geschokt door wat hij zag. Hij deed onmiddellijk een beroep op de vrouwen van Castiglione delle Stiviere, ten westen van Solferino, om de gewonden eerste hulp te verlenen. Daarbij maakte hij, heel nobel, geen onderscheid tussen gewonde overwinnaars en overwonnenen. Ook zorgde hij ervoor dat gevangengenomen Oostenrijkse artsen werden vrijgelaten om de gewonden te kunnen verzorgen. Overigens was Henry Dunant niet de enige die zich verdienstelijk maakte. Ook de priester Lorenzo Barziza (1829-1907) speelde bij de hulpverlening een belangrijke rol.

De nasleep van Solferino

Hoewel formeel een Frans-Italiaanse zege was de slag bij Solferino eigenlijk niet meer dan een Pyrrusoverwinning voor Napoleon en Victor Emanuel. Voor de eerstgenoemde had het Italiaanse avontuur nu wel lang genoeg geduurd. Op 6 juli 1859 sloot hij zonder zijn bondgenoot in te lichten al een wapenstilstand met Frans Jozef, gevolgd door een vredesverdrag bij Villafranca op 11 juli. De Franse keizer wilde niet nog meer manschappen verliezen en zag bovendien met lede ogen aan hoe de hertogdommen ten zuiden van Lombardije-Venetië stonden te popelen om zich bij Piëmont-Sardinië aan te sluiten. Noord-Italië bevrijden van de Oostenrijkers was prima, maar een sterke Italiaanse staat als buur was voor Napoleon geen aantrekkelijk vooruitzicht. De Veneto mocht daarom van hem Oostenrijks blijven en de van Oostenrijk afhankelijke hertogen van Parma en Piacenza, Modena en Toscane mochten terugkeren. In november 1859 werden de afspraken geformaliseerd in het Verdrag van Zürich. Een woedende graaf Cavour had toen al zijn ontslag ingediend.

Museo Risorgimentale di Solferino.

Ondanks de tijdelijke tegenslag was de Italiaanse eenwording niet meer te stoppen. De genoemde hertogdommen kwamen niet veel later toch bij Piëmont-Sardinië (waarvoor wel de eerder afgesproken prijs van Savoye en Nice werd betaald). In mei 1860 begon de Italiaanse revolutionair Giuseppe Garibaldi (1807-1882) bovendien aan een zegetocht door het Koninkrijk van de Beide Siciliën. Hij liep het eiland Sicilië onder de voet en rukte op naar Napels. Tegelijkertijd rukte Victor Emanuel vanuit het noorden op naar het zuiden. Op 26 oktober 1860 konden de beide mannen elkaar bij Teano in Campanië de hand schudden. Enkele maanden later, op 17 maart 1861, werd Victor Emanuel uitgeroepen tot koning van het verenigde Italië. Helemaal verenigd was het land natuurlijk nog niet: de Veneto en Rome ontbraken nog. Dat probleem zou echter snel opgelost worden. Nadat Oostenrijk in 1866 door Pruisen vermorzeld was op het slagveld moest het de Veneto afstaan. In een referendum koos de bevolking vervolgens voor aansluiting bij Italië. Op 20 september 1870 namen de Italianen ten slotte Rome in en maakten het hun nieuwe hoofdstad, hetgeen verklaart waarom vrijwel elke Italiaanse stad een Via XX Settembre heeft.

Bezienswaardigheden

De Rocca van Solferino is tegenwoordig een museum. De toren zelf is slechts 23 meter hoog, maar omdat hij op een heuvel staat is het uitzicht vanaf het dak werkelijk magnifiek (zie de foto’s hierboven). Ten noorden van de Rocca staat de kerk van San Nicola en in gedachten ziet men de Franse infanteristen nog vanuit die richting naar de burcht oprukken. Een schilderij van Carlo Bossoli (1815-1884) geeft juist een goede indruk van het Franse perspectief van de strijd. Door de kapotgeschoten poort stromen de Fransen de begraafplaats op en beginnen aan de beklimming van de heuvel. Enkele kilometers verder naar het noorden staat het 74 meter hoge monument voor de Slag bij San Martino en ook dat is vanaf het dak uitstekend te zien. Het uitzicht is wel het hoogtepunt van de Rocca te noemen. Het museum heeft enkele objecten die aan de strijd herinneren, zoals Franse en Oostenrijkse uniformen, maar het Museo Risorgimentale di Solferino in het centrum is beter en uitgebreider.

Monument voor het Rode Kruis.

Het museum komt straks aan de beurt. Eerst noem ik nog het monument voor het Rode Kruis, dat ten westen van de Rocca aan het einde van een pad staat. Henry Dunant publiceerde in 1862 het boek Un souvenir de Solférino, waarin hij de gruwelijke taferelen beschreef die hij op het slagveld had gezien en het idee opperde om een neutrale hulporganisatie op te richten die in tijden van oorlog de zorg voor de gewonden van alle partijen op zich neemt. Een kernpassage uit het boek, met precies deze gedachte, is op een steen geschreven die onderdeel is van het monument:

Tekst van Henry Dunant.

Leden van het Internationale Rode Kruis.

Standbeeld van Henry Dunant.

Als oprichtingsdatum van het Rode Kruis geldt 17 februari 1863, omdat dit de dag was dat een comité van de Geneefse vereniging voor socialiteit en welvaart voor het eerst bijeenkwam om Dunants ideeën op uitvoerbaarheid te toetsen. Een jaar later kwam de eerste Geneefse conventie tot stand. Henry Dunant kreeg in 1901 de eerste Nobelprijs voor de Vrede voor zijn werk, al moest hij die wel delen met de Fransman Frédéric Passy. Het Rode Kruismonument in Solferino dateert van 1959 en werd dus honderd jaar na de slag opgericht. Het bestaat naast de genoemde steen en een bank-achtig onderdeel met het symbool van het Rode Kruis uit een muur met stenen van landen die zich bij het Rode Kruis hebben aangesloten, dan wel bij de Rode Halve Maan of de Rode Davidsster (Magen David Adom). Henry Dunant zelf heeft sinds 2014 ook een standbeeld in Solferino.

Het Museo Risorgimentale di Solferino vertelt het verhaal van de Risorgimento en vooral van de Slag bij Solferino. We zien er onder meer kaarten, uniformen, kurassen, geweren, kanonnen en bajonetten (zie de afbeelding hierboven). Borstbeelden en schilderijen van enkele van de hoofdrolspelers completeren het verhaal.

Het museum staat aan de Via Ossario, een naam die verwijst naar het ossuarium dat in buurt staat. Via een lange schaduwrijke laan met cipressen aan beide zijden bereiken we deze kapel van San Pietro in Vincoli. Het ossuarium werd in 1870 ingericht en bevat onder meer de schedels van meer dan 1.400 dodelijke slachtoffers, Fransen en Oostenrijkers. De gevel van het kerkje is versierd met een groot en modern ogend mozaïek van Petrus (San Pietro). Daaronder zien we nog een kleiner mozaïek van Christus. Vlak bij de ingang staat een borstbeeld van de man die de Slag bij Solferino mogelijk maakte: keizer Napoleon III. Over diens interesse in Savoye en Nice wordt opvallend genoeg gezwegen.

Ossario di Solferino, kerkje van San Pietro in Vincoli.

Bronnen

One Comment:

  1. Pingback:Lombardije: San Martino della Battaglia – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.