Prato: Museo dell’Opera del Duomo

Fresco’s in de de Cappella di Santo Stefano van Pietro en Antonio di Miniato.

Het museum van de Duomo van Prato bevindt zich in de ruimtes onder en naast de kathedraal. De ingang is in de fraaie klokkentoren van Guidetto uit ca. 1220 en vandaar gaat men via een gang naar de zogenaamde Volte. De naam slaat op de gewelven van de ruimtes onder de vijf kapellen in het dwarsschip. Deze ruimtes werden rond 1320 gebouwd en dienden tussen 1326 en eind achttiende eeuw als begraafplaats. Via een andere gang komt men vervolgens in de kloostergang uit ongeveer 1170 uit, die op haar beurt weer toegang geeft tot een aantal zalen in het bisschoppelijk paleis. Dit paleis heette vroeger overigens het Palazzo dei Proposti, want Prato heeft formeel pas sinds 1954 een eigen bisschop. Tussen 1653 en 1954 was er een bisschop van de diocees Pistoia en Prato, waarbij Pistoia eerste viool speelde. De naam van het Palazzo dei Proposti verwijst naar de proosten (prevosti of proposti) van Santo Stefano.

In de Volte treffen we de nodige fresco’s aan, de meeste niet van bijzonder hoge kwaliteit. In de Cappella di Santo Stefano, de aan Sint Stefanus de Eerste Martelaar gewijde kapel, is werk te zien van Pietro en Antonio di Miniato uit ca. 1420. De beide schilders waren familie van elkaar; waarschijnlijk ging het om een vader en een zoon. Het fresco in het midden stelt een geschilderd drieluik voor, met daarop de Madonna met het Kind op een troon in het midden. Zij wordt geflankeerd door de heiligen Stefanus en Laurentius. Stefanus heeft de stenen waarmee hij ter dood gebracht is nog op zijn hoofd. Die steniging is links van het drieluik afgebeeld, waarbij de schilders hoofdzakelijk grijs hebben gebruikt. Christus laat in de linker bovenhoek drie martelaarskronen voor Stefanus neerdalen. Een gelijksoortig fresco met het martelaarschap van Laurentius ontbreekt. Men had het rechts van het drieluik verwacht, maar of het ooit geschilderd is, weet ik niet. In de Volte vindt men ook nog wat werk van Bonaccorso di Cino, een schilder die ik eerder in Pistoia was tegengekomen.

Overgebleven zijde van de Romaanse kloostergang.

Van de ruimtes onder het dwarsschip lopen we naar de twaalfde-eeuwse kloostergang naast de kathedraal. Spijtig genoeg is hiervan maar een zijde bewaard gebleven. Deze zijde is niettemin zeer fraai, met zuilen, bogen en andere elementen van groen marmer uit Prato (marmo verde di Prato of serpentino) en pietra alberese. Deze steensoort is normaal gesproken wit, maar kan door een natuurlijk proces na verloop van tijd bruin worden. Zo te zien is dat hier ook op een aantal plekken gebeurd, net als bij de kathedraal zelf. Begin dertiende eeuw werd een verdieping aan de kloostergang toegevoegd, maar deze stortte eind veertiende, begin vijftiende eeuw weer in. De verdieping die we tegenwoordig zien, werd in 1428 gebouwd.

We verlaten de open lucht weer en gaan het bisschoppelijk paleis binnen. De tentoonstelling daar is chronologisch opgezet, waarbij zij aangetekend dat we terug in de tijd gaan. Concreet beginnen we in de Sala del Seicento met de kunst uit de zeventiende eeuw en later, en eindigen we in de Sala del Due-Trecento, waar de oudste kunstvoorwerpen van het museum te bewonderen zijn, uit de dertiende en veertiende eeuw. In de Sala del Cinquecento zijn niet alleen schilderijen uit de zestiende eeuw te vinden, maar ook de toiletten. Toen ik in deze zaal was, kwam ik volstrekt onbedoeld in een ruzie met een Italiaan terecht. De man kwam binnenlopen en leek iets te zoeken. Ik wees naar de deur van toiletten en zei ‘I bagni?’ (‘de toiletten?’). Nu moet  u weten dat het voorval in augustus 2020 plaatsvond tijdens de COVID-19 pandemie. Het dragen van mondkapjes en het ontsmetten van de handen waren verplicht. De Italiaan had – mogelijk als gevolg van mijn mondkapje – niet ‘I bagni’ verstaan, maar ‘I mani’ (de handen). Hij dacht dat ik hem opdroeg zijn handen te ontsmetten. Iets wat hij, zo kreeg ik in niet mis te verstane bewoordingen te horen, bij binnenkomst in het museum al had gedaan. In verdere uitleg van mijn kant was hij niet geïnteresseerd. Boos liep hij door.

Kansel van Michelozzo en Donatello.

Begrafenis van Sint Hiëronymus – Filippo Lippi.

Dat deed ik zelf ook en ik kwam in de Sala del Pulpito terecht, gewijd aan de prachtige externe kansel van de kathedraal die werd ontworpen door Michelozzo (1396-1472) en met reliëfs werd gedecoreerd door Donatello (1386-1466). Diens reliëfs dateren van 1434-1438. Ze zijn buiten vijftig jaar geleden al vervangen door replica’s en de originelen zijn in deze zaal te bewonderen. We zien dansende en muziekmakende cherubijnen. De muzikanten bespelen toeters of tamboerijnen.

De volgende zaal staat in het teken van werken uit de Renaissance. Hier vinden we twee hoogtepunten. De eerste is een crucifix dat aan de grote Florentijnse schilder Botticelli (ca. 1445-1510) wordt toegeschreven. Vooral de nagels door de handen en voeten van Christus zijn zeer realistisch geschilderd. Het tweede hoogtepunt is een schilderij van de begrafenis van Sint Hiëronymus dat omstreeks 1453 werd gemaakt door Fra Filippo Lippi (ca. 1406-1469). Op het grote altaarstuk is ook de opdrachtgever Geminiano Inghirami (1370-1460) afgebeeld. Hij was de proost van Santo Stefano en had Lippi – en trouwens ook Michelozzo en Donatello – naar Prato gehaald. Inghirami was bijna 90 jaar oud toen hij stierf. Hij kreeg een mooi grafmonument in de kerk van San Francesco in Prato en werd opgevolgd door kardinaal Carlo de’ Medici, een buitenechtelijke zoon van Cosimo de Oudere, heer van Florence.

De Sala della Sacra Cintola is geheel gewijd aan de Heilige Gordel van de Maagd Maria, een extreem belangrijk relikwie dat in de kathedraal wordt bewaard. Ik heb het verhaal van de Gordel al eerder verteld, maar het is ook hier van belang dus ik doe – copy/paste – even een stukje zelfplagiaat. Volgens de overlevering had de Maagd Maria bij haar tenhemelopneming haar gordel aan de altijd twijfelende apostel Thomas overhandigd. Thomas gaf de gordel door aan een priester in het Heilige Land. Eeuwen later bezocht een koopman uit Prato genaamd Michele Dagomari als pelgrim de stad Jeruzalem. Hij trad er in het huwelijk met een nazaat van de priester en kreeg als bruidsschat de Heilige Gordel mee.

De Maagd Maria geeft haar gordel aan Thomas – Niccolò del Mercia.

Zo kwam deze Gordel in 1140 of 1141 in Prato terecht. Michele waakte scherp over het belangrijke relikwie en sliep er zelfs op. Tijdens zijn slaap zouden engelen over hem en de Gordel hebben gewaakt. Toen de koopman zo rond 1171-1173 op zijn sterfbed lag, besloot hij de Gordel over te dragen aan de priester van de pieve van Santo Stefano. Zeker is dat de Gordel zich vanaf de eerste helft van de dertiende eeuw in de Duomo bevindt. Vanaf de jaren 1270 wordt het relikwie elk jaar getoond op 8 september, de geboortedag van de Maagd. Daarnaast wordt de Gordel getoond op eerste kerstdag, paaszondag, 1 mei en 15 augustus (Maria-Tenhemelopneming).

In de Sala della Sacra Cintola valt vooral het beeldhouwwerk van Niccolò del Mercia uit 1359-1360 op. Twee gebeeldhouwde reliëfs maakten deel uit van een externe kansel van de Duomo die decennia ouder was dan het exemplaar van Michelozzo en Donatello. Deze kansel bevond zich in tegenstelling tot de huidige niet aan de voorkant, maar aan de zijkant van het gebouw. De mooie reliëfs vertellen het verhaal van hoe de Maagd haar Gordel aan Thomas overhandigde en hoe Thomas de Gordel in een kistje deed en aan de priester schonk. Van dezelfde beeldhouwer zien we een Ontslapenis van de Maagd (Dormitio Virginis) en een niet voltooide Kroning van de Maagd. Niccolò del Mercia heeft niet veel naamsbekendheid gekregen, maar hij was beslist een getalenteerd kunstenaar.

Reliëf van Giroldo da Como.

Ten slotte komen we in de Sala del Due-Trecento, waar vooral een reliëf uit 1262 van de hand van Giroldo da Como zeer de moeite waard is. Het reliëf toont ons de Madonna met Kind tussen de aartsengel Michaël en Petrus en Paulus. Het komt uit de Abdij van Montepiano, ten noorden van Prato. Abt Benvenuto is ook op het reliëf afgebeeld, maar men moet heel goed kijken om hem te zien: hij is het minuscule figuurtje dat knielend aan de rechtervoet van de Maagd zit. Bepaald niet minuscuul is een beschilderd houten hoofd van Christus uit ca. 1220-1230 (zie hierboven). Het moet ooit deel hebben uitgemaakt van een zeer groot crucifix. Qua schilderwerk wijs ik nog op een aardig paneeltje van de hand van de Maestro di San Lucchese uit ca. 1360 (zie eveneens hierboven). De Madonna en het (nogal grote) Kind worden omringd door twaalf heilige mannen en vrouwen. Het paneel komt uit de kerk van San Paolo in het dorpje Carteano.

Deze bijdrage is hoofdzakelijk gebaseerd op de informatieborden in het museum, die zowel in het Italiaans als het Engels zijn.

One Comment:

  1. Pingback:Prato: De Duomo – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.