In onze Trotter reisgids kreeg de immense kerk van Santa Maria del Carmine maar één trottertje. Dat wil zeggen: een tip, maar niet ‘interessant’ (twee trottertjes) of ‘niet te missen’ (drie trottertjes). Toch zou ik een bezoek aan deze kerk zeker willen aanraden. Na de kerken van San Pietro in Ciel d’Oro, San Michele Maggiore en San Teodoro te hebben bezocht – allemaal voorbeelden van de Lombardisch-Romaanse stijl –, was het een verademing eens in een gotische kerk rond te lopen. Hoewel we in de Santa Maria del Carmine geen grote kunstwerken aantreffen, zijn de verschillende schilderijen en fresco’s niettemin interessant. We ontmoetten er een paar heiligen van wie we het bestaan nog niet hadden kunnen vermoeden, inclusief een schutspatroon van de kaasmakers. Omdat we Hollanders zijn en blijven, kon de aanwezigheid van deze Sint Lucius (San Lucio) op onze goedkeuring rekenen.
Geschiedenis en exterieur
Nadat de Milanese familie Visconti in 1359 de macht in Pavia had overgenomen, liet Galeazzo II Visconti er het Castello Visconteo bouwen. Een oudere kerk van de Karmelieten in Pavia moest voor dit nieuwe kasteel plaatsmaken. Als compensatie kende Galeazzo hun een andere kerk op een andere locatie toe en stelde hij financiële middelen beschikbaar om een geheel nieuwe kerk te bouwen. Als architect werd vermoedelijk Bernardo di Venezia aangesteld, die ook de bouw van het Castello Visconteo had geleid en in 1396 met de bouw van de Certosa di Pavia zou beginnen. De bouw van de Santa Maria del Carmine begon in 1374. Pas in 1461 was de reusachtige nieuwe kerk voltooid. De klokkentoren dateert van ca. 1450, het werk aan de gevel werd in 1490 afgerond en pas in 1498 werden de laatste zijkapellen voltooid. De kerk heeft in totaal 16 zijkapellen, terwijl we ook in het dwarsschip nog enkele kapellen vinden. In de loop der eeuwen werden die gevuld met vele kunstwerken.
De gevel met zes gotische ramen en een groot gotisch roosvenster is nog grotendeels origineel. Alleen de portalen zijn negentiende-eeuwse werken van Giuseppe Marchesi (1778-1867), terwijl de reliëfs in de lunetten door een andere Marchesi werden verzorgd, Luigi Marchesi. Over deze beeldhouwer heb ik verder niets kunnen vinden, maar hij was zeker niet de Luigi Marchesi (1754-1829) die faam verwierf als gecastreerde operazanger. Hoog aan de gevel, aan weerszijden van het roosvenster en daarboven, zien we nog drie beelden. De beelden van de aartsengel Gabriel en de Maagd Maria vormen samen een Annunciatie. Boven hen zien we een beeld van God de Vader. De drie beelden zijn in de stijl van de architect en beeldhouwer Giovanni Antonio Amadeo (ca. 1447-1522). Hiermee zijn alle decoraties van de gevel wel besproken. We zien vooral een indrukwekkend bakstenen gevaarte.
Interieur
Het interieur van de kerk is op het eerste gezicht wat donker en saai, maar als we beter kijken vinden genoeg interessante zaken. In het linker dwarsschip werden bijvoorbeeld verschillende votieffresco’s achtergelaten door schilders uit de school van Michelino da Besozzo (ca. 1370-1455). In het midden van deze fresco’s hangt een altaarstuk van Bernardino Lanzani (ca. 1460-1530) uit 1515. Het toont de Heilige Familie – Jezus, Maria, Anna en Joachim – met Johannes de Evangelist met de adelaar aan zijn voeten. Een tweede, iets ouder altaarstuk van Lanzani vinden we in de Cappella dell’Immacolata, zijnde de laatste kapel aan de rechterzijde. Op dit altaarstuk zien we de Madonna met het Kind geflankeerd door Augustinus en Ambrosius, beschermheiligen van respectievelijk Pavia en Milaan.
Een nieuwe heilige leerden we kennen toen we een vijftiende-eeuws altaarstuk tegen de binnengevel bestudeerden. Hierop zien we Onze Lieve Vrouwe van Genade (Madonna delle Grazie) geflankeerd door Sint Julius van Novara en Sint Antonius-Abt. De cultus van Sint Julius, een missionaris uit de vierde eeuw die zou zijn gestorven op een naar hem vernoemd eiland in het Lago d’Orta, was vooral in Noord-Italië populair. Antonius-Abt (ca. 251-356), vader van het kloosterleven, is herkenbaar aan zijn staf en bel. Hij wordt doorgaans met een varken afgebeeld, maar het beest dat hij hier aan zijn voeten heeft, lijkt me eerder een hond. Een tweede nieuwe heilige die we leerden kennen, was Sint Lucius (San Lucio di Cavargna). Hij was een herder en kaasmaker die in de twaalfde of dertiende eeuw in de buurt van het Comomeer leefde. Lucius is afgebeeld met een mes en een ronde kaas waaruit al een stuk is gesneden. De andere heilige op het fresco is Sint Lucia van Syracuse. Verantwoordelijk voor het fresco was Leonardo Vidolenghi da Marzano (1446-1502).
Van de andere votieffresco’s is lastiger te achterhalen wie ze geschilderd heeft. Op een ervan, een Pietà gedateerd 1413, liet een zekere ANTONIVS DE FERRARIIS (Antonio van Ferrara) weten dat hij het fresco had laten maken ter herinnering aan zijn vrouw en zoon. Op een ander fresco zien we een uitgebreidere Pietà met een achtergrond waarop een rivier met schepen en een kasteel te zien zijn. Wie moderner werk zoekt: dat heeft de kerk van Santa Maria del Carmine eveneens, bijvoorbeeld schilderijen van Sebastiano Ricci (1659-1734) en Guglielmo Caccia (1568-1625), bijgenaamd Moncalvo.
Bronnen: Trotter Reisgids Noordwest-Italië (2016), p. 399, Chiesa di Santa Maria del Carmine (Pavia) – Wikipedia en Santa Maria del Carmine – Spendiamo a Pavia



Pingback:Pavia: Santa Maria del Carmine – – Corvinus –