Hoewel we onze auto tamelijk dichtbij geparkeerd hadden, moesten we een flink eind omlopen om de fascinerende kerk van San Pietro in Ciel d’Oro te bereiken. De kerk staat enigszins geïsoleerd, wellicht het gevolg van het feit dat het gebouw oorspronkelijk buiten de stadsmuren van Pavia stond. Drie belangrijke historische figuren zijn in San Pietro begraven: de Longobardische koning Liutprand (die tussen ca. 712 en 744 regeerde), de Romeinse filosoof Boethius (terechtgesteld in 524) en de kerkvader Augustinus van Hippo (354-430). De overblijfselen van de laatstgenoemde zouden tijdens de regering van Liutprand naar Pavia zijn overgebracht. In de veertiende eeuw werd voor Augustinus een schitterend grafmonument gemaakt, toegeschreven aan Giovanni di Balduccio. Diens marmeren Arca di Sant’Agostino is het onbetwiste culturele hoogtepunt van de basiliek. Voor christenen is het monument ook het onbetwiste religieuze hoogtepunt. Zoals een vriend van mij opmerkte: zelfs een protestant voelt hier devotie.
Geschiedenis
De geschiedenis van San Pietro in Ciel d’Oro gaat ver terug. Waarschijnlijk stond hier al in de zesde eeuw een kerk, die aan de apostel Petrus moet zijn gewijd. Koning Liutprand liet deze kerk in de achtste eeuw herbouwen om de overblijfselen van Augustinus in onder te brengen. De kerkvader was in 430 in Hippo Regius in Noord-Afrika overleden tijdens het beleg van de stad door de Vandalen onder leiding van hun koning Geiserik. Net als de meeste Vandalen was Geiserik een Ariaanse christen, wat hem volgens de besluiten van het Concilie van Nicaea een ketter maakte. Het conflict tussen Ariaanse en orthodoxe (katholieke) christenen leidde begin zesde eeuw onder meer tot de verbanning van bisschop Fulgentius van Ruspe naar Sardinië. De bisschop zou de overblijfselen van Augustinus, die hij zeer bewonderde, vanuit Hippo hebben meegenomen naar het eiland. Daar bleven ze ruim twee eeuwen, maar Liutprand achtte het eiland kwetsbaar voor aanvallen vanuit islamitisch Noord-Afrika. Omstreeks 723 liet hij de overblijfselen daarom overbrengen naar zijn hoofdstad Ticinum, het huidige Pavia.
Het opmerkelijke van de actie van Liutprand is dat Sardinië helemaal geen deel uitmaakte van het Longobardische Koninkrijk (568-774). Het behoorde tot het Oost-Romeinse of Byzantijnse Rijk, maar kennelijk was de invloed van de koning dusdanig groot (en het Byzantijnse gezag dusdanig zwak) dat hij beslag kon leggen op de kostbare relikwieën. Liutprand werd zelf ook in de kerk van San Pietro in Ciel d’Oro begraven, al gebeurde dat pas in de twaalfde eeuw. Helaas is het grafmonument van de koning al in de zestiende eeuw ontmanteld. Tegenwoordig vinden we alleen nog een plaquette bevestigd aan een zuil en een grafzerk met de simpele Latijnse tekst HIC IACENT OSSA REGIS LIVTPRANDI, “hier liggen de botten van Koning Liutprand”. Interessant is dat er ook echt botten liggen, al moet worden toegegeven dat die aan drie verschillende personen toebehoorden. Een van deze personen was echter een man van tussen de 40 en 50 jaar die in de achtste eeuw leefde. Het is dus helemaal niet uitgesloten dat hij inderdaad de koning was.
Naast de kerk verrees een klooster met een scriptorium, waarin belangrijke werken werden gekopieerd. De eerste monniken van het klooster volgden de regel van de Ierse heilige Sint Columbanus (ca. 540-615), stichter van de abdij van Bobbio. Zij werden echter al snel vervangen door Benedictijnen. De Benedictijnse monniken maakten mee hoe de kerk van San Pietro rond 1120 werd herbouwd in Romaanse stijl en vervolgens op 8 mei 1132 opnieuw werd gewijd door Paus Innocentius II (1130-1143). In de twaalfde eeuw werd het complex ook opgenomen binnen de stadsmuren van Pavia. Na de moord op de abt door enkele monniken besloot Paus Honorius III (1216-1230) de Benedictijnse monniken te vervangen door een kapittel van reguliere kanunniken. In 1327 bepaalde Paus Johannes XXII (1316-1334), die vanuit Avignon regeerde, dat de kanunniken het complex voortaan moesten delen met heremieten van Sint Augustinus, die op deze wijze dicht bij de relikwieën van hun legendarische stichter zouden leven (de kerkvader stelde de Regel van Sint Augustinus op, maar de Orde van Sint Augustinus dateert van 1244).
Na enkele eeuwen zonder al te veel vermeldenswaardige gebeurtenissen werden zowel de kanunniken als de Augustijnen in de jaren 1780 uit het klooster gezet. Het was het begin van een periode vol ellende. In 1796 plunderden Franse troepen de kerk, die vervolgens ook werd ontwijd. Vele decennia lang was de San Pietro feitelijk een ruïne, maar gelukkig vonden tussen 1884 en 1896 uitgebreide restauratiewerkzaamheden plaats onder leiding van Angelo Savoldi (1845-1916). Op 15 juni 1896 – opmerkelijk genoeg de feestdag van Sint Augustinus volgens de Oosters-Orthodoxe Kerk – kon de kerk opnieuw gewijd worden. De Augustijnse monniken zijn eveneens teruggekeerd: zij beheren het complex nog steeds, nu zonder kanunniken.
Bezienswaardigheden
Terwijl we de hutgevel (facciata a capanna) van de kerk bestudeerden, werden we gestoken door muggen, dus we besloten snel naar binnen te gaan. Architectonisch is de gevel ook niet erg interessant, met veel baksteen en weinig ramen en decoraties. Het Romaanse portaal rondom de enige ingang is niettemin erg mooi (foto hierboven). De bogen zijn versierd met prachtig gebeeldhouwde reliëfs, en op de kapitelen herkennen we fantasiefiguren zoals de bekende sirene met twee staarten (sirena bicaudata). Het reliëf in het fronton dateert van de tweede helft van de elfde eeuw, dus nog van voordat de kerk in Romaanse stijl werd herbouwd. We zien een engel, geflankeerd door twee figuren.
Doordat het gebouw maar weinig ramen heeft, die ook nog eens vrij klein zijn, is de San Pietro in Ciel d’Oro een nogal donkere kerk. Het ‘gouden plafond’ waarnaar de naam van de kerk verwijst – ciel d’oro betekent hemel van goud – is helaas verdwenen. Het moet bijzonder indrukwekkend zijn geweest, want Dante duidt de kerk aan als Cieldauro (en dus niet als San Pietro) in zijn Paradiso.[1] In de schelp van de apsis lijkt nog enig goud te blinken, maar het gaat om niet meer dan een fresco uit 1900 van de hand van Ponziano Loverini (1845-1929) dat een dappere poging doet een verloren gegaan mozaïek te repliceren.
In de crypte vinden we een sarcofaag met de overblijfselen van Boethius. Anicius Manlius Severinus Boethius werd vermoedelijk tussen 475 en 480 geboren in Rome. Zijn vader was waarschijnlijk de consul voor het jaar 487 Nar(ius?) Manlius Boethius, van wie in Brescia een fraai ivoren tweeluik wordt bewaard. De familie was christelijk, maar dankzij intensieve studie beschikte Boethius ook over grote kennis van de heidense filosofen. Dat was vooral te danken aan zijn adoptie door Quintus Aurelius Memmius Symmachus, historicus, staatsman en de consul van 485. Boethius zou met diens dochter Rusticiana trouwen. Als twintiger trad hij in dienst bij de Ostrogotische koning Theoderik, die in 489 Italië was binnengevallen en binnen enkele jaren het gehele schiereiland onder controle had gekregen. De jonge filosoof viel in de smaak bij de koning, die hem tot senator benoemde en later het hoge ambt van magister officiorum gaf. Boethius diende al in 510 als consul, zijn beide zoons met Rusticiana deelden het ambt in 522.
Theoderik was over het algemeen een wijze, tolerante heerser, maar tegen het einde van zijn leven lijkt hij paranoïde te zijn geworden. Boethius werd in 523 beschuldigd van hoogverraad en gevangen gezet in Ticinum. In gevangenschap schreef hij zijn bekendste werk, De consolatione philosophiae (‘Over de vertroosting der wijsbegeerte’). In 524 werd hij terechtgesteld en begraven, wellicht in de vroegste versie van de huidige kerk (dat wil zeggen de kerk uit de zesde eeuw). Op de sarcofaag in de crypte van de San Pietro in Ciel d’Oro wordt hij aangeduid als heilige (sanctus) en martelaar (martir). Inderdaad werd hij in de eeuwen na zijn dood lokaal beschouwd als een heilige, een cultus die in 1883 werd erkend, maar zijn status als martelaar is dubieus. Boethius werd zeker niet vanwege zijn christelijke geloof terechtgesteld.
Sint Augustinus
Sint Augustinus werd geboren in Thagaste, een stadje in Romeins Noord-Afrika (tegenwoordig Algerije). In zijn studietijd volgde hij lessen retorica in Carthago. Van het christendom moest de toekomstige heilige op dat moment nog weinig hebben. Sterker nog, hij was een aanhanger van het manicheïsme, een geloof gesticht door de profeet Mani (ca. 216-274) in het Sassanidenrijk. Ook had hij een relatie met een vrouw zonder met haar getrouwd te zijn. Uit de relatie werd een zoon geboren, Adeodatus. Augustinus leidde, kortom, een nogal losbandig leven, wat bepaald niet op de goedkeuring van zijn moeder Monica kon rekenen. Zij was al een vrome christen.
Toen hij eind twintig was, reisde Augustinus per schip naar Rome om daar retorica te doceren. Via Rome kwam hij in Milaan terecht, waar men eveneens naar een leraar in de retorica zocht. Eenmaal in Milaan maakte hij kennis met de bisschop van de stad, de grote Ambrosius (ca. 340-397). Augustinus voerde discussies met hem en luisterde samen met zijn goede vriend Alypius van Thagaste naar diens preken. Ook had hij contacten met een vrome christen genaamd Simplicianus, dezelfde Simplicianus die in 397 Ambrosius zou opvolgen als bisschop van Milaan (zie Milaan: San Simpliciano). Zijn concrete bekering tot het christendom, waarschijnlijk in de zomer van 386, zou zijn ingegeven door een stem die tot hem de woorden tolle, lege sprak: pak het op (i.e. de Bijbel) en lees het. Tijdens de Vastentijd van 387 werd Augustinus vervolgens gedoopt door Ambrosius (zie Milaan: Sant’Ambrogio). De bekering leidde uiteraard tot grote blijdschap bij zijn moeder Monica, die haar zoon inmiddels achterna was gereisd. Samen besloten ze terug te keren naar Afrika, maar Monica kwam in Ostia te overlijden. Niet lang daarna stierf ook Adeodatus.
Terug in Afrika werd Augustinus in 391 in Hippo Regius (het huidige Annaba in Algerije) door de lokale bisschop Valerius tot priester gewijd. Vier jaar later werd hij zelf de nieuwe bisschop van Hippo Regius. Als bisschop verwierf hij faam met zijn preken, maar ook met zijn geschriften, waaronder de autobiografische Confessiones en het beroemde De civitate Dei, geschreven na de plundering van Rome door de Visigoten in 410. Zoals hierboven reeds gememoreerd stierf Augustinus in 430 tijdens het beleg van Hippo door de Vandalen en kwamen zijn overblijfselen via Sardinië in Pavia terecht.
Arca di Sant’Agostino
In de veertiende eeuw besloot de abt van de Augustijnen een schitterend grafmonument voor de kerkvader op te richten.[2] Het monument werd mede gefinancierd door Galeazzo II Visconti, die tussen 1355 en 1378 met zijn broer Bernabò over Milaan heerste. De Arca di Sant’Agostino werd tussen 1362 – het jaartal vermeld op het monument – en 1365 gemaakt van marmer uit Carrara en Candoglia. Het grafmonument wordt vrij algemeen toegeschreven aan Giovanni di Balduccio, de beeldhouwer die in Milaan ook de graftomben van de Dominicaanse martelaar Petrus van Verona en van Azzone Visconti had verzorgd (zie Milaan: Sant’Eustorgio en Milaan: San Gottardo in Corte). Die graftomben werden overigens wel in respectievelijk 1339 en 1344 voltooid, lang voordat Giovanni en zijn assistenten aan het monument voor Augustinus begonnen. Er wordt dan ook aangenomen dat de beeldhouwer in 1362 al behoorlijk op leeftijd was.
Het aantal beelden van heiligen, apostelen, deugden en andere figuren dat het monument siert, is werkelijk niet te tellen. Schattingen van mijn reisgidsen variëren van niet minder dan 95 tot meer dan 150 beelden. In het middelste gedeelte van het monument ligt de heilige onder een schitterend gebeeldhouwd plafond. Het mooist zijn echter de negen reliëfs waarin gebeurtenissen uit het leven van Sint Augustinus worden verteld. In chronologische volgorde zien we allereerst Augustinus als leraar retorica in Rome en Milaan (linker zijkant). Rome is duidelijk herkenbaar aan de letters SPQR op de stadsmuur. De cyclus gaat dan op de voorzijde van het monument verder met een reliëf waarop Augustinus naar de preken van Ambrosius luistert. Dan volgen de ontmoeting met Simplicianus en de daaropvolgende bekering tot het christendom. Een engel reikt Augustinus vanuit de hemel een Bijbel aan. In de derde voorstelling worden Augustinus en Adeodatus door Ambrosius gedoopt, onder het toeziend oog van Monica. De dood van Monica is de volgende scène, op de achterzijde van het monument. Zij wordt een kerk in gedragen, en historisch bezien moet dat Sant’Aurea in Ostia zijn. Daar wordt thans een gedeelte van haar grafsteen bewaard, terwijl haar overblijfselen in de kerk van Sant’Agostino in Rome rusten.
Het volgende reliëf toont de formulering van de Regel van Sint Augustinus. De heilige houdt een grote boekrol vast, waarop zijn regel geschreven zal zijn, en is omringd door monniken. In de zevende voorstelling is Augustinus tot bisschop van Hippo gewijd, hetgeen blijkt uit de mijter die hij draagt. Preken en dopen zijn nu zijn voornaamste bezigheden. Op de rechter zijkant zien we twee reliëfs met gebeurtenissen na zijn dood. Op het reliëf met twee schepen is uitgebeeld hoe koning Liutprand de overblijfselen van de heilige van Sardinië liet halen, op het reliëf ernaast hoe deze overblijfselen in Pavia aankomen en daar in de kerk van San Pietro in Ciel d’Oro worden bijgezet. In de puntstukken zijn nog wat wonderen en andere gebeurtenissen uit het leven van Sint Augustinus afgebeeld. Giovanni di Balduccio en zijn medewerkers hebben een schitterend kunstwerk nagelaten. We mogen ons gelukkig prijzen dat we het vandaag de dag nog kunnen bewonderen.
Bronnen: Capitool Reisgids Italië (2014), p. 203, Trotter Reisgids Noordwest-Italië (2016), p. 400, Basilica di San Pietro in Ciel d’Oro – Wikipedia en LombardiaBeniCulturali.
Noten
[1] Canto 10, regel 128.
[2] Overigens waren de relikwieën van Augustinus op dat moment zoek. Pas in 1695 werden ze teruggevonden in de crypte.











Pingback:Pavia: Santa Maria del Carmine – – Corvinus –
Pingback:Milaan: San Marco – – Corvinus –