De San Marco is een zeer grote kerk op steenworp afstand van de beroemde Pinacoteca di Brera in Milaan. De kerk is minstens 95 meter lang en de geschiedenis van het gebouw gaat terug tot de dertiende eeuw. Traditioneel is er een band tussen de kerk en de Venetianen, voor wie de evangelist Marcus – San Marco – als de belangrijkste beschermheilige geldt. Volgens de overlevering was Venetië Milaan te hulp geschoten toen die stad in oorlog was met keizer Frederik Barbarossa. Of de Milanezen veel aan deze hulp hebben gehad, valt te betwijfelen, want in 1162 plunderde en verwoestte de keizer hun stad. De eerste versie van de San Marco verrees wellicht toen Milaan weer werd opgebouwd na deze verschrikkingen. Met de bouw van de huidige kerk werd in 1254 begonnen. De opdracht voor de bouw kwam van Lanfranco Settala (gestorven in 1263), prior-generaal van de Heremieten van Sint Augustinus. Aan de rechterzijde van de kerk werden in latere eeuwen verschillende kapellen gebouwd, die vervolgens werden gesponsord en gehuurd door vooraanstaande Milanese families. Aan de linkerzijde verrezen geen kappellen, want hier bevond zich het klooster van de Augustijnen. Deze zijn er al lang niet meer; hun kloostergangen zijn omgebouwd tot een middelbare school.
Exterieur en interieur
De mooie Lombardisch-gotische gevel werd in de negentiende eeuw grondig gerestaureerd door Carlo Maciachini (1818-1899). Maciachini verwerkte verschillende originele elementen in de gevel, waaronder het portaal en de veertiende-eeuwse beelden daarboven. De drie beelden stellen, van links naar rechts, de heiligen Augustinus (ca. 354-430), Marcus (eerste eeuw) en Ambrosius (ca. 340-397) voor. Eerstgenoemde formuleerde de naar hem genoemde Regel van Sint Augustinus. Hij is afgebeeld met een bisschopsmijter, maar draagt de habijt van een Augustijner monnik. De tekst in zijn boek luidt HIC ME GENVIT IN CHRISTO, “dit deed mij geboren worden in Christus”. Het is een verwijzing naar de bekering van Augustinus, die in het jaar 386 in Milaan plaatsvond (zie uitgebreid Pavia: San Pietro in Ciel d’Oro). Augustinus werd vervolgens gedoopt door Ambrosius, de toenmalige bisschop van Milaan. Hij is gekleed in een kazuifel. In het midden staat de evangelist Marcus, met zijn evangelie in de hand. Zijn centrale plek wordt gerechtvaardigd door het gegeven dat de kerk aan hem is gewijd. De drie beelden werden mogelijk vervaardigd door de veertiende-eeuwse beeldhouwer Giovanni di Balduccio uit Pisa of diens medewerkers.
Het middenschip van de San Marco voelt wat leeg aan. Het zeventiende-eeuwse Barokinterieur dat we zien, is het werk van de architect Giovanni Ruggeri (1665-1729). In het koor treffen we schilderijen aan van Camillo Procaccini (1561-1629) en Giovan Battista Crespi, bijgenaamd Il Cerano (1573-1632), terwijl het neoclassicistische hoogaltaar een werk is van Giocondo Albertolli (1742-1839). Van de kapellen aan de rechterzijde is vooral de eerste de moeite waard, de Cappella Foppa. De kapel is gewijd aan de apostelen Petrus en Paulus en heeft kleurrijke fresco’s over hun levens van Giovanni Paolo Lomazzo (1538-1592), geschilderd in 1571. Lomazzo’s Gloria Angelica in de schelp van de apsis deed me in veel opzichten denken aan Correggio’s fresco in de kathedraal van Parma, al komt het kwalitatief niet in de buurt van dat meesterwerk. Hoewel er aan de linkerzijde om de bovengenoemde redenen geen kapellen zijn, is er wel een zeer interessante, rijkversierde kapel in het linker dwarsschip. Deze Cappella del Crocifisso of Cappella della Pietà dateert van de zeventiende eeuw. De kapel werd door vijf verschillende schilders gedecoreerd: Ercole Procaccini de Jongere (ca. 1605-1680), Giovanni Stefano Danedi, bijgenaamd Il Montalto (1612-1690), Luigi Pellegrini Scaramuccia (1616-1680), de uit Duitsland afkomstige Johann Christoph Storer (ca. 1620-1671) en ten slotte Antonio Busca (1625-1686).
Dwarsschip
Ik bracht de meeste tijd door in het rechter dwarsschip. Hier vinden we een groot maar beschadigd fresco van de broers Giovanni Battista (ca. 1560-1627) en Giovanni Mauro (1575-1640) della Rovere. In hun tijd stonden ze bekend als de Fiammenghini, de ‘Vlamingen’. Hun vader was namelijk een Antwerpenaar. Het fresco van de broers stelt een belangrijk moment voor uit de geschiedenis van de Augustijnen. Hoewel Augustinus de Regel van Sint Augustinus opstelde en daarom wel wordt beschouwd als de stichter van de Orde van Sint Augustinus, werd deze Orde pas in de dertiende eeuw formeel opgericht. In 1244 gingen verschillende groepen van heremieten die de Regel volgden officieel samen, waarmee 1244 het stichtingsjaar van de Orde werd. In 1256 werden nog verschillende andere groepen heremieten aan deze Orde toegevoegd op grond van een bul van Paus Alexander IV (1254-1261). Lanfranco Settala werd vervolgens tot prior-generaal gekozen. De beslissing van Paus Alexander die leidde tot samenvoeging van de verschillende groepen heremieten is op het fresco van de Fiammenghini afgebeeld.
Onder het fresco van de broers zijn overblijfselen van veertiende-eeuwse fresco’s teruggevonden. Een ervan stelt een Kruisiging voor en wordt toegeschreven aan Anovelo da Imbonate. Onder dit fresco zien we het grafmonument van Martino Aliprandi (gestorven 1341), een jurist die werkzaam was aan het hof van de Visconti’s van Milaan. Het monument is mogelijk een werk van een navolger, leerling of medewerker van Giovanni di Balduccio. Op het linker reliëf zien we hoe de overledene door Sint Ambrosius en Johannes de Doper bij de Madonna en het Kind wordt geïntroduceerd. Het middelste reliëf stelt de Drie-eenheid voor, terwijl het rechter reliëf de jurist toont terwijl hij college geeft. De familie Aliprandi was sowieso erg actief in de kerk, want ze sponsorde de Cappella di Sant’Orsola, die zich eveneens in het rechter dwarsschip bevindt. Op een bewaard gebleven fresco zien we hoe Salvarino Aliprandi (gestorven 1344) een model van kapel aanbiedt aan de Madonna met het Kind. De staande heilige is Sint Augustinus, terwijl de andere knielende figuren de zonen van Salvarino zijn. Diens bewaard gebleven sarcofaag bevindt zich in de naastgelegen Cappella di San Tommaso da Villanova.
Ten slotte bevindt zich in het rechter dwarsschip het grafmonument uit ca. 1355 voor Lanfranco Settala. Let op: dit is niet de prior-generaal uit de dertiende eeuw die verantwoordelijk was voor de bouw van de huidige kerk. Deze Lanfranco Settala was ook een Augustijner monnik en tevens de biechtvader van Giovanni Visconti, die tussen 1339 en 1354 tegelijkertijd heer en aartsbisschop van Milaan was. We zien Lanfranco afgebeeld achter een katheder terwijl hij college geeft aan een groep van tien studenten; waarschijnlijk was de overledene docent theologie aan de universiteit van Parijs. De voorstelling van het college wordt geflankeerd door twee vrouwelijke heiligen, Sint Agnes en Sint Catharina van Alexandrië. Op het bovenste gedeelte van het monument is de overledene nogmaals afgebeeld, nu liggend op zijn sterfbed. Wat het grafmonument zo bijzonder maakt, is dat de oorspronkelijke beschildering nog deels bewaard is gebleven. De habijt van de Augustijn Lanfranco is nog steeds zwart, de wapenschilden op het onderste gedeelte van het monument zijn nog steeds rood en veel van de decoraties zijn nog altijd verguld. Vanwege de hoge kwaliteit van het werk wordt het monument doorgaans toegeschreven aan Giovanni di Balduccio zelf, die in Milaan ook de nog veel spectaculairdere graftombe van Petrus de Martelaar vervaardigde voor de kerk van Sant’Eustorgio.
Bronnen: Dorling Kindersley reisgids voor Milaan en de Meren (2010), p. 112, Trotter Reisgids Noordwest-Italië (2016), p. 369, Monumento funebre di Lanfranco Settala – Lombardia Beni Culturali en Chiesa di San Marco (Milano) – Wikipedia.



