Giotto in het Bargello

Cappella della Maddalena.

Jaren geleden kocht ik een prachtig geïllustreerde biografie van de Florentijnse schilder Giotto (ca. 1266-1337), geschreven door Francesca Flores d’Arcais. De auteur besteedde slechts een paar regels aan de zwaar beschadigde veertiende-eeuwse fresco’s in een kapel van het Bargello in Florence. Sinds hun herontdekking in 1840 is er discussie over de vraag wie deze fresco’s heeft geschilderd: Giotto zelf of zijn medewerkers? Flores d’Arcais schreef ze geheel toe aan Giotto’s medewerkers. Dat standpunt was en is nog steeds controversieel. Het Bargello zelf meent dat Giotto wel degelijk bij de planning en uitvoering van de fresco’s betrokken is geweest. Aangezien het redelijk aannemelijk is dat ze in 1337 werden voltooid, zouden ze tot de laatste werken van de grote kunstenaar kunnen worden gerekend.

Geschiedenis

De kapel in het Bargello staat bekend als de Cappella della Maddalena of de Cappella del Podestà. Ze werd tussen 1316 en 1322 gebouwd. Het Bargello werd getroffen door een brand in 1332 en vervolgens door een overstroming van de Arno op 4 november 1333. Aangenomen wordt daarom dat de fresco’s in de Kapel van de Magdalena tussen 1333-1334 en 1337 werden geschilderd. Het laatste jaartal wordt gebaseerd op de tekst onder een fresco van Sint Venantius. Die tekst noemt de podestà (burgemeester) Fidesmino da Varano, die in de tweede helft van 1337 regeerde. Op de muren verschenen fresco’s van het Paradijs (achtermuur) en de Hel (toegangsmuur), alsmede voorstellingen uit de levens van Johannes de Doper en Maria Magdalena. Van Giotto is bekend dat hij op 8 januari 1337 overleed. Hij kan in de jaren voor zijn dood dus heel goed nog het ontwerp van de fresco’s ter hand hebben genomen. Het Bargello schrijft bovendien de fresco’s op het gewelf (helaas zwaar beschadigd) en het bovenste gedeelte van het Paradijs (idem) aan hem toe. Andere betrokken schilders kunnen zijn medewerkers Taddeo Gaddi, Maso di Banco en Stefano Fiorentino zijn geweest.

Achtermuur met het Paradijs.

De keuze voor het Paradijs, de Hel, Johannes de Doper en Maria Magdalena houdt vermoedelijk verband met het feit dat veroordeelde criminelen de laatste uren voor hun terechtstelling in de kapel doorbrachten. De aanwezigheid van Paradijs en Hel spreekt dan voor zich, want in een van de twee zou de veroordeelde terechtkomen. Waarschijnlijk eerder in de Hel overigens, maar wellicht dat met boetedoening nog een plekje in het Paradijs kon worden veiliggesteld. Boetedoening was ook het eerste waar een veroordeelde aan dacht bij Maria Magdalena, want zij gold als de beschermheilige van de zondaars die tot inkeer waren gekomen. Johannes de Doper was natuurlijk de beschermheilige van Florence, maar een veroordeelde zal hem tevens hebben gezien als iemand die was terechtgesteld. Herodes Antipas liet hem immers op verzoek van zijn stiefdochter Salomé onthoofden door een gardist.

Toegangsmuur met de Hel.

Het Bargello werd in 1574 omgebouwd tot een gevangenis. De kapel werd opgesplitst in twee verdiepingen en de fresco’s verdwenen achter een laag pleisterwerk. In 1840 werd een fragment ervan herontdekt en vervolgens werden ook de overige voorstellingen teruggevonden. Helaas verkeerden de fresco’s in deplorabele staat. In de negentiende eeuw zijn ze stevig getoucheerd, waarbij hele gedeelten opnieuw werden geschilderd. Bij restauraties in de twintigste eeuw zijn deze toevoegingen weer verwijderd. Aan de ene kant is het natuurlijk goed dat aan negentiende-eeuwse fantasieën ontsproten toevoegingen thans niet meer zichtbaar zijn, maar aan de andere kant valt nu wel weer heel erg op hoe erg de frescocyclus beschadigd is. Vervaagde vormen en kleuren worden afgewisseld door plekken waar de fresco’s helemaal verdwenen zijn. Wie in de kapel rondloopt, kan alleen maar een traantje laten om het verlies van zoveel schoonheid.

Dante en de andere fresco’s

De fresco’s zijn beroemd vanwege het portret van een man in een rood gewaad. Hij houdt een boek vast en een tak met appels. Er bestaat een redelijke consensus dat we hier de beroemde Italiaanse dichter Dante Alighieri (ca. 1265-1321) zien. Het boek dat hij draagt, moet dan zijn Goddelijke Komedie zijn. Als het inderdaad Dante is, dan is dit het oudste bekende portret van de dichter, gemaakt maximaal 16 jaar na zijn dood en dus ouder dan zijn vermoedelijke portret in de Santa Maria Novella in Florence (uit ca. 1360). Dit kan worden gezien als eerherstel voor Dante, die immers in ballingschap was gestorven. Na hun overwinning op de Ghibellijnen hadden de Florentijnse Welfen zich opgesplitst in twee nieuwe facties, de Neri (‘Zwarten’) en de Bianchi (‘Witten’). Dante was lid van de Witten en dat bleken uiteindelijk de verliezers te zijn. De Zwarten kregen steun van Paus Bonifatius VIII (1294-1303) en slaagden er in 1301 in de Witten ten val te brengen. De Witte leiders werden gestraft en in 1302 werd Dante verbannen. De dichter zwierf vele jaren door Italië. Hij verbleef op verschillende plaatsen en vestigde zich in 1318 uiteindelijk in Ravenna, waar hij zijn Goddelijke Komedie voltooide. Daar stierf hij in 1321 en vond hij zijn laatste rustplaats, ondanks pogingen van de Florentijnen om zijn gebeente terug naar Florence te halen.

Portret van Dante, vijfde van links, in rode kleding met de tak met appels.

Dante is onderdeel van een groep mensen die toegang krijgen tot het Paradijs. Aan de andere kant van de kapel zien we op de toegangsmuur een angstaanjagende voorstelling van de Duivel (afbeelding hierboven). Deze deed me sterk denken aan de Duivel van het Laatste Oordeel in het Baptisterium van Florence. Van de voorstellingen over het leven van Johannes de Doper zijn er slechts twee bewaard gebleven, een mager aantal vergeleken met de acht voorstellingen over het leven van Maria Magdalena. Zo zien we op de afbeelding hieronder hoe ze een hostie krijgt aangereikt door een heilige die mogelijk de monnik en priester Zosimas van Palestina moet voorstellen (waarschijnlijk werd Maria Magdalena hier verward met de voormalige prostituee Maria van Egypte). Op het fresco ernaast ontvangt ze de zegen van een bisschop vlak voor haar dood. Bovenin voeren engelen haar mee naar de hemel. De boodschap voor de terdoodveroordeelden was duidelijk: boetvaardigheid loont. Interessant is dat Giotto soortgelijke voorstellingen schilderde in de Cappella della Maddalena in Assisi.

Voorstellingen over het leven van Maria Magdalena.

Een laatste fresco waarin de hand van Giotto te herkennen is, vinden we helemaal aan de andere kant van het Bargello in de Sala del Michelangelo. Het gaat om een losgemaakt frescofragment dat dus eigenlijk van elders komt (maar ik heb de oorspronkelijke locatie helaas niet kunnen achterhalen). Het fragment is een Maestà. De Madonna en het Kind delen een troon. De Madonna kijkt naar links en neemt een witte en een rode roos aan, terwijl het Kind kijkt naar rechts kijkt en reikt naar een peervormige vrucht. Van de figuren die de geschenken aanbieden, zijn helaas de hoofden verloren gegaan. Volgens de toelichting gaat om een Madonna met Kind en allegorieën van de zes wijken of sestieri van Florence. Aangezien deze sestieri in 1343 werden afgeschaft, moet het fresco voor die tijd zijn geschilderd. Het Bargello dateert het op ca. 1340. Dat betekent dat Giotto er niet meer aan meegewerkt kan hebben. Hij overleed immers begin 1337.

Maestà del Bargello.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.