Florence: Het Baptisterium van San Giovanni

Het Baptisterium, gezien vanaf Giotto’s campanile.

Volgens een oude legende was het prachtige Baptisterium van San Giovanni in Florence oorspronkelijk een tempel van Mars, de Romeinse oorlogsgod. De Romeinse keizer Augustus zou deze tempel hebben gebouwd om de onderwerping van het naburige Fiesole (Faesulae in die tijd) te vieren. De vroege Christenen zouden het gebouw vervolgens hebben omgevormd tot een plaats voor de christelijke eredienst. Hoewel het verhaal grotendeels onzin is, bevat het wel een kern van waarheid: archeologisch bewijs toont aan dat het Baptisterium inderdaad werd gebouwd bovenop Romeinse gebouwen uit de eerste tot de derde eeuw. Er is echter geen kruimel bewijs dat deze ook maar iets met Mars te maken hadden en het Baptisterium kan dan ook zeker niet worden gezien als een heidense tempel met christelijke aanpassingen.

Het Baptisterium behoort tot de oudste gebouwen in Florence. Er valt veel te vertellen over dit spectaculaire bouwwerk dat zich recht tegenover dat andere belangrijke Florentijnse herkenningspunt bevindt: de Duomo. Hoewel men beide bezienswaardigheden met hetzelfde toegangskaartje kan bezoeken, gaat het om twee duidelijk te onderscheiden gebouwen. De Duomo stond van oudsher onder bescherming van het Arte della Lana (het wolgilde), terwijl het beheer van het Baptisterium berustte bij de rivalen van het Arte di Calimala (gilde van de stoffenhandelaren). Het Baptisterium is gewijd aan Johannes de Doper – San Giovanni in het Italiaans – die natuurlijk nauw verbonden is met het sacrament van de doop en ook nog eens de beschermheilige van Florence is.

Geschiedenis

Het Baptisterium en de Duomo.

Om eerlijk te zijn is de vroege geschiedenis van het Baptisterium in nevelen gehuld. Misschien werd het in de late vierde of vroege vijfde eeuw gebouwd. Voor deze aanname bestaat geen direct bewijs; ze is enkel gebaseerd op de achthoekige vorm van de doopkapel en de aanwezigheid van soortgelijke achthoekige doopkapellen uit de Late Oudheid in andere Italiaanse steden, bijvoorbeeld de Orthodoxe en Ariaanse Baptisteria in Ravenna, die respectievelijk vóór 431 en ná 500 werden gebouwd. We weten dat Paus Nicolaas II (1059-1061) verantwoordelijk was voor het gebouw dat we vandaag de dag zien. Deze Gérard de Bourgogne, zoals zijn echte naam luidde, was tot aan zijn verkiezing tot paus bisschop van Florence geweest. Kennelijk wilde hij iets moois terugdoen voor de stad waar hij zo’n vijftien jaar van zijn leven had doorgebracht. De Paus liet de doopkapel verbouwen of misschien wel helemaal van de grond af herbouwen. Op 6 november 1059 kon hij het nieuwe gebouw inzegenen.

De buitenkant van het Baptisterium werd versierd met prachtig wit en groen marmer, met als gevolg dat het gebouw eruitziet alsof het geheel van deze kostbare steensoort is gemaakt. De decoratieve patronen lijken sterk op die van de San Miniato al Monte aan de andere kant van de rivier de Arno. Het dak werd eveneens bekleed met platen marmer, wat tamelijk ongebruikelijk is en bij de voornoemde baptisteria in Ravenna ook niet voorkomt. De lantaarn op het dak werd vermoedelijk pas in de tweede helft van de twaalfde eeuw toegevoegd. Deze werd zwaar gerestaureerd tussen 1898 en 1907.

Het doopvont uit de 14e eeuw, helaas genegeerd door de meeste toeristen.

Het doopvont werd pas in 1128 van de kathedraal van Florence – toen de Santa Reparata – naar het Baptisterium van San Giovanni overgebracht. Het ging om een groot achthoekig doopvont dat bedoeld was voor dopen door onderdompeling. Het werd in het midden van het gebouw neergezet en moet veel ruimte hebben ingenomen. De dichter Dante Alighieri (ca. 1265-1321), die het Baptisterium liefkozend “Mijn San Giovanni” noemde, redde ooit het leven van een kind dat in het doopvont was gevallen. Het moet dus ook vrij diep zijn geweest. Het dopen door onderdompeling werd geleidelijk aan afgebouwd en vervangen door dopen door besprenkeling. Het grote achthoekige doopvont werd uiteindelijk niet meer gebruikt. In plaats daarvan werd een nieuw en veel kleiner doopvont dat in 1370 was gemaakt in gebruik genomen. Groothertog Francesco de’ Medici (1574-1587) liet het oude doopvont in 1577 ontmantelen. De contouren ervan zijn ook tegenwoordig nog zichtbaar op de vloer.

De scarsella met het huidige altaar.

In of omstreeks 1202 werd een rechthoekige apsis aan het Baptisterium toegevoegd, misschien ter vervanging van een oudere halfronde apsis. Het rechthoekige geval staat bekend als de scarsella. Het altaar in de scarsella is niet origineel, maar het bestaat wel uit enkele van de oorspronkelijke Romaanse onderdelen. Het originele altaar (uit ca. 1200) werd in de achttiende eeuw vervangen door een nieuw exemplaar in de stijl van de Barok. Dit Barokaltaar werd op zijn beurt begin twintigste eeuw vervangen door het huidige altaar. Dit altaar kan worden gezien als een “geloofwaardige kopie”[1] die is gebaseerd op oude tekeningen en die als gezegd voor een deel is samengesteld uit stukken marmer die bewaard zijn gebleven.

Deuren

De apsis beslaat het westelijke gedeelte van het gebouw, hetgeen betekent dat de drie ingangen op het noorden, oosten en zuiden zijn gericht. Deze ingangen hadden aanvankelijk houten deuren, maar deze werden later vervangen door deuren van verguld brons van Andrea Pisano (ca. 1290-1348) en Lorenzo Ghiberti (1378-1455) die terecht beroemd zijn geworden. Om ze te beschermen tegen luchtvervuiling (en, zo vermoed ik, toeristen) zijn de originele deuren allemaal overgebracht naar het Museo dell’Opera del Duomo (net achter de Duomo). En zelfs voordat ze werden vervangen door uitstekende kopieën waren de deuren al meerdere malen van plaats gewisseld.

Het oudste paar deuren werd tussen 1330 en 1336 gemaakt door Andrea da Pontedera, beter bekend als Pisano en opgeleid tot goudsmid. De deuren van Pisano hebben 28 panelen, waarvan er 20 voorstellingen tonen uit het leven van Johannes de Doper. De overige 8 tonen de Deugden: Hoop, Geloof, Moed, Matigheid, Naastenliefde, Nederigheid, Rechtvaardigheid en Wijsheid. De deuren zijn mogelijk gedeeltelijk gebaseerd op de bronzen deuren van de Duomo van Pisa – verloren gegaan in 1595 – en Pisano kreeg zeker hulp van experts in metaalbewerking uit Venetië. Zijn deuren werden oorspronkelijk in het oostelijke portaal geïnstalleerd. Dat was toen de hoofdingang en deze bevond zich recht tegenover het altaar. De deuren werden in 1424 naar het zuidelijke portaal verplaatst toen Lorenzo Ghiberti zijn eerste deurenpaar voltooide.

Eerste paar deuren van Ghiberti (Museo dell’Opera del Duomo).

In het jaar 1401 was namelijk een wedstrijd gehouden, waarbij de winnaar de opdracht zou krijgen een tweede set bronzen deuren te maken. De jonge Lorenzo Ghiberti, nog maar begin twintig en opgeleid tot goudsmid, slaagde erin veel beroemdere concurrenten met veel meer ervaring, zoals Filippo Brunelleschi, te verslaan. De opdracht was dus voor hem. Ghiberti begon in 1403 met het werk en rondde het meer dan twintig jaar later, in 1424, af. De nieuwe deuren werden in het oostelijke portaal geplaatst, wat beslist een ereplaats was. Die van Pisano werden gedegradeerd naar de veel minder prestigieuze zuidelijke ingang. Ook de deuren van Ghiberti hebben 28 panelen. 20 daarvan tonen scènes uit het Nieuwe Testament, de overige 8 de vier Kerkleraren en de vier Evangelisten.

Bij het maken van zijn eerste set deuren had Ghiberti hulp gekregen van zijn vader, maar ook van kunstenaars als Donatello, Michelozzo, Paolo Uccello en zelfs Masolino. Dit waren allemaal mannen die iets jonger dan Ghiberti waren en net als hij nog helemaal aan het begin van hun luisterrijke carrière stonden. De deuren maakten Ghiberti op slag beroemd, en in 1425 kreeg hij een tweede opdracht van de Arte di Calimala, ditmaal kennelijk zonder wedstrijd. Ghiberti zou tot 1452 aan zijn tweede deurenpaar werken. Drie jaar later stierf hij.

De Poorten van het Paradijs (de kopie, en hopelijk weet ze dat…).

De tweede set deuren is nog beroemder dan de eerste. Michelangelo zou ze (volgens Vasari) de ‘Poorten van het Paradijs’ hebben genoemd en zo zijn ze ook bij volgende generaties bekend geworden. De Poorten van het Paradijs hebben minder panelen met voorstellingen dan de andere twee deuren. De in totaal 10 panelen tonen allemaal verhalen uit het Oude Testament waarin belangrijke Bijbelse figuren als Adam en Eva, Kaïn en Abel, Noah, Abraham, Jacob en Esau een rol spelen, evenals Jozef, Mozes, Joshua, David en Salomon. Omdat er maar tien panelen zijn, zijn de voorstellingen erop veel groter en veel gedetailleerder. Het moet gezegd worden dat het detailniveau en vooral het gebruik van perspectief bijzonder indrukwekkend zijn. De Poorten van het Paradijs kregen direct de ereplaats en werden dus in het oostportaal geplaatst. Daar hebben ze eeuwenlang gehangen totdat ze in de jaren 1990 naar het museum van de Duomo werden overgebracht.

Ik vat samen: de deuren van Pisano, hoewel gemaakt voor het oostportaal, eindigden in het zuidportaal om plaats te maken voor de eerste set deuren van Ghiberti. Die werden op hun beurt naar het noordportaal verplaatst ten faveure van Ghiberti’s tweede set, ook bekend als de Poorten van het Paradijs.

Hieronder staan enkele afbeeldingen van voorstellingen van zowel de originele Poorten van het Paradijs als van de kopie. Het zou niet moeilijk moeten zijn om de verschillen in kleur te spotten, maar de kopie is aantoonbaar van erg goede kwaliteit.

This slideshow requires JavaScript.

Mozaïeken

Plafond van het Baptisterium.

In zijn roman Inferno beweert auteur Dan Brown dat het onmogelijk is om niet naar boven te kijken als je het Baptisterium binnenkomt. Voor deze keer ben ik het met meneer Brown eens. De glimmende plafondmozaïeken met hun prachtige gouden glans zijn beslist het hoogtepunt van ieder bezoek aan het gebouw. De mozaïeken werden gefinancierd door het Arte di Calimala en het werk eraan begon waarschijnlijk rond het jaar 1225. Zo’n tachtig jaar later was alles klaar. Vele tientallen kunstenaars waren betrokken bij het proces van het maken van de mozaïeken. Hun bijdragen varieerden van het schetsen van de kartons tot het bakken van de tesserae, het bijsnijden van deze steentjes of stukjes glas, het aanbrengen van de laag mortel en het plaatsen van de tesserae om de afbeeldingen te maken. Het is onmogelijk om alle kunstenaars achter ieder individueel mozaïek te achterhalen, maar kunsthistorici nemen meestal aan dat in elk geval Coppo di Marcovaldo (ca. 1225-1276), Meliore di Jacopo (actief ca. 1260-1280) en Cimabue (ca. 1240-1302) en hun respectieve ateliers en scholen bij het proces betrokken waren. Gaddo Gaddi (ca. 1239-1312), de vader van Taddeo Gaddi, heeft misschien ook een bijdrage geleverd, en heel misschien geldt dat zelfs voor de grote Giotto. Van andere betrokken kunstenaars weten we niet de echte naam. Deze worden simpelweg “Meester van Maria Magdalena” genoemd, om maar een voorbeeld te noemen.

Vrijwel onmiddellijk nadat de mozaïeken waren voltooid, ontstonden er problemen met regenwater dat tussen de marmeren dakpanelen door naar binnen sijpelde. De panelen waren dus niet volledig waterdicht. Door het water begonnen de tesserae van de mozaïeken los te laten, met als gevolg dat de kunstwerken bij verscheidene gelegenheden moesten worden gerepareerd. Verschillende restauratieprogramma’s werden gelanceerd, en in de vijftiende eeuw kreeg Alessio Baldovinetti (1425-1499) zelfs een permanente aanstelling om toezicht te houden op de renovaties. Baldovinetti was een van de laatste kunstenaars die het ambacht van het maken van mozaïeken beheerste. Na hem waren de vereiste vaardigheden al snel niet meer beschikbaar. De problemen met het regenwater hielden echter aan, en uiteindelijk gingen grote stukken van de mozaïeken verloren. Deze werden vervangen door stukken beschilderd pleisterwerk, die pas in 1898 verwijderd werden ten faveure van echte mozaïeken. Verantwoordelijk hiervoor waren de experts van de Opificio delle Pietre Dure, die tot 1907 met de mozaïeken bezig waren en fantastisch werk afleverden.

Christus de Rechter.

Het plafond bestaat uit acht segmenten, die weer onderverdeeld zijn in verschillende stroken. De mozaïeken rond de lantaarn tonen slechts decoratieve patronen, maar de andere mozaïeken vertellen allemaal verhalen uit de Bijbel, zowel uit het Oude als het Nieuwe Testament. De meest indrukwekkende mozaïeken hebben betrekking op het Laatste Oordeel. Deze werden gemaakt tussen 1260 en 1275. In het midden zien we een gigantische afbeelding van Christus de Rechter van zo’n negen meter hoog. Deze wordt toegeschreven aan ofwel Coppo di Marcovaldo, ofwel Meliore di Jacopo (of hun navolgers).

Aan beide zijden van Christus zien we drie stroken mozaïeken. De bovenste tonen processies van engelen die op bazuinen blazen en voorwerpen die betrekking hebben op de Kruisiging meedragen: nagels, een hamer, de doornenkroon, de speer en het kruis. De middelste stroken tonen de Maagd Maria, Johannes de Doper, de Apostelen en nog meer engelen. Ten slotte zien we op de onderste stroken hoe onder Christus de doden uit hun graven opstaan. Links gaan de Gelukzaligen naar het Paradijs, rechts de Verdoemden naar de Hel. Alle mozaïeken zijn van navolgers van Coppo en Meliore. In de voorstelling met de Gelukzaligen kunnen we verder de patriarchen Abraham, Isaac en Jacob ontwaren met enkele van de Gelukzaligen op hun schoot. Een engel toont een tekst die uit Mattheüs 25:34 komt. De scènes over de Hel zijn werkelijk angstaanjagend, met een reusachtige Duivel en diverse slangen die de lichamen van de Verdoemden verslinden. Rechts zien we nog net de verrader Judas die zich heeft opgehangen aan een boom.

This slideshow requires JavaScript.

In haar uitstekende The Baptistery of San Giovanni in Florence (2000) wijdt Annamaria Giusti zo’n veertig pagina’s aan een gedetailleerde bespreking van alle andere plafondmozaïeken. Ik zal dat hier niet doen. Samenvattend: de andere mozaïeken hebben betrekking op God de Schepper en de classificatie van engelen, evenals op verschillende belangrijke verhalen uit de Bijbel. We kunnen verhalen uit Genesis bewonderen, maar ook over Jozef, Jezus Christus en Johannes de Doper.

Pauselijke tombe

Tot de late jaren 1300 was het niet ongebruikelijk dat mensen rondom het Baptisterium begraven werden. Een begrafenis ín het gebouw was echter een zeldzaam privilege.[2] Nadat bisschop Ranieri hier in 1113 ter aarde was besteld, lijkt de praktijk van het begraven van mensen in het Baptisterium helemaal te zijn afgeschaft. Het is daarom misschien wel een geval van schrijnend historisch onrecht dat de laatste persoon die hier ná 1113 begraven werd iemand met een op z’n zachtst gezegd nogal dubieuze reputatie was. Om het allemaal nog een beetje erger te maken kreeg deze persoon ook nog eens verreweg de mooiste graftombe in het Baptisterium als zijn laatste rustplaats. Deze werd gemaakt door de kunstenaars Donatello (1386-1466) en Michelozzo (1396-1472), en men kan haar vinden aan de muur rechts van de scarsella: de graftombe van Tegenpaus Johannes XXIII.

Graftombe van Tegenpaus Johannes XXIII.

Johannes XXIII was een product van het Groot Westers Schisma (1378-1417), waarin één paus in Rome tegenover een andere paus in Avignon stond. In 1409 moest een Oecumenisch Concilie dit conflict beëindigen, maar het resultaat was nogal teleurstellend: Europa had nu drie pausen, waarbij de derde vanuit Pisa regeerde. Johannes XXIII (1410-1415) was de tweede Pisaanse paus. Als Baldassare Cossa was hij geboren op het eiland Procida voor de kust van Napels. Religieuze zaken lijken hem maar matig geïnteresseerd te hebben, en historicus John Julius Norwich noemt hem een piraat voor het leven.[3] Het Concilie van Konstanz zette hem in 1415 af en koos in 1417 Oddone Colonna als de nieuwe rechtmatige paus. Colonna zou de naam Martinus V aannemen. De nu voormalige Paus Johannes XXIII onderwierp zich uiteindelijk aan Martinus’ gezag en trok zich terug in Florence, waar hij nauwe banden onderhield met de invloedrijke familie de’ Medici. Cosimo de Oudere was zelfs een van de executeurs van zijn testament, waarin hij had verklaard dat hij begraven wilde worden in het Baptisterium.

Aangezien Cossa (die in 1419 stierf) in zijn testament veel van zijn vermogen aan de Kerk had nagelaten, werd zijn laatste wens vervuld. Donatello en Michelozzo begonnen in 1422 met het werk aan de graftombe en voltooiden haar in 1427 of 1428. Het monument moest tussen twee zuilen in passen, dus het heeft een verticale opbouw gekregen. Beneden zien we de drie Theologische Deugden, Geloof, Hoop en Naastenliefde, deugden waarmee de overledene geheel onbekend lijkt te zijn geweest. Cossa wordt op de tombe vermeld als IOANNES QVONDAM PAPA XXIII, “de voormalige Paus Johannes XXIII”. Paus Martinus V was niet erg gelukkig met deze woorden. Hij beschouwde de overledene als een usurpator, en daar had hij wel een punt. De Florentijnen wezen zijn verzoek om de inscriptie te veranderen echter af, en de nauwe banden tussen Cossa en de machtige de’ Medici’s speelden hierbij ongetwijfeld een rol. De graftombe wordt bekroond met een beeltenis van verguld brons van de overledene op zijn doodsbed. Daarboven zien we nog een Madonna met Kind en een gebeeldhouwde baldakijn van marmer. Al met al een opmerkelijk monument voor een verdorven individu.

Bronnen

  • Annamaria Giusti, The Baptistery of San Giovanni in Florence;
  • John Julius Norwich, The Popes.

Noten

[1] Een “credible imitation”, aldus Annamaria Giusti, The Baptistery of San Giovanni in Florence, p. 56.

[2] Annamaria Giusti, The Baptistery of San Giovanni in Florence, p. 12.

[3] “He had, however, unquestionably begun life as a pirate; and a pirate, essentially, he had remained.” (The Popes, chapter XVI)

5 Comments:

  1. Pingback: Florence: De Duomo – – Corvinus –

  2. Pingback: Ravenna: Tombe van Dante – – Corvinus –

  3. Pingback: Florence: Santa Croce – – Corvinus –

  4. Pingback: Siena: Het Baptisterium van San Giovanni – – Corvinus –

  5. Pingback: Siena: De Duomo – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.