Bologna: San Francesco

Kerk van San Francesco.

De kerk van San Francesco is een immense basiliek in het centrum van Bologna die een kleine 500 meter ten westen van de bekende Piazza Maggiore staat. Vooral de apsis van het bouwwerk is zeer opvallend, met grote luchtbogen die vanaf de 97 meter hoge Asinelli-toren uitstekend te zien zijn. Achter de apsis staan ook drie indrukwekkende graftomben met hun kenmerkende piramidevormige daken. Dit zijn de graftomben van de glossatoren, rechtsgeleerden die verbonden waren aan de in 1088 gestichte Universiteit van Bologna.

Het Bologna van de Middeleeuwen was een belangrijk centrum van wetenschap en religie. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de nog jonge Orde van de Minderbroeders of Franciscanen er al in een vroeg stadium neerstreek. Broeder Elias Bombarone (ca. 1180-1253), ook bekend als Elias van Cortona, was een vroege volgeling van Franciscus van Assisi. Hij zou in Bologna als notaris hebben gewerkt en diende later als de – niet geheel onomstreden – vicaris-generaal en generaal-overste van de Orde (zie Assisi: Basilica di San Francesco). Een andere vroege volgeling van Franciscus was Bernardus van Quintavalle (gestorven ca. 1241). Hij kwam net als Franciscus uit Assisi, maar had in Bologna rechten gestudeerd. Franciscus stuurde hem omstreeks 1211 naar de universiteitsstad, waar hij regelde dat de Franciscanen een bescheiden onderkomen kregen bij het kerkje van Santa Maria delle Pugliole. Franciscus zelf bezocht Bologna pas in 1222. Een getuige van het bezoek was de jonge Thomas van Spalato (ca. 1200-1268), de toekomstige aartsbisschop van Split, die op dat moment aan de universiteit studeerde. Thomas was diep onder de indruk van de man die er verschrikkelijk uitzag, maar prachtig sprak.

De kerk gezien vanaf de Asinelli-toren.

De kerk van achteren bezien, met links de Tomba degli Accursii en rechts de Tomba di Odofredo Denari.

Geschiedenis van de kerk

Interieur van de kerk.

In 1236, tien jaar na de dood van Franciscus, kregen de Minderbroeders van het stadbestuur van Bologna een stuk land net buiten de stadsmuren toegewezen. De kerk staat dan ook tegenover de restanten van de Porta Nuova. De bouw van het immense gebouw begon nog in hetzelfde jaar onder leiding van een onbekende architect. In 1251 werd het hoogaltaar van de kerk gewijd door Paus Innocentius IV (1243-1254) en in 1263 was de San Francesco voltooid. Meer dan een eeuw later begon de bouw van de grote vrijstaande klokkentoren en de kapellen rondom het koor. De toren, een werk van de architect Antonio di Vincenzo (ca. 1350-1402), verrees tussen 1397 en 1402. Ook deze toren is vanaf de Asinelli-toren prima te zien. Tegen het dwarsschip staat overigens nog een tweede, aanzienlijk minder indrukwekkende toren.

Eind achttiende eeuw braken er barre tijden aan voor de kerk. Franse troepen roofden het gebouw in 1796 leeg en gebruikten het als kazerne. In 1842 werd het gebouw weer als kerk gewijd, maar niet veel later geseculariseerd en in gebruik genomen als militaire opslagplaats. Pas in 1886 keerde het tij. De San Francesco werd opnieuw een kerk en werd onder leiding van Alfonso Rubbiani (1848-1913) grondig gerestaureerd. Dit verklaart waarom veel van de (straal)kapellen in de San Francesco een typisch negentiende-eeuwse uitstraling hebben. In juli 1943 sloeg het onheil wederom toe toen de kerk zwaar beschadigd raakte als gevolg van een geallieerd bombardement. Na de oorlog vonden nieuwe restauraties plaats, die in 1949 werden afgerond.

Tomba di Rolandino de’ Romanzi.

Graftomben van de glossatoren en exterieur van de kerk

De rechtsgeleerden aan de universiteit van Bologna bestudeerden het Corpus Iuris Civilis, het wetboek – eigenlijk een verzameling wetsteksten en commentaren – dat was samengesteld in opdracht van de Oost-Romeinse keizer Justinianus (527-565). Van dit Corpus waren de Digesten of Pandekten misschien wel het belangrijkste onderdeel. Ze bestonden uit commentaren van Romeinse rechtsgeleerden, onder wie Papinianus, Domitius Ulpianus en Julius Paulus, die allen in de late tweede en vroege derde eeuw leefden. De teksten uit het Corpus Iuris werden van aantekeningen voorzien, ‘glossen’, waarmee de betreffende passages werden toegelicht of in verband werden gebracht met andere passages. Zo probeerden de glossatoren ook tegenstrijdigheden op te lossen, want de Romeinse rechtsgeleerden waren het natuurlijk niet altijd met elkaar eens. De Oostenrijkse rechtshistoricus Paul Koschaker (1879-1951) zag in het werk van de glossatoren het begin van de Europese rechtswetenschap.

De drie graftomben van de glossatoren staan achter de apsis van de kerk omdat hier vroeger een begraafplaats was. Zeer waarschijnlijk stonden er ooit nog veel meer van dit soort indrukwekkende monumenten. De drie die zijn overgebleven zijn in elk geval grondig gerestaureerd, onder meer door de genoemde Alfonso Rubbiani. De zuidelijkste graftombe is de Tomba degli Accursii, die dateert van 1293. Het monument werd gebouwd voor de jurist Francesco d’Accursio (1225-1293), terwijl later ook zijn vader Accursio (1184-1263) erin werd bijgezet. Accursio was beroemd vanwege zijn standaardcommentaar op het Corpus Iuris, bekend als de glossa ordinaria. Iets noordelijker, direct achter de apsis, staat de graftombe van de jurist Odofredo Denari (ca. 1200-1265) uit 1265. Dit is de oudste bewaard gebleven tombe. De laatste en meest noordelijke graftombe is die van de jurist Rolandino de’ Romanzi (ca. 1220-1284) uit 1285. Bij de kerk van San Domenico elders in Bologna zijn nog twee graftomben van glossatoren te vinden.

Portaal van de hoofdingang.

De kerk heeft een gevel met puntdak, een facciata a capanna zoals de Italianen zeggen. Deze gevel is alleen al vanwege zijn omvang zeer indrukwekkend. Erg veel decoraties zult u er echter niet op aantreffen. Tot de weinige versieringen behoren de reliëfs aan weerszijden van het marmeren portaal. Ze zijn in Venetiaanse stijl gemaakt en dateren van eind twaalfde, begin dertiende eeuw. Aangezien de kerk toen nog niet gebouwd was, moeten ze wel van elders komen. Volgens sommige bronnen zijn de reliëfs nog ouder en gaat hun geschiedenis terug tot de achtste eeuw. In de gevel zijn verschillende hoge ramen met Gotische puntbogen gemaakt en drie ronde oculi. Wie goed kijkt, ziet dat er achter de twee oculi aan de zijkanten alleen maar lucht zit. Het is duidelijk dat de gevel veel hoger en breder is dan de zijbeuken van de basiliek.

Altaarstuk van Jacobello en Pierpaolo dalle Masegne.

Interieur – algemeen

Wie de kerk binnengaat, betreedt een grote ruimte die door zuilen wordt verdeeld in een middenschip en twee zijbeuken. Dat is opvallend, want veel Franciscaanse kerken zijn eenbeukig. Qua kunstwerken is de kerk, om de redenen die hiervoor al uiteen werden gezet, een beetje armoedig. Aan het einde van het middenschip staat echter een schitterend  altaarstuk uit 1388-1393. Het werd ontworpen en gemaakt door Jacobello en Pierpaolo dalle Masegne, twee broers uit Venetië. Helemaal onderin zijn voorstellingen uit het leven van Franciscus van Assisi te zien, daarboven een reeks heiligen aan weerszijden van een Kroning van de Maagd. Boven die Kroning zien we God de Vader die zijn zegen geeft met nog meer heiligen. De figuren op de acht pinakels van het altaarstuk zijn profeten. De Madonna met het Kind (midden), de aartsengel Gabriël (links) en de Madonna van de Annunciatie (rechts) op hetzelfde niveau werden pas in 1884 toegevoegd. Helemaal bovenin, op de centrale spits, is dan nog een kruisiging te zien. Ook die behoort niet tot het oorspronkelijke kunstwerk. Het altaarstuk is dan ook verscheidene malen gerestaureerd, onder meer (in 1901) door Alfonso Rubbiani.

In de kerk zijn verder enkele graftombes de moeite waard. Ik noem het grafmonument van een zekere Pietro Fieschi  uit 1492, gemaakt door Francesco di Simone da Fiesole (1437-1493). In een van de straalkapellen rondom het koor hangt een mooie crucifix van Pietro di Giovanni Lianori (vermoedelijk gestorven omstreeks 1453). Een foto van het crucifix ziet u hier. In een andere kapel staat een altaarstuk uit ca. 1485 van de tamelijk onbekende schilder Jacopo Forti. Veel van de kapellen hebben, zoals hierboven reeds vermeld, een tamelijk negentiende-eeuwse aankleding. Dat betekent zeker niet dat de decoraties lelijk zijn. Opvallend vond ik de kunstwerken van geglazuurde terracotta. In de vijftiende en zestiende eeuw waren de Toscaanse families Della Robbia en Buglioni meesters in deze techniek, maar de populariteit van de geglazuurde terracotta nam daarna sterk af. In enkele van de kapellen vond ik negentiende-eeuwse werken in deze stijl, onder meer een Franciscus die de stigmata ontvangt uit 1895.

Kapel met altaarstuk Jacopo Forti.

Kapel met altaarstuk van geglazuurde terracotta.

Interieur – graftombe van tegenpaus Alexander V

Graftombe van tegenpaus Alexander V (foto: Miguel Hermoso Cuesta, CC BY-SA 4.0).

Het interessantste kunstwerk in de kerk is de graftombe van tegenpaus Alexander V in de linker zijbeuk. Hoewel hij minder dan een jaar paus was (1409-1410), is zijn naam verbonden met een berucht hoofdstuk in de geschiedenis van de Rooms-katholieke Kerk, namelijk het Groot Westers Schisma. Alexander was omstreeks 1339 geboren in de buurt van Candia, de belangrijkste stad op Venetiaans Kreta (tegenwoordig Heraklion). Pietro Filargo, zoals zijn oorspronkelijke naam luidde, sloot zich aan bij de Franciscanen. Ten tijde van zijn geboorte zetelden de pausen in Avignon, de stad waarnaar de Franse Paus Clemens V (1305-1314) de pauselijke zetel had verplaatst. Onder Innocentius VI (1352-1362) en Urbanus V (1362-1370) ontstond echter een verlangen om terug te keren naar Rome. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan, aangezien een groot deel van Italië, inclusief de Eeuwige Stad, niet meer onder pauselijk gezag stond. Om dat probleem te verhelpen zette Innocentius zijn houwdegen, de Spaanse kardinaal Gil Álvarez Carrillo de Albornoz (1310-1367), in. Deze heroverde onder meer in 1362 Bologna. Innocentius kon daar niet van genieten, want hij overleed hetzelfde jaar.

In 1366 sprak Paus Urbanus V publiekelijk de wens uit om terug te keren naar Rome. In de lente van het volgende jaar begon hij aan de tocht naar de Eeuwige Stad en in juni 1367 kwam hij aan in de haven van Corneto (Tarquinia). Op 16 oktober van datzelfde jaar trok hij aan het hoofd van zijn troepen Rome binnen. Kardinaal Albornoz was inmiddels gestorven en verschillende Italiaanse steden kwamen weer in opstand tegen het pauselijk gezag. Bovendien was de aanwezigheid van de Paus in Frankrijk dringend gewenst vanwege ontwikkelingen in de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk. En misschien nog wel belangrijker: de verhuizing terug naar Rome was altijd buitengewoon impopulair geweest bij de Franse kardinalen, die in die tijd de meerderheid binnen het College vormden. Zij zullen een zucht van verlichting hebben geslaakt toen, op 4 september 1370, Paus Urbanus V weer terugkeerde naar Avignon. Tegen het einde van het jaar was hij dood. Pas in 1377 keerde het pausdom definitief naar de Eeuwige Stad terug onder Paus Gregorius XI (1370-1378).

Close-up van de graftombe (foto: Giovanni Dall’Orto)

Die terugkeer betekende niet het einde van het gedonder. Na de dood van Gregorius in 1378 ontstond er ruzie tussen de Italiaanse en de Franse kardinalen. De Italianen verkozen hun eigen favoriet Bartolomeo Prignano tot Paus Urbanus VI. De Fransen zorgden er op hun beurt voor dat Robert van Genève werd gekozen tot Paus (nu tegenpaus) Clemens VII. De verkiezing van twee pausen, die ogenblikkelijk elkaar excommuniceerden, leidde tot het genoemde Groot Westers Schisma, met één paus die vanuit Rome regeerde en een andere vanuit Avignon. In 1409 werd het Oecumenisch Concilie van Pisa bijeengeroepen om het conflict te beëindigen. Dat liep op een ramp uit: in plaats van één paus kreeg West-Europa er nu drie. Die derde paus was Pietro Filargo, die de naam Alexander V aannam. Hoewel hij de steun van het grootste deel van christelijk Europa had, had hij de pech al vroeg te sterven. Hij werd begraven in de kerk van San Francesco in Bologna, de stad waar hij het tijdige met het eeuwige had verwisseld. Zijn graftombe in de kerk is gemaakt van beschilderde terracotta. Het monument werd in twee fasen gebouwd. Voor de eerste fase (in 1424) was Niccolò di Piero Lamberti (ca. 1370-1451) verantwoordelijk, voor de tweede (in 1482) Sperandio Savelli (1425-1504).

Pas in de twintigste eeuw werd Alexander V tot tegenpaus bestempeld. Omdat er toen al een zesde, zevende en achtste Paus Alexander waren geweest, ontbreekt er dus een ‘echte’ Paus Alexander V in de Vaticaanse lijsten. Bij Alexanders opvolger in Pisa, tegenpaus Johannes XXIII (1410-1415), speelde dit probleem niet. Vandaar dat er in de twintigste eeuw nog een echte Paus Johannes XXIII aantrad (1958-1963). De keuze voor die naam was gewaagd, want tegenpaus Johannes XXIII had een uiterst bedenkelijke reputatie. Niettemin kreeg ook hij, net als zijn voorganger Alexander, een mooie graftombe, en wel in het Baptisterium van Florence.

Bronnen: website van de kerk, het Italiaanse Wikipedia, Paul Koschaker, Europa en het Romeinse recht (voor de glossatoren), Donald Spoto, Reluctant Saint ( voor Bernardus van Quintavalle) en John Julius Norwich, De Pausen, Hoofdstukken XV en XVI.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.