Boekbespreking: Koning Willem I 1772-1843

BMU_Website_home_10Het plezierige aan de viering van 200 jaar Koninkrijk der Nederlanden is dat het feest gepaard gaat met de verschijning van prachtige publicaties. Daarbij moeten vooral de recent verschenen biografieën van de eerste drie Nederlandse koningen uit het Huis van Oranje genoemd worden. Initiatiefnemer Joost Dankers van het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Kunstgeschiedenis van de Universiteit Utrecht constateerde enkele jaren geleden dat goede wetenschappelijke biografieën van Willem I, II en III ontbraken. Met financiële steun van het Prins Bernhard Cultuurfonds werd een project gestart om deze leemte op te vullen. Het resultaat mag er zijn: eind november vorig jaar verschenen drie kloeke boeken, ieder geschreven door een vooraanstaand historicus. Voor het deel over Koning Willem I tekende Jeroen Koch, bekend van zijn biografie over Abraham Kuyper. Het is dit deel dat in deze recensie centraal staat, de andere delen volgen later.

De biografie van Koning Willem I telt in totaal 704 pagina’s en daar ben je niet in een paar uurtjes doorheen. Het zou overigens ook zonde zijn om door het boek te racen, want het bevat zoveel gedetailleerde informatie over de eerste Willem en de tijd waarin hij leefde, en waarin belangrijke politieke beslissingen over Nederland en Europa werden genomen, dat je veel van die informatie zou kunnen missen bij te haastig lezen. In het boek wordt Willem I meestal met zijn volledige naam ‘Willem Frederik’ aangeduid en dat gebruik zal ik in deze recensie doorgaans overnemen, tenzij het specifiek om Koning Willem I gaat. Koch heeft ervoor gekozen het leven van Willem Frederik aan de hand van vijf thema’s te beschrijven. Omdat het boek chronologisch is opgezet, wordt regelmatig van het ene naar het andere thema overgeschakeld, overigens zonder dat dit het begrip compliceert of de leesbaarheid van het boek vermindert. Integendeel, de thema’s gaan naadloos in elkaar over.

Persoonlijk leven

Stadhouder Willem V door Johann Georg Ziesenis (Mauritshuis, Den Haag).

Stadhouder Willem V door Johann Georg Ziesenis (Mauritshuis, Den Haag).

In de eerste plaats richt het boek zich op het persoonlijke leven van Willem Frederik. Daarbij gaat het om de verhoudingen binnen de familie, maar ook met ministers als Felix van Maanen en ondernemende burgers, die altijd de diepe bewondering van Willem Frederik hebben gehad. Binnen de familie komen uiteraard zijn vader, erfstadhouder Willem V, en zijn moeder, Wilhelmina van Pruisen, aan de orde. Voor zijn besluiteloze vader heeft de ambitieuze Willem Frederik op een gegeven moment alle respect verloren. De stadhouder blijkt dan ook een buitengewoon zwak bestuurder. “Niet in staat knopen door te hakken had hij zijn onmiskenbare intellect bij voorkeur aangewend om de complexiteit van zijn stadhouderlijke positie toe te lichten en zich aansluitend te ontslaan van alle verplichting”, aldus Koch bij de passages over het overlijden van de inmiddels verjaagde erfstadhouder in 1806 (p. 160). Uiteraard komt ook zijn verhouding met zijn eerste echtgenote Mimi aan de orde. Die beschrijving wordt gecompliceerd door het feit dat Willem Frederik na haar dood in 1837 opdracht heeft gegeven al hun persoonlijke correspondentie te vernietigen. Die opdracht is echter niet geheel uitgevoerd, waardoor de auteur af en toe gebruik kon maken van brieven van Mimi aan Willem Frederik (de brieven van Willem Frederik aan Mimi zijn wel alle vernietigd; p. 585). De auteur staat tevens stil bij de relatie van Willem Frederik met zijn broer Frederik, zijn zus Louise en natuurlijk zijn kinderen, waaronder zijn oudste zoon en opvolger, de latere Koning Willem II. Koch maakt bij deze beschrijving weer optimaal gebruik van de beschikbare privé correspondentie, wat een zeldzaam gedetailleerd en intiem inkijkje in de Oranjefamilie geeft.

Tot de interessante en voor mij nieuwe details over het persoonlijke leven van Willem Frederik behoort het gegeven dat de Oranjes zeer vooruitstrevend waren op het gebied van vaccinaties. Stadhouder Willem V en zijn vrouw lieten hun kinderen en hun hovelingen inenten tegen pokken, een ziekte die in die dagen vaak dodelijk was of in elk geval nare littekens achterliet (p. 28; zie tevens p. 333). Religieuze bezwaren tegen vaccinatie koesterden de Oranjes dus – anders dan sommige van hun moderne gereformeerde bewonderaars – niet, wat tekenend was voor de relatief ontspannen godsdienstige sfeer binnen het gezin waarin Willem Frederik opgroeide. Ook in andere opzichten is het boek een ware mijn aan opvallende persoonlijke informatie. Zo heeft Koch ergens uit een archief een ‘Gewigtslijst’ op weten te diepen, een lijst waarop – voor onduidelijke doeleinden – het lichaamsgewicht van de leden van de koninklijke familie en van de hofhouding is bijgehouden. Koning Willem I blijkt een zware jongen te zijn geweest, die in 1828 113 Nederlandse ponden woog, wat gelijkstaat aan 113 kilogram (p. 298). Dit was allemaal in de periode dat de Oranjevorst veilig op de Nederlandse troon zat. In de periode dat hij als wanhopig dolend vorst door Europa trok nadat zijn bezittingen bij Fulda (zie hierna) hem waren afgenomen, was hij ongetwijfeld niet alleen jonger en knapper, maar ook slanker. Voor deze periode onderzoekt Koch gedetailleerd het tweede gezin dat Willem Frederik erop nahield. ‘Gezin’ is eigenlijk niet het goede woord. De Oranjevorst verwekte tussen 1807 en 1812 vier kinderen bij een andere vrouw, van wie de auteur de identiteit weet te achterhalen. Op zichzelf paste een buitenechtelijke relatie bij de losse huwelijksmoraal in aristocratische kringen, waar men sowieso doorgaans niet uit liefde trouwde (p. 187). Willem Frederik was dus bepaald geen uitzondering.

De jonge Willem Frederik met zijn broer Frederik (1774-1799; Wikimedia Commons).

De jonge Willem Frederik met zijn broer Frederik (1774-1799; Wikimedia Commons).

De rivaliteit tussen Willem Frederik en zijn oudste zoon en opvolger komt op meerdere plaatsen in het boek prominent naar voren. Het boek maakt duidelijk dat Willem Frederik geen goede militair was. Zijn militaire carrière bestond uit een aaneenschakeling van mislukkingen op het slagveld, van de mislukte Russisch-Britse inval in Noord-Holland in 1799 (p. 110) tot zijn capitulatie bij Erfurt in 1806 als generaal in Pruisische dienst na de slagen van Jena en Auerstedt (p. 169 e.v.). Ook in Oostenrijkse dienst in 1809 kon hij op militair vlak geen indruk maken (p. 201). Willem Frederik was vooral een papieren generaal. Hij was streng tegen de manschappen, wist zich niet met hen te verbroederen of hun respect te winnen en leek wel erg graag het echte slagveld te vermijden. Eind achttiende en begin negentiende eeuw werd echter van generaals verwacht dat ze dapper voor de troepen uitgingen en het liefst werden er zoveel mogelijk paarden onder hun vandaan geschoten. Broer Frederik en zoon Willem presteerden op dat vlak heel wat beter, maar daarbij moet wel aangetekend worden dat de eerstgenoemde al op 24-jarige leeftijd mede als gevolg van in de strijd opgelopen en nooit geheel geheelde wonden kwam te overlijden. Bovendien merkt Koch op dat Willem Frederik dan wel geen leiderschapskwaliteiten op het slagveld demonstreerde, maar wel verstand had van logistiek. En logistiek is ‘niet minder noodzakelijk’, zoals de auteur terecht stelt. Sterker nog, een militair aforisme luidt dat amateurs study tactics, professionals study logistics!

Een militair onbenul was Willem Frederik dus ook weer niet. Die relativerende opmerking mag gemaakt worden, maar logistiek was simpelweg niet de manier om roem te vergaderen op de contemporaine slagvelden van Europa. Zoon Willem toonde zich wel een bekwaam aanvoerder van soldaten. Hij raakte ook gewond, en vanwege het feit dat hij dapper streed bij Waterloo en een belangrijke bijdrage leverde aan de nederlaag van Napoleon werd hij een militaire held. Niet alleen in het Noorden, maar ook in het Zuiden, waar immers de veldslag werd uitgevochten. Willem Frederik was zwaar jaloers op zijn zoon vanwege diens heldenstatus (p. 333). Omgekeerd eiste zoon Willem op den duur ‘zijn’ troon op, wat zich uitte in tegenwerking van het tweede huwelijk van zijn vader met de katholieke gravin Henriëtte d’Oultremont. Eerst door informatie naar de pers te lekken (p. 524) en na de troonsafstand van de eerste Oranjekoning met allerhande juridische scherpslijperij, waarbij minister van Justitie Van Hall zelfs de voormalige koning en zijn wederhelft door de politie liet schaduwen (p. 559). Willem Frederik was ongetwijfeld een moeilijke man, ook voor zijn zoon, maar het gevoel bekruipt je dat hij dít niet had verdiend.

Europese vorstenhuizen

Het tweede thema betreft de relaties tussen de verschillende Europese vorstenhuizen op politiek, economisch, cultureel en familiaal niveau. De relaties tussen de verschillende koninklijke families zijn ingewikkeld, maar gelukkig heeft de auteur voorin het boek een informatieve stamboom opgenomen waarin de precieze familierelaties met bijvoorbeeld het Britse Huis van Hannover, de Pruisische Hohenzollerns en de Russische Romanovs duidelijk worden aangegeven. Als het boek iets duidelijk maakt, dan is het wel dat deze internationale context vele facetten kende. De Britse koningen waren bijvoorbeeld als keurvorsten van Hannover ook vorsten binnen het Heilige Roomse Rijk, terwijl hetzelfde gold voor stadhouder Willem V, die tevens prins van Nassau-Dietz was. In het Britse geval speelt overigens nog een zekere ‘Nederlandse link’ een rol. De George I die in 1714 de Britse troon besteeg, was een nazaat van keurvorst Frederik van de Palts, beter bekend als de Winterkoning, die op zijn beurt weer een neef van de stadhouders Maurits en Frederik Hendrik was. Doorslaggevend voor de transfer van de Duitse Hannovers naar Groot-Brittannië was echter dat Frederik van de Palts was getrouwd met Elizabeth Stuart, dochter van de Engelse koning James I. Zij heeft lange tijd in ballingschap in Den Haag gewoond.

Willem Frederik, erfprins van Oranje-Nassau (Rijksmuseum, Amsterdam).

Willem Frederik, erfprins van Oranje-Nassau (Rijksmuseum, Amsterdam).

De biografie van Koning Willem I maakt duidelijk dat dynastieën niet per se aan een bepaald land gebonden hoefden te zijn. Leopold van Saksen-Coburg werd bijvoorbeeld de eerste Koning der Belgen, maar had evengoed op de Griekse troon kunnen belanden. Willem Frederik zwierf als (erf)prins van Oranje na de Franse inval in 1795 door Europa en bewoog zich van Engeland naar Pruisen totdat hij in 1802 als gevolg van de Vrede van Amiens en het Verdrag van Parijs de voormalige bisdommen Fulda en Corvey, de rijksstad Dortmund en de heerlijkheid Weingarten toegewezen kreeg. Gebieden die honderden kilometers uit elkaar lagen. Willem Frederik kon hier bestuurlijke ervaring opdoen, totdat hij Napoleon Bonaparte voor het hoofd wist te stoten. Bij diens ontbinding van het Heilige Roomse Rijk in 1806 was er vervolgens geen plaats meer voor Willem Frederik, die een ‘marionet in Napoleons Europese poppentheater’ werd, aldus Koch (p. 164). Fulda en de andere bezittingen werden hem ontnomen en een terugkeer naar de Nederlanden zat er al helemaal niet meer in. De Bataafse Republiek was weliswaar ter ziele gegaan en vervangen door een monarchie, maar op de troon plaatste Napoleon zijn broer Lodewijk Napoleon, die daarmee de eerste Nederlandse koning werd. Willem Frederik was weer een vorst zonder land geworden en doolde verder, op zoek naar gebieden waar hij de dynastie van het Huis van Oranje voort kon zetten, ergens in Europa, waar dan ook (p. 217).

Het ontstaan van Nederland: tussen droom en daad

Als derde thema neemt Koch de nieuwe Europese orde die ontstaat na het Congres van Wenen in 1814 en 1815. De Vereenigde Nederlanden (1814) en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815) ontstaan, deze staten krijgen een grondwet en er wordt een monarchie gevestigd. De bedoeling van het Congres is duidelijk: restauratie. De situatie van vóór Napoleon moest zoveel mogelijk worden hersteld. Dat betekent geen experimenten met volkssoevereiniteit en libertijnse stoutigheden, maar vorsten die een sterk gezag combineren met goede zorg voor hun onderdanen. Daarbij is het uitgangspunt dat de vorst een natie heeft, en niet de natie een vorst. We volgen in het boek de voorbereidende activiteiten van de orangist Van Hogendorp om Willem Frederik naar Nederland te halen, diens (recentelijk nagespeelde) landing bij Scheveningen op 30 november 1813 en de vaststelling van een ‘wijze constitutie’ op 29 maart 1814, de Grondwet waarom Willem Frederik bij het aanvaarden van de positie van Soeverein Vorst had gevraagd. Het verhaal gaat verder langs de inhuldiging van de Soeverein Vorst, naar het openlijk aannemen van de titel ‘Koning’ op 16 maart 1815 tot de vereniging van de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden na de slotakte van het Congres van Wenen en de vaststelling van een geschikte grondwet voor deze nieuwe staat op 24 augustus 1815. Die nieuwe grondwet brengt ook een door de koning benoemde Eerste Kamer, een instituut waar Willem Frederik een jaar eerder al tevergeefs om had gevraagd (p. 249; p. 309).

Koning Willem I met de Grondwet van 1815 door Mattheus Ignatius van Bree (Koninklijk Huis (Nationaal Archief) / Royal Museum of Fine Arts, Brussels).

Koning Willem I met de Grondwet van 1815 door Mattheus Ignatius van Bree (Koninklijk Huis (Nationaal Archief) / Royal Museum of Fine Arts, Brussels).

Met de Grondwet van 1815 zit Koning Willem I stevig op zijn troon. De beeldvorming rond de koning en zijn regeringsdaden vormen het vierde en vijfde thema van deze biografie. We komen hier een koning tegen die met enorme wilskracht, een groot plichtsbesef en welhaast onuitputtelijke energie vorm probeert te geven aan het land. Daarbij gaat het soms letterlijk om vormgeven: de koning is verantwoordelijk voor de aanleg van wegen en het graven van waterwegen als het Noordhollandsch Kanaal en de naar hem vernoemde Zuid-Willemsvaart. De koning bevordert industrie en mijnbouw en is verantwoordelijk voor de oprichting van zowel de Nederlandsche Handel-Maatschappij (een voorloper van ABN Amro) als de Nederlandsche Bank. Ondernemers krijgen de ruimte en worden bewonderd. Het Verenigd Koninkrijk moet worden opgestuwd in de vaart der volkeren. Het zijn handelingen die Willem Frederik bijnamen als ‘koning-koopman’ en ‘kanalenkoning’ opleveren en die leiden tot gunstige oordelen van uiteenlopende historici, zoals de marxistisch georiënteerde Jan Romein (p. 337) en de opstellers van de canon van de Nederlandse geschiedenis, die hem als enige Oranje naast Willem de Zwijger een plekje toekenden (p. 572). Ook in de Zuidelijke Nederlanden is er lof voor het economische beleid van de Koning (p. 411). Dat daar uiteindelijk een opstand uitbreekt, ligt dan ook aan andere karaktereigenschappen van Willem Frederik. De koning is autoritair (net als zijn tijdgenoten elders overigens, en conform de bedoelingen van het Congres van Wenen), overtuigd van eigen gelijk, onzeker en achterdochtig en duldt boven alles geen tegenspraak. Delegeren van taken aan ministers is er niet bij. Die zijn slechts ‘dienaren’, de letterlijke betekenis van het woord ‘minister’. “De Koning alleen besluit” is zijn favoriete bepaling uit de Grondwet van 1815, een bepaling die overigens in een artikel over het horen van de Raad van State staat en zeker niet de bedoeling had de koning tot de enige macht in de staat te maken.

Koning Willem I zag de Grondwet vooral als een ‘soort legitimatie van zijn persoonlijke macht’ (p. 309). Hij zag er geen been in ondanks de in die Grondwet vastgelegde vrijheden autoritaire en centralistische maatregelen te nemen op het gebied van de godsdienst, het onderwijs, de taal en de pers. Het waren maatregelen die in het katholieke zuiden zeer slecht vielen. De Katholieke Kerk voelde zich op eigen terrein – godsdienst en onderwijs – aangevallen, en bleek na meer dan 200 jaar katholieke hegemonie overigens ook niet bereid te zijn de vrijheid van godsdienst te delen met protestantse ketters. Zowel de liberale als de katholieke pers werden flink gebreideld. Alle bemoeienis en repressie leidden ertoe dat katholieken en liberalen – bien étonnés de se trouver ensemble – in elkaars armen werden gedreven. Na een ‘theateroproer’ op 25 augustus 1830 verklaarden de Belgen zichzelf op 4 oktober 1830 onafhankelijk. Met de Belgische opstand breekt een buitengewoon interessante periode aan in zowel de Nederlandse als de Belgische geschiedenis. Koch bespreekt deze tot in detail. Wat voor mij nieuw was, was dat tot aan de onafhankelijkheidsverklaring op 4 oktober een administratieve scheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden een reële optie was (p. 456-457). Noord en Zuid zouden dan verder kunnen als zelfstandige staten met op de troon van iedere staat een vorst uit het Huis van Oranje. Als potentiële vorst werden genoemd de zonen van Willem Frederik, de populaire Willem (de latere Koning Willem II) en Frederik, maar ook zijn kleinzonen Willem (de latere Willem III) en Hendrik, de laatsten onder regentschap van hun moeder Anna Paulowna. Overigens werden ook buitenlanders genoemd, zoals een in Salzburg geboren prins die als Otto I in 1832 Koning van Griekenland werd.

Op weg naar het einde

Uiteraard liep het allemaal anders. Zoon Frederik bezorgde de Belgen martelaren door eind september zijn soldaten op opstandelingen te laten schieten. Zoon Willem (II) accepteerde na lang nadenken wél de Belgische troon, maar dit was reeds na de onafhankelijkheidsverklaring, waarmee Willem zich alleen maar de woede van de noordelijke Nederlanders op de hals haalde. Uiteindelijk bleek weer: de Nederlanders en Belgen wikken, maar de Grote Mogendheden beschikken, net als bij het Congres van Wenen het geval was. De nieuwe staat België werd met zegen van de werkelijke machthebbers geboren en Leopold van Saksen-Coburg, een protestantse Duitser – hij was Luthers – werd op de troon geplaatst. De nieuwe koning werd gebonden aan een grondwet waarvan men zegt dat zij respire partout la haine du roi passé et la peur du roi future. Kortom, een grondwet waarin de macht van de koning beperkt is, zodat hij niet zoals met de Grondwet van 1815 gebeurde de daarin vastgelegde grondrechten de nek kon omdraaien. De roi passé moest in de nieuwe staat ook echt passé blijven. Al ver voor de installatie van Leopold had een Belgisch nationaal congres een decreet vastgesteld bepalende dat “leden van het stamhuys van Oranje-Nassau voor altyd uyt alle magt of gezag in België uitgesloten zyn” (p. 457). Dit decreet van 24 november 1830 geldt nog steeds. Het intrekken ervan is ook niet zo gemakkelijk, omdat het een soort grondwettelijke status bezit. Dat betekent dat twee lezingen en een meerderheid van twee derden van de stemmen in tweede lezing vereist zijn.

De Belgische opstand verbeeld, schilderij van Gustaf Wappers (foto: Szilas/Royal Museums of Fine Arts of Belgium, Brussels).

De Belgische opstand verbeeld, schilderij van Gustaf Wappers (foto: Szilas/Royal Museums of Fine Arts of Belgium, Brussels).

Willem heeft lang geweigerd de Belgische afscheiding te accepteren. Of preciezer: hij heeft de afscheiding op zichzelf wel geaccepteerd, maar lange tijd niet ingestemd met de verdragen waarin de boedelscheiding werd beklonken en waarin zaken werden geregeld als de verdeling van de staatsschuld, de grenzen tussen beide staten en de toegang tot Antwerpen via de Schelde (p. 463). De Koning financierde achter de schermen de orangistische oppositie in België, wat kan verklaren waarom ‘orangist’ in België nog steeds een scheldwoord is, met name in het lange tijd Oranjegezinde Gent. De Koning schijnt verder vanuit Den Haag nog drie couppogingen tegen Leopold te hebben ondersteund (p. 484), maar de voor het Noorden meest desastreuze maatregel was ongetwijfeld zijn beslissing om niet tot demobilisatie van het leger over te gaan. Daardoor bleven na de Tiendaagse Veldtocht duizenden soldaten onder de wapenen, wat veertig procent van het jaarlijkse staatsbudget opeiste. En dat negen jaar lang, tot 1839. Gevolgen voor de economie bleven uiteraard niet uit. De jaren na de Belgische opstand waren sowieso de moeilijkste voor Willem. Hij kreeg in 1834 te maken met de eerste afscheiding uit ‘zijn’ Nederlands-Hervormde Kerk, werd voortdurend bestookt met verzoeken om ‘nieuwlichterij’ als invoering van de politieke ministeriële verantwoordelijkheid en voelde de reeds besproken hete adem van zijn zoon in zijn nek, die zich na vele jaren wachten rijp achtte voor de troon. Aldus kwam een troonsafstand steeds dichterbij. In 1840 werkte Willem Frederik nog mee aan de grondwetsherziening van dat jaar, maar die medewerking bleek niet volledig te zijn. Drie artikelen over de (strafrechtelijke) ministeriële verantwoordelijkheid, de invoering van het contraseign en de Hoge Raad als forum privilegiatum konden pas drie dagen na de abdicatie van Koning Willem I in werking treden, toen zijn zoon en opvolger daartoe een apart koninklijk besluit vaststelde (p. 532).

Enige kanttekeningen

Koning Willem I 1772-1843 is een subliem boek, dat zeer plezierig leest. Toch maak ik een paar kanttekeningen. Wat het boek enigszins minder geschikt maakt als naslagwerk, is dat het alleen een personenregister bevat. Een zakenregister ontbreekt, zodat geïnteresseerden die bijvoorbeeld op zoek zijn naar alle informatie inzake het Amortisatie-Syndicaat meer zoekwerk zullen moeten verrichten. Achterin het boek zijn twee kaarten opgenomen die het Europa van vóór en ná het Congres van Wenen laten zien. De kaarten zijn fraai uitgevoerd, maar met name de eerste kaart is niet erg handig. Deze heeft betrekking op Midden-Europa tijdens de Franse revolutie en de Napoleontische oorlogen. De kaart bevat diverse gekleurde vlakken en vlekjes zonder tekst, waarvan de lezer maar moet raden welke vorstendommen ze voorstellen. Misschien is dit een omissie, want op de tweede kaart zijn de vlakken wél ingevuld met tekst. Het was ook niet echt nodig geweest om deze kaarten achterin het boek op te nemen. Omdat het maar om twee kaarten gaat en ook alle overige afbeeldingen in de hoofdtekst van het boek zijn opgenomen, had dat laatste ook prima met de kaarten kunnen worden gedaan.

Op het inhoudelijke vlak heb ik enkele aanmerkingen. Op p. 258 stelt Koch dat tijdens de inhuldiging van Willem Frederik als Soeverein Vorst op 30 maart 1814 te Amsterdam zijn zoons – Willem en Frederik dus – een eed van trouw aan hun vader zwoeren. Het merkwaardige is dat over een dergelijke eed niets in de Grondwet – nota bene een dag eerder aangenomen door de Notabelenvergadering – was vastgelegd. De Grondwet spreekt van de eed van de Soevereine Vorst, de plechtige verklaring van de leden van de Staten-Generaal en een (later) huldeblijk van de provinciale staten, maar zwijgt over een eed van de troonopvolgers. Áls de beide prinsen een eed van trouw aan hun vader hebben afgelegd, moet toch op z’n minst ergens een tekst van die eed zijn vastgelegd. Koch beroept zich blijkens het notenapparaat op twee bronnen: het ‘Programma van het Ceremonieel, ter gelegenheid van de Inhuldiging’ uit het Koninklijk Huisarchief en de Slight Reminiscences van Emma Brownlow, een Britse gravin die de inhuldiging bijwoonde. Over het Programma uit het KHA kan ik niets zeggen (ik heb het niet en ken het niet), maar Brownlow is eerder besproken in een discussie waarin ook de historicus Arnout van Cruyningen zich mengde. Van Cruyningen citeerde daar ook uit het boekje van Brownlow – “This was followed by the Hereditary Prince and his brother taking the oath of allegiance” – maar merkte daarbij op dat ze selectief verslag deed en bovendien haar herinneringen ruim vijftig jaar na dato publiceerde. Dat klopt, want de Slight Reminiscences verschenen in 1868, dus 54 jaar na 1814. Koch geeft impliciet ook wel toe dat Brownlow geen woord van de hele ceremonie kan hebben verstaan. Het gebeuren was in het Nederlands, een taal die deze Britse adellijke dame niet machtig was. Het is, concluderend, niet onmogelijk dat de prinsen een eed van trouw aan hun vader hebben afgelegd, maar gelet op het zwijgen van de Grondwet op dit punt en het schaarse bronnenmaterieel is het ook niet heel waarschijnlijk.

Buste van Koning Willem I (Eerste Kamer, Den Haag).

Buste van Koning Willem I (Eerste Kamer, Den Haag).

Op p. 532 schrijft Koch bij de bespreking van de Grondwet van 1840 over “op het eerste gezicht twee absurde passages, overblijfsels uit de oude grondwet die door de gebeurtenissen waren achterhaald”. Daarmee doelt hij op twee artikelen over de erfopvolging waarin wordt gesproken over “kinderen (…) die nog mogten geboren worden, uit zijn [Willem Frederiks] tegenwoordig huwelijk met Hare Majesteit Frederika Louisa Wilhelmina Prinses van Pruissen” en over het overgaan van de Kroon op Willem Frederiks “zuster, Prinses Frederika Louisa Wilhelmina van Oranje , douairière van wijlen Carel George August, Erfprins van Brunswijk-Lunenburg, of hare wettige nakomelingen”. Het absurde zat hem in het gegeven dat Frederika Louisa Wilhelmina Prinses van Pruissen – oftewel Mimi – in 1837 was gestorven en het dus raar was om te spreken van kinderen die nog geboren zouden kunnen worden uit een ‘tegenwoordig’ huwelijk. Nog vreemder was de verwijzing naar zus Frederika Louisa Wilhelmina van Oranje – oftewel Louise – die immers al in 1819 kinderloos was gestorven. Zelfs in 1814 en 1815 was het aan haar gewijde artikel al opmerkelijk geweest, want de kans dat een 44-jarige weduwe nog kinderen op de wereld zet, is nogal klein. Koch beschrijft dit vermakelijk, maar stelt ten onrechte dat de genoemde artikelen pas in 1917 uit de Grondwet zijn geschrapt. Ik heb ze in de Grondwet van 1887 al niet meer terug kunnen vinden.

Ten slotte merk ik op dat de koloniën er in het boek misschien wat te bekaaid vanaf komen. Aan de belangrijke Java-oorlog (1825-1830) wordt bijvoorbeeld maar een halve alinea gewijd (p. 367-368). Aangezien de Grondwet van 1815 in artikel 60 bepaalde dat de koning “bij uitsluiting het opperbestuur over de volkplantingen en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen” heeft, rijst de vraag in hoeverre Willem Frederik persoonlijk bij deze oorlog betrokken was. Dat is temeer een interessante vraag, omdat de Java-oorlog in belangrijke mate voortvloeide uit centralistische tendensen van het koloniale bestuur, die al in de tijd van het Koninkrijk Holland (onder Daendels) en in de periode van het Britse tussenbestuur daarna (onder Raffles) een aanvang hadden genomen. Voorheen bestuurden de Nederlanders hun Javaanse bezittingen via de Javaanse adel, maar door voor een meer rechtstreeks bestuur te kiezen, werd die bestuurslaag uitgeschakeld, tot groot ongenoegen van de inheemse aristocratie zelf. In Europa had Willem Frederik laten zien fervent voorstander te zijn van een sterk centraal bestuur, dus de vraag is gerechtvaardigd in hoeverre zijn gedachten hun weg naar de koloniën hebben gevonden en in hoeverre hij zijn koloniale beleid als eigen werk of voortzetting van het werk van anderen (van Daendels en Raffles dus) beschouwde. Die vraag wordt in de biografie niet expliciet aan de orde gesteld, en dat is jammer.

Het voorgaande kan echter niet wegnemen dat Koning Willem I 1772-1843 in alle opzichten een geslaagde biografie is. Koch heeft de lastige taak gekregen de eerste biografie in een serie van drie te verzorgen. Als het eerste boek mislukt, is de kans aanwezig dat lezers de overige delen links laten liggen. Koch heeft zich echter uitstekend van zijn taak gekweten. Eenieder die kennis wil nemen van het boeiende leven van een gecompliceerde vorst in een van de interessantste tijdperken van onze vaderlandse geschiedenis raad ik deze fraaie, goedgeschreven biografie van harte aan.

2 Comments:

  1. Koch (en Van Zanten) zijn overigens later onder vuur genomen voor hun beschrijving van de Willem II’s heldenrol in de Slag bij Waterloo. In de lijn van de historische fact-checking: hoe zit dat precies?

  2. Pingback: Inhuldigen à la Belgique – Corvinus

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *