Matilo (Leiden)

Porta Decumana, oostelijke ingang van Matilo.

Wie bijna 2.000 jaar geleden de Limesweg van Praetorium Agrippinae (het huidige Valkenburg, Zuid-Holland) richting het oosten volgorde, kwam zo’n acht kilometer verderop bij het volgende castellum langs de Rijngrens aan. Dat castellum droeg volgens de Kaart van Peutinger (Tabula Peutingeriana) de naam Matilo(ne). Wat die naam betekent, is niet bekend. Waar het castellum heeft gelegen is echter precies bekend. Vandaag de dag vindt men er een interessant archeologisch park, dat al in 1976 tot rijksmonument werd verklaard. De Limesweg loopt er nog steeds doorheen, met om de zoveel meter het woordje limes in het wegdek. Aarden wallen markeren het terrein waar het kamp lag en drie van de vier poorten zijn nagebouwd. Opgravingen vinden er voorlopig niet plaats. Daar moet enerzijds een goede reden voor zijn (een archeoloog gaat niet zomaar graven) en anderzijds wacht men tot de archeologische technieken dusdanig verbeterd zijn dat voorwerpen zonder gevaar voor schade naar boven gehaald kunnen worden.

Geschiedenis van Matilo

Matilo is als grensfort waarschijnlijk zo’n 30 jaar jonger dan Praetorium Agrippinae verder naar het westen. In het jaar 69 kwamen de Bataven in opstand tegen het Romeinse gezag en de in het toenmalige Zuid-Holland woonachtige Cananefaten sloten zich bij deze rebellie aan. Toen de Bataafse Opstand een jaar later beëindigd werd, bouwden de Romeinen extra forten en fortjes aan de Rijngrens. Een van die forten was Matilo, dat dus omstreeks het jaar 70 moet zijn verrezen. De ligging van het fort was zeer strategisch. Enerzijds lag het aan de Rijn, anderzijds aan het Kanaal van Corbulo. Gnaeus Domitius Corbulo was een Romeins veldheer in dienst van keizer Claudius (41-54). Nadat Claudius zijn generaal in het jaar 47 opdracht had gegeven zich terug te trekken op de linkeroever van de Rijn, liet Corbulo zijn manschappen een kanaal graven dat moest zorgen voor goede verbindingen met het achterland.[1] Door middel van het kanaal werden de rivieren Rijn en Maas met elkaar verbonden. Ook de Cananefaten profiteerden hiervan: langs het kanaal verrees een nederzetting die als Forum Hadriani bekend zou komen te staan en nu Voorburg heet.

Binnenkant van het kamp.

Het castellum van Matilo kent een zelfde bouwkundige ontwikkeling als het naburige Praetorium Agrippinae. Het fort was oorspronkelijk van hout, maar kreeg in het laatste kwart van de tweede eeuw muren, poorten en torens van steen. Zoals alle castella had Matilo een aangrenzende woonwijk, de vicus. Beide nederzettingen werden tijdens de zogenaamde Crisis van de Derde Eeuw verlaten, zo tussen 240 en 260. Het voormalige legerkamp werd later een steengroeve waaruit de lokale bevolking dankbaar tufsteen haalde voor andere gebouwen. Brokken van deze steen zijn onder meer gebruikt voor de Burcht van Leiden die zo’n twee kilometer ten noordwesten van het archeologisch park staat.

Bewoners

Romeins ruitermasker, gevonden te Matilo (Rijksmuseum van Oudheden).

Het fort bood plaats aan een cohort soldaten, dus ongeveer 480 man. Omdat grote hoeveelheden kogels van gebakken klei gevonden zijn in de omgeving van Matilo moeten hier in elk geval artilleristen gelegerd zijn geweest. Waren zij onderdeel van het Vijftiende Cohort Vrijwilligers (Cohors XV Voluntariorum), een eenheid van soldaten met Romeins burgerrecht die hier blijkens dakpanstempels vermoedelijk ooit heeft gelegen? En van welke eenheid was de ruiter die hier zijn prachtige bronzen masker in het water gooide, waarschijnlijk als offer aan de goden? Het zijn allemaal vragen die lastig te beantwoorden zijn. Het ruitermasker, in 1996 gevonden in het Kanaal van Corbulo en thans in het Rijksmuseum van Oudheden, is in elk geval een schitterend voorwerp. Het moet begin tweede eeuw vervaardigd zijn. Omdat het vanwege de aanwezige krulletjes nogal op een bekende Nederlandse zanger leek, werd het ‘Gordon’ gedoopt. Het masker speelt nog een rolletje in een Leidse thriller.

Vroeger werd wel aangenomen dat zulke maskers alleen bij parades en ceremoniën werden gedragen. Het masker, dat met riempjes en een scharnier aan een helm werd bevestigd, kan namelijk nooit erg comfortabel hebben gezeten. De ruiter moet het erg warm hebben gehad achter het brons en zijn zicht werd bovendien beperkt. Ruitermaskers zijn echter ook teruggevonden op het slagveld (o.a. Kalkriese, Duitsland), en er is geen reden aan te nemen dat ze daar niet gebruikt werden. Een ruitermasker maakte een cavalerist extra indrukwekkend en intimiderend. Het masker bood het kwetsbare gezicht ook enige bescherming. Als een ruiter na een charge even op adem wilde komen, kon hij het masker omhoog klappen.[2]

Leven in en rond Matilo

De Limes loopt dwars door het kamp.

De vele informatieborden in het archeologisch park bieden een schat aan informatie over het leven in en rond Matilo in de Romeinse tijd. De borden hebben vaak de vorm van een bepaald voorwerp: een legerstandaard, een Germaans zwaard, een katapult (ballista), een paard, een landmeter (groma) die symbool staat voor het Romeinse idee van maakbaarheid, en een zaaister (seminatrix), die juist de Germaanse omgang met wat de natuur de bewoners biedt verbeeldt. De koe (vacca), die in het voormalige kampdorp staat, vertelt ons meer over het eten in de Romeinse tijd. De Romeinen zijn bijvoorbeeld niet geïnteresseerd in de inheemse gerst en emmertarwe die de boeren van de Cananefaten verbouwen (in Zuid-Limburg, bijvoorbeeld in Coriovallum, worden wel producten van spelttarwe geconsumeerd). Wel kopen de militairen van het castellum graag runderen van deze boeren, want rundvlees wordt veelvuldig gegeten. De Romeinen introduceren ook de kip in deze streken, een vogel die sindsdien vaste prik in de Nederlandse keuken is.

Hoewel de ruimte binnen de wallen vrijwel uitsluitend uit een leeg grasveld bestaat, is de voormalige indeling van Matilo redelijk goed te reconstrueren. Men kwam, wellicht via een brug over het kanaal, binnen bij de Porta Praetoria (de hoofdpoort) en volgde dan de Via Praetoria naar het centrum van het castellum. Daar bevonden zich de woning van de commandant (praetorium) en het militaire hoofdkwartier (principia). Via de Via Decumana en de Porta Decumana verliet men vervolgens het castellum weer aan de oostkant. De Via Praetoria werd doorsneden door de Via Principalis. In Matilo is daarvan het rechter gedeelte gereconstrueerd, alsmede de Porta Principalis Dextra. Het linker gedeelte en de linker poort (Porta Principalis Sinistra) ontbreken.

Replica van een Romeins vrachtschip.

Nabij de brug over het water vinden we een tamelijk kleine replica van een Romeins vrachtschip. Het gaat om een platbodem, een type schip dat gebruikt werd om allerhande goederen over de Rijn en het Kanaal van Corbulo aan te voeren. Vervoer via het water was vele malen goedkoper dan vervoer over de weg. Erg snel ging het echter niet. De schepen haalden hooguit een snelheid van vijf kilometer per uur, niet sneller dan een voetganger dus.

Het archeologisch park heeft een eigen website die veel informatie leverde voor deze bijdrage.

Noten

[1] Oudhistoricus Jona Lendering gaat op zijn website uit van stichting van Matilo ten tijde van het graven van dit kanaal. Het zou dan verwoest zijn tijdens de Bataafse Opstand en later herbouwd. Ik volg hier de uitleg van de website van het archeologisch park, die uitgaat van bouw ná de Opstand.

[2] Zie over ruitermaskers o.a. Adrian Goldsworthy, The Complete Roman Army, p. 12, 111 en 141.

 

One Comment:

  1. Pingback: Boekbespreking: De Bekentenissen van Petrus – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.