Septimius Severus: De Jaren 208-211

Uitrusting van een Romeinse legioensoldaat.

In 208 lanceerde Septimius Severus een grote militaire operatie tegen de Caledones in Brittannië. Cassius Dio schrijft dat de reden voor de invasie was dat “zijn zonen hun manier van leven veranderden en de legioenen door nietsdoen verslapten”.[1] De verklaring die Herodianus geeft, is wat overtuigender. Van de Romeinse gouverneur Lucius Alfenus Senecio kwamen verontrustende berichten: “De barbaren daar waren in opstand, trokken plunderend het land door en richtten op grote schaal verwoestingen aan”.[2] Dat was wellicht wat overdreven, maar het is wel waarschijnlijk dat toen Clodius Albinus in 195 naar Gallië overstak, hij de meeste op het eiland gestationeerde legioensoldaten en hulptroepen met zich meenam. Daardoor was vooral het noordelijke gedeelte van Romeins Brittannië kwetsbaar geworden voor Caledonische raids. Ook onder keizer Commodus was er sprake geweest van Caledonische invallen in Romeins Brittannië.

Het is weinig aannemelijk dat de Romeinen een grootschalige Caledonische invasie het hoofd moesten bieden. Plundertochten over de grens en wellicht een tijdelijk verlies van de controle over de Muur van Hadrianus, zoals in 184, vormden voor de bejaarde keizer echter een toereikende casus belli. Ondanks het feit dat hij al sinds zijn Parthische veldtocht ernstig aan jicht leed, besloot Severus in hoogst eigen persoon naar Brittannië af te reizen. Caracalla en Geta, zijn twee zoons die al regelmatig met elkaar overhoop lagen, gingen met hem mee. Severus dacht dat het goed voor hen zou zijn als ze een tijdje weg waren uit Rome en het simpele soldatenleven zouden leven. Hij zat er echter flink naast.

De oppositie

Zowel Herodianus als Cassius Dio hebben ons kleurrijke beschrijvingen nagelaten van het volk waartegen de Romeinen het nu gingen opnemen:

Herodianus:

“Gebruik van kleding is er helemaal onbekend, ze tooien hun flanken en hals met ijzer. Dat beschouwen ze namelijk als sieraad en teken van rijkdom, zoals andere barbaren goud. Ook tatoeëren ze hun lichaam met bonte afbeeldingen en allerlei dierenfiguren. Dat is ook de reden dat ze geen kleren dragen: ze willen die afbeeldingen op hun lichaam niet bedekken. Ze zijn uiterst vechtlustig en bloeddorstig. Hun enige wapens zijn een smal schild en een speer, en een zwaard dat aan hun naakte lijf hangt. Het gebruik van harnas of helm kennen ze niet: die vinden ze maar hinderlijk bij het oversteken van de moerassen.”[3]

Cassius Dio:

“Er zijn onder de Britten twee belangrijke volkeren, de Caledones en de Maeatae, en de namen van de anderen zijn onder deze twee opgenomen. De Maeatae wonen naast de muur die het eiland in tweeën verdeelt, en de Caledones wonen voorbij hen. Beide volkeren bewonen wilde en waterloze bergen en troosteloze en moerassige vlakten. Ze hebben geen muren, steden of geploegde akkers, maar leven van hun kuddes, van wild en van bepaalde soorten fruit. De vissen, die men er in immense en onuitputtelijke hoeveelheden aantreft, raken ze niet aan. Ze leven in tenten, naakt en zonder schoeisel, bezitten hun vrouwen gemeenschappelijk en voeden hun kinderen allemaal gezamenlijk op. Hun regeringsvorm is grotendeels democratisch en ze zijn dol op plunderen; daarom kiezen ze de stoutmoedigste mannen als hun leiders. Ze rijden in strijdwagens naar het slagveld toe en hebben kleine, snelle paarden. Er zijn ook soldaten te voet, die heel hard kunnen rennen en erg goed stand kunnen houden. Als wapens gebruiken ze een schild en een korte speer. Aan het einde van de speerschacht is een bronzen appel bevestigd; als de speer geschud wordt, kan die veel geluid maken en de vijand angst aanjagen. Ook dragen ze dolken bij zich. Ze kunnen honger en vele ontberingen doorstaan. Ze springen namelijk in de moerassen en brengen daar vele dagen door met alleen hun hoofden boven het water. In de bossen houden ze zichzelf in leven met boomschors en wortels, en voor alle noodgevallen bereiden ze een bepaalde dis. Een kleine portie van dit eten, ter grootte van een boon, voorkomt al dat ze honger of dorst voelen.”[4]

Severus’ invasie van Caledonië (kaart: Notuncurious/Frere’s Britannia, CC BY-SA 3.0 license).

Het is mogelijk dat de Caledones een delegatie naar de keizer stuurden om vrede aan te bieden, maar Severus weigerde pertinent te onderhandelen omdat hij het hele eiland wilde onderwerpen. De keizer liet Geta achter in het zuiden en marcheerde vervolgens met Caracalla en zijn invasiemacht naar het noorden. Eenheden van Romeinse legeronderdelen die al op het eiland gelegerd waren, werden aan de strijdmacht toegevoegd. Helaas beschikken we over maar weinig details van de veldtocht van Severus. Als de Romeinen inderdaad de controle over de Muur van Hadrianus kwijt waren geraakt, dan zorgde Severus er waarschijnlijk voor dat die controle werd hersteld. Vervolgens viel hij Caledonisch gebied binnen. We weten dat hij ook de genoemde Muur van Hadrianus versterkte en er een grensbarrière die helemaal van steen was van maakte.

Ten noorden van de muur moet het moerassige terrein de grootste vijand van de Romeinen zijn geweest. Herodianus schrijft dat hierover het volgende:

“Met name probeerde hij [Severus] een systeem van pontonbruggen aan te leggen in de moerassen. Doel was dat de soldaten er veilig en gemakkelijk overheen konden en een vaste ondergrond kregen, waarop ze stevig zouden staan bij het vechten.”[5]

Het is mogelijk gebleken de route te reconstrueren die de Romeinse invasiemacht nam. De Romeinen drongen diep in Caledonisch gebied door. Er zouden echter geen grote en beslissende veldslagen worden uitgevochten. Deze oorlog bestond uit schermutselingen en kleinschalige gevechten tussen eenheden Caledones en Romeinse patrouilles. Dit was, kortom, een guerrillaoorlog. De Romeinen maakten wel vorderingen en rukten verder op naar het noorden dan ooit tevoren, maar ze konden nimmer al het gebied dat ze veroverden stevig in handen houden.

De Caledones moeten vreselijk geleden hebben onder de oorlog. Velen van hen werden afgeslacht. Maar ook de Romeinen leden zware verliezen. Cassius Dio noemt in dit verband het enigszins ongelooflijke aantal van 50.000 Romeinse slachtoffers (dat zijn waarschijnlijk meer slachtoffers dan er soldaten in de hele invasiemacht waren!). De keizer had veel last van zijn jicht en moest in een stoel worden rondgedragen. Om het allemaal nog erger te maken, was er sprake van tenminste één – beweerde – poging van Caracalla om zijn vader te vermoorden.

Wat het verloop van de oorlog ook was, de strijdende partijen besloten waarschijnlijk ergens in 209 om vrede te sluiten, maar het volgende jaar was er alweer sprake van vijandelijkheden. Severus was nu dusdanig ziek dat hij Caracalla naar het noorden stuurde met het leger en de opdracht om iedereen te doden die hij maar tegenkwam. De keizer citeerde bij deze gelegenheid enige regels uit de Ilias van Homerus, die hij licht aanpaste:

“Moge van hen geen ontkomen aan het steile verderf
en aan onze handen; zelfs niet het jonge kind, dat nog geborgen is in zijn moeders schoot,
laat ook hij niet ontkomen aan het steile verderf.”

Buste van Caracalla (Museo Nazionale Romano, Rome).

(in het origineel luiden deze regels: “Moge van hen geen ontkomen aan het steile verderf en aan onze handen; zelfs niet het jonge kind, dat nog geborgen is in zijn moeders schoot, laat ook hij aan de dood niet ontsnappen, maar mochten allen uit Troje vergaan, spoorloos en onbegraven” (Ilias 6.57 e.v.; vertaling: M.A. Schwarz) – dit zijn de woorden die Agamemnon tegen zijn broer Menelaus spreekt als die op het punt staat het leven van een vijand te sparen)

De veldtocht van Caracalla vond begin 210 plaats. Mogelijk werd er ten noorden van de Muur van Antoninus gevochten. De keizer was van plan om zijn zoon naar het noorden te volgen zodra hij weer beter was. Severus herstelde echter nooit meer en stierf op 4 februari 211 in Eburacum (het huidige York, ver ten zuiden van de Muur van Hadrianus). Dat was ook het einde van de oorlog, want zijn zoons waren niet van zins de strijd voort te zetten. Ze sloten vrede met hun tegenstanders, gaven alle terreinwinst tussen de Muur van Antoninus en de Muur van Hadrianus weer op en trokken zich terug achter de laatstgenoemde muur. Mogelijk werd rond deze tijd de verdeling van de provincie Britannia in twee afzonderlijke provincies geformaliseerd. In deze provincies zou het de rest van de derde eeuw overwegend rustig blijven.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of the West, p. 67-69.

Noten

[1] Epitome van Boek 77.11.

[2] Herodianus III.14 (vertaling: M.F.A. Brok / Vincent Hunink).

[3] Herodianus III.14 (vertaling: M.F.A. Brok / Vincent Hunink).

[4] Epitome van Boek 77.12.

[5] Herodianus III.14 (vertaling: M.F.A. Brok / Vincent Hunink).

2 Comments:

  1. Pingback:Caracalla: De Jaren 213-214 – – Corvinus –

  2. Pingback:Valerianus en Gallienus: De Jaren 253-260 – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.