Septimius Severus: Het Jaar 195

Buste van de jonge Caracalla (Museo Nazionale Romano, Rome).

Severus bevond zich nog altijd in Syrië. Hij besloot tijdens de zomermaanden de Eufraat over te steken voor een strafexpeditie in Mesopotamië tegen de bevolking van Osroene en Adiabene. Deze mensen waren in opstand gekomen tegen de troepen die Niger in Nisibis had gestationeerd, een stad die sinds de veldtochten van Lucius Verus een Romeins steunpunt in de regio was. De meeste Romeinse soldaten waren gedood of gevangen genomen. Severus’ expeditie vond plaats onder moeilijke omstandigheden. De zomerhitte was verschrikkelijk en er was een ernstig gebrek aan drinkwater, maar de veldtocht was wel een succes. De keizer heroverde Nisibis en zijn generaals Tiberius Claudius Candidus en Julius Laetus stroopten het platteland af. Severus liet een lid van de ridderstand achter als bevelhebber van de stad, noemde zichzelf Adiabenicus en beweerde dat hij een belangrijke overwinning had geboekt. Daar was niet iedereen het mee eens. Cassius Dio klaagde dat Nisibis de Romeinen erg weinig opleverde en hen grote sommen geld kostte. Volgens hem was de stad “verantwoordelijk voor onze voortdurende oorlogen en hoge uitgaven”.[1] Daar had de geschiedschrijver een punt.

Terug naar het Westen

Severus verwachtte nu problemen met zijn enig overgebleven concurrent voor de troon, Clodius Albinus, de gouverneur van Brittannië die hij in 193 als zijn Caesar had aangesteld. Albinus was het Kanaal overgestoken en bevond zich thans in Gallië. Als Caesar had hij in naam ook het gezag over de Spaanse en Gallische provincies. Severus verdacht Albinus ervan dat hij geheime contacten onderhield met verschillende invloedrijke Romeinse senatoren. Die zouden liever een telg uit een belangrijke adellijke Romeinse familie als de gens Clodia op de troon zien dan een parvenu uit Afrika als Severus. Er dreigde dus weer een burgeroorlog en daarom haastte Severus zich vanuit Mesopotamië terug naar het Westen.

Buste van Clodius Albinus (Capitolijnse Musea, Rome).

Vervolgens nam Severus enkele belangrijke beslissingen. Hij benoemde zijn zeven jaar oude zoon Lucius Septimius Bassianus (de latere keizer Caracalla) tot zijn Caesar. Dit was natuurlijk een klap in het gezicht van Albinus en het volgende teken dat oorlog tussen Severus en Albinus onvermijdelijk was geworden. Herodianus beweert dat Severus ook probeerde zijn tegenstander te laten vermoorden. Hiervoor zette hij een aantal medewerkers van de keizerlijke koeriersdienst in. Die kregen de opdracht Albinus te benaderen en hem te vertellen dat ze geheime boodschappen voor hem hadden. Die zouden ze hem alleen persoonlijk mogen aanbieden. Vervolgens moesten ze hem doden. Herodianus beweert dat ze tevens een deel van het keukenpersoneel moesten omkopen en van vergif voorzien. Dat vergif moest dan in het eten van Albinus terechtkomen. Albinus was echter op zijn hoede voor aanslagen op zijn leven en omringde zichzelf met een sterke lijfwacht. Toen de koeriers arriveerden, werd hun complot onthuld en liet Albinus de koeriers martelen. Ze biechtten hun plannen op en werden vervolgens geëxecuteerd. Het was nu waarschijnlijk november of december en Albinus begon voorbereidingen te treffen voor de oorlog.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of the West, p. 65;
  • Timothy Venning, A Chronology of the Roman Empire, p. 565-566.

Noot

[1] Epitome van Boek 75.3.

Bijgewerkt 29 december 2022.

One Comment:

  1. Pingback:Septimius Severus: De Jaren 208-211 – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.