Het Vijfkeizerjaar: Het Jaar 193

Hoofd van Pertinax (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).

Het jaar begon met Publius Helvius Pertinax op de troon, een senator die de zoon van een vrijgelatene was. Pertinax werd door de Senaat als keizer erkend, en tegelijkertijd verklaarden de senatoren de vermoorde Commodus tot een vijand van de staat. Zowel de Senaat als het volk van Rome haatten hun voormalige hun voormalige keizer hartgrondig, of deden in elk geval alsof. Ze eisten dat zijn lichaam door de straten gesleept zou worden en zou eindigen in de rivier de Tiber. Pertinax weigerde aan die eisen gehoor te geven en gaf in plaats daarvan opdracht om het lichaam te cremeren en de overblijfselen in het Mausoleum van Hadrianus bij te zetten. Later zou Commodus zelfs door Septimius Severus worden vergoddelijkt, mogelijk vanwege de wrok die deze jegens de Senaat koesterde.

Pertinax begon nu aan het besturen van het Rijk. Het volk verwachtte een milde keizer, die Rome en het Romeinse Rijk zou regeren in dezelfde geest als Marcus Aurelius. Het begin van de regering van Pertinax was ook veelbelovend, want hij streefde ernaar zijn bevoegdheden samen met de Senaat uit te oefenen. De financiële situatie van het Rijk was echter zorgelijk. Om de schatkist weer gevuld te krijgen, gaf Pertinax de opdracht om alle bezittingen van Commodus tijdens een veiling te verkopen. Op deze manier kon de nieuwe keizer de praetorianen de 12.000 sestertiën betalen die hij ze had beloofd toen ze hem keizer maakten. De Griekse geschiedschrijver Herodianus beweert dat Pertinax ook landhervormingen lanceerde en allerhande belastingen afschafte voor het gebruik van rivieroevers, kades, stedelijke havens en wegen. Deze maatregelen worden in andere bronnen echter helemaal niet genoemd. Gegeven de nijpende financiële situatie van het Rijk kan men dan ook betwijfelen of de maatregelen wel echt genomen werden.

Niettemin was de nieuwe keizer zeker populair bij zowel de Senaat als de bevolking. Populair bij de praetorianen was hij evenwel niet. Die waren onder Commodus gewend geraakt aan een luxeleventje zonder verplichtingen, waarbij ze de volledige vrijheid hadden om de bevolking te treiteren en te intimideren. De pogingen van Pertinax om de praetorianen weer in het gareel te krijgen, riepen diepe weerzin op. Zelfs de praetoriaanse prefect Quintus Aemilius Laetus begon spijt te krijgen van zijn keuze voor Pertinax, die hij veel te onkreukbaar vond. In de noodlottige nacht van 28 maart rukte een groep van zo’n 200-300 ontevreden praetorianen op naar het keizerlijk paleis op de Palatijn en drong daar binnen. Hoewel de keizer beschikte over een flinke lijfwacht, besloot hij de soldaten persoonlijk tegemoet te treden en te proberen met ze te praten. Zijn dappere poging mislukte echter en de soldaten staken hun keizer dood. Hij had slechts 87 dagen op de troon gezeten. De kamerheer Eclectus, die medeverantwoordelijk was geweest voor het aanbieden van de troon aan Pertinax, werd eveneens gedood. De praetorianen hakten het hoofd van de keizer af en staken dit op een speer. Ze droegen het hoofd triomfantelijk door de stad, maar het volk reageerde boos en was oprecht geschokt over het lot van hun geliefde keizer. Pertinax zou later door de Senaat en het Romeinse volk worden vergoddelijkt, op instigatie van zijn opvolger, Septimius Severus.

Het Rijk bij opbod verkocht

Een sesterius met de beeltenis van Didius Julianus (Classical Numismatic Group, Inc.; CC BY-SA 3.0 license)

Na hun verschrikkelijke daad waren de praetorianen bang voor de woede van het volk. Ze besloten zich terug te trekken naar hun kazerne, de Castra Praetoria, die net buiten de stad lag. Daar vond vervolgens een van de meest beschamende gebeurtenissen in de hele geschiedenis van Rome plaats: vanaf de muren van hun kamp verkondigden de praetorianen aan iedereen die het maar wilde horen dat de Stad en het Rijk te koop stonden en dat het purper zou worden gegund aan de hoogste bieder. De veiling trok de aandacht van een senator genaamd Marcus Didius Julianus, een zeer rijk man. Hij was die nacht naar het Senaatsgebouw gegaan, maar had het gesloten aangetroffen. Twee praetoriaanse tribuni hadden hem meegenomen naar de kazerne, waar Titus Flavius Sulpicianus, de praefectus urbi en schoonvader van Pertinax, de troon al voor zichzelf had opgeëist op grond van zijn persoonlijke relatie met de dode keizer.

Beide mannen werd gevraagd hun bod uit te brengen, Sulpicianus vanuit het kamp en Didius Julianus van daarbuiten. Het bod van de eerstgenoemde van 20.000 sestertiën voor iedere praetoriaanse gardist werd overtroffen door het bod van Julianus van 25.000 sestertiën. Met dit bod verzekerde hij zich van het purper. Didius Julianus werd vervolgens ook erkend door de Senaat, maar van harte ging dit niet: om zeker te zijn van de steun van de Senaat ging de nieuwe keizer het Senaatsgebouw binnen vergezeld van een gewapend escorte. Het Romeinse volk betoonde zich aanmerkelijk dapperder dan de senatoren en weigerde zijn nieuwe keizer te aanvaarden. De mensen slingerden beledigingen naar Julianus, die uiteindelijk zijn soldaten opdracht gaf geweld te gebruiken. Dit leidde tot rellen in de stad, en het volk begon te schreeuwen om Gaius Pescennius Niger, de gouverneur van Syrië. Hij moest hen komen redden.

De Burgeroorlog 193-197 (source: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

Drie concurrenten voor de troon

Buste van Septimius Severus (Capitolijnse Musea Rome)

De positie van Julianus als keizer kwam ernstig in gevaar toen er zich drie concurrenten voor de troon aandienden. Drie van de belangrijkste provinciegouverneurs (legati), die ieder beschikten over in de strijd geharde legioenen en meer dan voldoende hulptroepen, besloten tegen de nieuwe keizer in opstand te komen. Het is moeilijk te reconstrueren wie als eerste rebelleerde en wanneer dat gebeurde. Het duurde echter wel een aantal weken voordat het nieuws over de dood van Pertinax en de troonsbestijging van Didius Julianus de provincies had bereikt. We mogen er daarom redelijkerwijs van uitgaan dat de opstanden eind april of begin mei van dit jaar uitbraken. De legioenen in Pannonia Superior, i.e. de troepen aan de Rijn-Donau-grens, riepen de legaat Lucius Septimius Severus in Carnuntum (in het huidige Oostenrijk) tot keizer uit. Severus’ broer was de gouverneur van Moesië, wat hem een zeker voordeel verschafte. Ongeveer tegelijkertijd werd Gaius Pescennius Niger, de gouverneur van de rijke en belangrijke provincie Syrië (hierboven reeds kort genoemd), door zijn eigen legioenen tot keizer uitgeroepen. De derde troonpretendent was de gouverneur van Brittannië, Decimus Clodius Albinus, die net als Severus uit Afrika afkomstig was.

Van de drie rivalen was Severus de enige die doortastend optrad. Hij bevond zich ook het dichtst bij Rome. Severus verzamelde zijn strijdkrachten, viel Italië binnen en rukte op naar de hoofdstad om Julianus af te zetten. Later zou hij beweren dat hij een droom had gehad die voorspelde dat hij keizer zou worden. De Pannonische troepen van Severus waren geharde veteranen en Severus probeerde hun moreel nog verder op te vijzelen door zijn mannen voor te houden dat hun tegenstanders in Italië zwakkelingen waren en beter presteerden tijdens parades dan op het slagveld. Daar had Severus beslist een punt. Julianus probeerde zijn praetorianen te mobiliseren om voor hem te vechten, maar ze waren slap geworden en hadden geen trek in de strijd. Wanhopig probeerde de keizer de verdedigingswerken van de stad te versterken. In de noordelijke buitenwijken van Rome, die buiten de Muren van Servius Tullius lagen (genoemd naar een legendarische koning; de veel langere Aureliaanse Muren zouden pas decennia later gebouwd worden), liet hij een wal oprichten en poorten bouwen. Hij probeerde zelfs de verdedigingswerken van het paleis te versterken, maar het was allemaal tevergeefs.

Het Senaatsgebouw – de Curia – op het Forum Romanum.

In minder dan een maand rukte Severus met zijn troepen op van Carnuntum naar Rome. Vrijwel zonder tegenstand te ondervinden drong hij Italië binnen en overal openden steden hun poorten voor hem zonder zich te verzetten. Het was duidelijk dat niemand van plan was zijn leven voor Julianus te wagen. De keizer probeerde nog zijn laatste financiële reserves in te zetten om de praetoriaanse gardisten aan zijn kant te krijgen, maar het had geen enkele zin. Zelfs zijn pogingen om de beschikbare olifanten in Rome klaar te maken voor de strijd liepen op een compleet fiasco uit. Uit pure wanhoop liet Julianus Quintus Aemilius Laetus, de praetoriaanse prefect, en Marcia, de minnares van Commodus, terechtstellen. In de tussentijd waren agenten van Severus al in de stad geïnfiltreerd. Julianus riep nu de Senaat bijeen en stelde voor aan Severus aan te bieden medekeizer te worden en de troon te delen. De Senaat stemde hiermee in en de praetoriaanse prefect Tullius Crispinus werd naar Severus gestuurd om hem het aanbod over te brengen. Severus sloeg het aanbod echter af en zette zijn opmars naar de hoofdstad voort. De nerveuze senatoren besloten daarop dat ze hun keizer kwijt moesten zien te raken. Op hun instigatie werden er soldaten naar Julianus gestuurd, die hem op 1 juni vermoordden. Hij had slechts 66 dagen op de troon gezeten.

Severus in Rome

Ten tijde van de moord bevond Severus zich nog ten noorden van Rome. De Senaat stuurde een grote delegatie naar hem toe, die – als we op de Historia Augusta af mogen gaan – uit honderd senatoren bestond en hem moest feliciteren met het verwerven van de troon. Enkele dagen na de dood van Julianus trok Severus met zijn leger de stad binnen. In een van zijn eerste acties rekende hij af met de onbetrouwbare praetorianen. De oude Praetoriaanse Garde werd naar de verzamelplaats geroepen en daar vernederd, ontwapend en ontbonden. De nieuwe keizer stelde vervolgens uit zijn eigen legioensoldaten nieuwe praetoriaanse cohorten samen (voorheen werden praetoriaanse gardisten exclusief geworven onder Romeinse burgers in Italië, Spanje, Macedonië of Noricum). De gardisten die verantwoordelijk waren geweest voor de moord op Pertinax werden terechtgesteld. Severus had zich nu een stevige machtsbasis in Italië verschaft, en van daaruit kon hij het opnemen tegen zijn rivalen, Albinus en Niger. Omdat hij meende dat de laatstgenoemde de gevaarlijkste vijand was, besloot Severus een deal te sluiten met Albinus, de legaat van Brittannië. Die kreeg de titel Caesar. Nu hij in het Westen zijn handen vrij had, kon Severus zich richten op Niger in het Oosten. Voordat hij Rome verliet, wist Severus nog de loyaliteit van het volk voor zich te winnen door toelagen te verstrekken en spelen te organiseren. Ook gaf hij zijn legioenen de gebruikelijke donativa en zorgde hij ervoor dat de voormalige keizer Pertinax een grootse uitvaart op de Campus Martius kreeg. Daarna vertrok Severus voor de strijd tegen Niger.

Kaart met een gedeelte van de oostelijke provincies, met enkele van de belangrijkste steden (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

Zodra Niger had gehoord van Severus’ veldtocht in Italië en zijn plannen om naar het Oosten op te rukken, had hij de passen door het Taurusgebergte afgesloten en geprobeerd troepen te verzamelen uit andere provincies en bij de heersers van Parthië, Armenië en de rijke stad Hatra. Ook slaagde hij erin Byzantium te bezetten, waardoor hij de Bosporus beheerste. De stad beschikte over formidabele verdedigingswerken en was daardoor een bijna onneembaar obstakel. Severus zag in dat een bestorming van de muren tot een nodeloos verlies van soldatenlevens zou leiden. Hij besloot daarom de Hellespont verder naar het zuiden over te steken. In de buurt van Cyzicus in Klein-Azië botste zijn leger met dat van Nigers bondgenoot Asellius Aemilianus, de proconsul van de provincie Asia. Severus behaalde de overwinning en zijn leger rukte verder op naar het oosten. Aemilianus kwam tijdens het gevecht om het leven. Severus stuurde ook een strijdmacht naar Byzantium om de stad te belegeren en door uithongering tot de overgave te dwingen. Het beleg begon waarschijnlijk in het najaar en het zou bijna drie jaar in beslag nemen. Na de overwinning van Severus bij Cyzicus schaarde de stad Nicomedia in Bithynië zich aan zijn kant. De stad Nicaea, traditioneel een rivaal van Nicomedia, koos juist voor Aemilianus. Er werd nogmaals slag geleverd en wederom kwam het leger van Severus, geleid door diens generaal Candidus, als winnaar uit de strijd. Severus vertrouwde echter niet louter op de inzet van militaire middelen: al voordat hij naar het Oosten was vertrokken had hij bijna alle kinderen van de gouverneurs van de oostelijke provincies laten oppakken en hen onder huisarrest gesteld in Rome. Zij waren nu de meest waardevolle gijzelaars van de keizer.

Toen ze hoorden van de overwinningen van Severus kwamen de steden Laodicea en Tyrus in opstand tegen Niger. Die liet beide opstanden met grof geweld neerslaan door zijn Moorse hulptroepen. Ongeveer tezelfdertijd probeerde Severus een doorbraak te forceren in het Taurusgebergte. Het terrein was echter in het voordeel van de troepen van Niger. De eerste aanvallen stuitten op fel verzet en werden dan ook afgeslagen.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of the West, p. 56-59 en p. 64-65.

5 Comments:

  1. Pingback:Septimius Severus: Het Jaar 194 – – Corvinus –

  2. Pingback:Septimius Severus: Het Jaar 195 – – Corvinus –

  3. Pingback:Septimius Severus: Het Jaar 196 – – Corvinus –

  4. Pingback:Septimius Severus: De Jaren 201-203 – – Corvinus –

  5. Pingback:Caracalla: Het Jaar 212 – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.