De Grote Dreiging uit het Noorden: De Jaren 104-103 BCE

Zicht op het Forum Romanum.

Samenvatting

  • Gaius Marius houdt een triomftocht voor zijn overwinning op Koning Jugurtha van Numidië (104 BCE);
  • Marius neemt het bevel op zich over het nieuwe, door Publius Rutilius Rufus gelichte leger en onderwerpt het aan een rigoureus trainingsprogramma (104 BCE);
  • Begin van de Tweede Slavenoorlog op Sicilië (104 BCE);
  • De praetor Publius Licinius Nerva slaagt erin één slavenleger te verslaan, maar zijn generaal Titinius (een veroordeelde crimineel) wordt vervolgens door een tweede slavenleger verslagen (104 BCE);
  • De slaven kiezen Salvius als hun leider (104 BCE);
  • Nerva lijdt een ernstige nederlaag bij Morgantina, maar de rebellen slagen er niet in de stad in te nemen (104 BCE);
  • In de gebieden van Segesta en Lilybaeum breekt een tweede slavenopstand uit (104 BCE);
  • Onder leiding van de Ciliciër Athenion belegeren de slaven Lilybaeum, maar ze lijden zware verliezen als ze door een troepenmacht bestaande uit Mauri worden aangevallen (104 BCE);
  • Salvius maakt van Triokala zijn hoofdstad (104 BCE);
  • De praetor Lucius Licinius Lucullus brengt de slaven een ernstige nederlaag toe, maar weet verder niets te bereiken (103 BCE).

Op 1 januari van het jaar 104 BCE hield Gaius Marius zijn triomftocht voor zijn zege op Koning Jugurtha van Numidië. De oorlog had de Romeinen veel buit opgeleverd: ze hadden beslag gelegd op 3.007 pond goud, 5.775 pond ongemunt zilver en 287.000 zilveren denarii. De koning werd meegevoerd in de triomftocht en na afloop in het Tullianum geëxecuteerd. Plutarchus beweert dat hij eerst nog gemolesteerd werd door andere gevangenen, die zijn kleren afscheurden en de gouden oorbel uit zijn oor rukten. Al met al werd de eens zo machtige Jugurtha onmenselijk behandeld, maar dat kon de Romeinen natuurlijk niets schelen. Ze hadden wel andere zaken om zich druk om te maken. De Germaanse Cimbri en Teutones vormden voorlopig nog geen bedreiging, want die hadden zich opgesplitst en zwierven door respectievelijk Spanje en Noord-Gallië. De Romeinen wisten echter dat de Germanen terug zouden komen en ze vertrouwden erop dat Gaius Marius, de overwinnaar van Numidië en nu voor de tweede keer tot consul gekozen, hen zou verslaan.

De Grote Dreiging uit het Noorden

Replica van een Romeinse gladius (links).

In strijd met het protocol ging Marius de Senaat binnen terwijl hij nog de uitrusting van een triomferende generaal droeg. Dat was zeer ongebruikelijk, en de generaal was zich al snel bewust van zijn faux pas. Hij verliet het Senaatsgebouw – de vergadering werd op de Capitolijn gehouden – en keerde vervolgens terug in de toga praetexta van een consul. Marius besloot zijn Afrikaanse leger te ontbinden en nam het bevel op zich over het nieuwe leger dat was gelicht door Publius Rutilius Rufus, een van de consuls van 105 BCE. De consul besloot het rigoureuze trainingsprogramma van zijn voorganger voort te zetten. De soldaten moesten hun eigen bagage dragen, waardoor ze de bijnaam ‘muilezels van Marius’ kregen. Voor Marius had discipline de hoogste prioriteit, en eens beloonde hij zelfs een soldaat genaamd Trebonius toen die zijn eigen neef doodde, een man die als officier in het leger van zijn oom diende. De neef, ene Gaius Lusius, had zijn macht misbruikt en geprobeerd de soldaat te verleiden. Trebonius had zijn avances herhaaldelijk afgeslagen, en toen de officier had geprobeerd hem te verkrachten, had hij zijn zwaard getrokken en de man gedood. Dat was precies het soort gedrag dat Marius toejuichte.

In de hier besproken jaren werd er niet gevochten met de Cimbri en Teutones. Lucius Cornelius Sulla, een voormalige quaestor die nu als legaat onder Marius diende, slaagde er wel in om Copillus gevangen te nemen, een koning van de Volcae Tectosages, die in de buurt van Tolosa leefden (het huidige Toulouse). Het volk geloofde nog altijd dat alleen Marius de Germaanse stammen kon verslaan en daarom kozen ze hem voor de derde maal tot consul. In 103 BCE diende Sulla onder hem als krijgstribuun. In deze functie zou Sulla de Marsi tot vrienden en bondgenoten hebben gemaakt. Dat is althans wat Plutarchus beweert, maar zijn bewering is nogal raadselachtig. Misschien doelde hij op een Germaanse stam die zich eerst had aangesloten bij de Cimbri en Teutones, maar nu overliep. Het is echter waarschijnlijker dat de geschiedschrijver het had over de Italiaanse Marsi. Zij waren bondgenoten van de Romeinen, maar hun loyaliteit was aan het wankelen gebracht omdat de Romeinen keer op keer weigerden hun het Romeinse burgerrecht toe te kennen. Mogelijk wist Sulla hen over te halen de Romeinse zaak te blijven steunen.[1]

Ook in 103 BCE werd er niet gevochten tegen de Germanen. Op het politieke vlak had Marius inmiddels een verbond gesloten met de demagoog en volkstribuun Lucius Appuleius Saturninus. Mede dankzij de steun van Saturninus werd hij voor de vierde keer tot consul gekozen. Zo rond deze tijd hadden de Cimbri en Teutones hun legers herenigd in het gebied van de Veliocasses in Noordwest-Gallië. Spoedig zouden ze weer Romeins grondgebied bedreigen.

De Tweede Slavenoorlog

In 104 BCE brak er weer een slavenopstand op Sicilië uit, die doorgaans de Tweede Slavenoorlog wordt genoemd. Net als bij de Eerste Slavenoorlog (135-132 BCE) is Diodorus Siculus onze belangrijkste bron voor het conflict. Deze geschiedschrijver was van het eiland zelf afkomstig. Aanvankelijk leek de opstand niet veel voor te stellen. Zo’n dertig slaven in de buurt van Halicyae hadden hun meesters gedood en een zekere Varius als hun leider gekozen. Al snel groeide de groep tot zo’n 200 slaven, die zich verschansten in een fort dat niet gemakkelijk kon worden aangevallen. De praetor Publius Licinius Nerva, die als gouverneur van Sicilië diende, realiseerde zich al snel dat het geen zin had om het fort te bestormen, dus hij huurde een man genaamd Gaius Titinius Gadaeus in. Deze was een veroordeelde crimineel die twee jaar eerder ter dood was veroordeeld. Voordat hij kon worden terechtgesteld was hij echter ontsnapt, waarna hij rovend en moordend over het eiland trok. Echter – en dit was van groot belang –, slaven krenkte hij geen haar. De praetor stuurde hem naar het rebellenfort toe met een eigen troepenmacht van slaven. De slaven van Varius verkeerden in de oprechte veronderstelling dat hij zich bij hen wilde aansluiten en ze lieten Titinius en zijn mannen dan ook binnen. Deze lieten vervolgens de soldaten van de praetor binnen, waarna de opstand snel de kop ingedrukt werd.

Omdat het erop leek dat de vrede hersteld was, besloot Nerva het grootste gedeelte van zijn leger naar huis te sturen. Al snel bleek dit heel dom te zijn geweest, want er brak kort daarna een tweede opstand uit. De opstandige slaven namen posities in op de berg Caprianus nabij de rivier de Alba, maar de praetor durfde hen met de weinige manschappen die hij nog tot zijn beschikking had niet aan te vallen. In plaats daarvan vluchtte hij naar Heraclea en stuurde vervolgens Titinius met een deel van het garnizoen van Enna op de rebellen af. De rebellen hakten dit legertje echter in de pan en maakten veel wapens en uitrustingen buit. Diodorus beweert dat hun aantallen al snel groeiden tot meer dan 6.000 slaven. Zij hielden een volksvergadering en kozen een zekere Salvius tot hun leider. Hij bleek zeer getalenteerd te zijn. Salvius splitste het slavenleger in drieën en stuurde de colonnes naar alle hoeken van het eiland om te plunderen. Al snel beschikten de slaven over een leger van 20.000 infanteristen en 2.000 ruiters, al geeft Diodorus toe dat veel van deze manschappen nauwelijks oorlogservaring hadden.

Legioensoldaten uit de tijd van de Republiek, late 2e eeuw BCE (foto: Jastrow).

Salvius besloot nu op te rukken naar Morgantina, de stad waar Eunus (die tijdens de Eerste Slavenoorlog de slaven had aangevoerd) in de gevangenis was gestorven. De stad werd belegerd, maar het was altijd moeilijk om een versterkte positie in te nemen, waarbij in dit geval ook nog gold dat het slavenleger voornamelijk uit amateurs bestond. Plotseling verscheen de praetor op het toneel met een leger van rond de 10.000 soldaten en hij wist de slaven te verrassen. Hun kamp werd bestormd, ingenomen en geplunderd. De praetor verkeerde toen in de waan dat hij al gewonnen had en werd vervolgens zelf verrast en verdreven. 600 Romeinen en bondgenoten sneuvelden en zo’n 4.000 van hen werden gevangen genomen. Ondanks hun zege slaagden de rebellen er niet in Morgantina in nemen. De stad werd gewoon te goed verdedigd, en ironisch genoeg waren veel van de verdedigers zelf slaven.

Later dit jaar brak er in de gebieden van Segesta en Lilybaeum een nieuwe opstand uit. Hier werden de opstandige slaven geleid door de Ciliciër Athenion. Toen zo’n 10.000 man zich bij hem aangesloten hadden, viel hij Lilybaeum aan en begon de stad te belegeren. Dat was een dwaasheid, want tijdens de Eerste Punische Oorlog waren zelfs de Romeinen er niet in geslaagd deze grote stad te veroveren. In 250 BCE hadden ze hier een nederlaag geleden, en de stad was pas in Romeinse handen gekomen nadat de Carthagers heel Sicilië hadden ontruimd. Athenion realiseerde zich al snel dat het niets ging worden met het beleg. Hij vertelde zijn volgelingen dat hij instructies van de goden had gehad: de rebellen moesten het beleg opheffen, anders zouden de goden hen straffen. Plotseling landden er toen troepen van de Mauri bij Lilybaeum om de burgers van de stad te helpen. Mogelijk waren deze gestuurd door Koning Bocchus van Mauretanië. De Mauri stortten zich op de slaven en brachten hun een zware nederlaag toe. Gek genoeg kreeg Athenion hierdoor alleen maar een sterkere reputatie. Hij had immers deze ‘straf van de goden’ correct voorspeld.

Priesters en een lictor (Ara Pacis, Rome).

Ondertussen was Salvius opgerukt naar het gebied van Leontinoi. Daar vereerden de Sicilianen vanouds de Palici, twee inheemse goden. Nadat hij een offer had gebracht, werd Salvius tot koning uitgeroepen en kreeg hij de bijnaam Tryphon. Vervolgens trok hij naar een plaats die bekendstond als Triokala, waarvan hij zijn hoofdstad maakte. De exacte locatie van dit Triokala is onbekend, maar mogelijk lag de plaats net ten noorden van Heraclea. Door haar ligging was de plaats al bijna onneembaar, en Salvius liet haar nog versterken met een wal en gracht. Daarna riep hij Athenion op zich bij hem aan te sluiten, waarop de twee leiders hun legers samenvoegden. Later liet Salvius Athenion echter arresteren omdat hij meende dat de man een complot tegen hem smeedde. Uit het relaas van Diodorus mogen we afleiden dat de rebellenleider zich als een Romeinse magistraat gedroeg. Hij droeg de toga praetexta, liet zich vergezellen door lictoren met bijlen en roedenbundels en stelde een soort Senaat in als permanent adviescollege.

In 103 BCE sloegen de Romeinen terug. De praetor Lucius Licinius Lucullus arriveerde toen op het eiland met een leger bestaande uit zo’n 14.000 Romeinse en Italiaanse soldaten, plus enkele duizenden hulptroepen uit het Griekse oosten. Salvius besloot daarop Athenion vrij te laten en samen overlegden de twee leiders over hun opties. Salvius wilde in Triokala blijven en de Romeinen daarheen lokken, maar Athenion was voorstander van een gewaagdere strategie: hij wilde de Romeinen in een geregelde veldslag verslaan. Athenion kreeg uiteindelijk zijn zin, en in de buurt van Skirthaia botsten de twee legers op elkaar. Hoewel de Romeinen waarschijnlijk in de minderheid waren, boekten ze een klinkende zege. Ze joegen de rebellen terug naar Triokala en doodden velen van hen op de weg daarnaartoe. Meer wist de praetor Lucullus echter niet te bereiken. Geld lijkt hem meer geïnteresseerd te hebben dan deze oorlog, en later werd hij wegens verduistering veroordeeld.

Bronnen

Primaire bronnen

Noot

[1] In 91 BCE zouden ze toch in opstand komen en daarmee de zogenaamde Bondgenotenoorlog inluiden. Een van de kundigste aanvoerders in dat conflict was een generaal van de Marsi genaamd Quintus Poppaedius Silo.

One Comment:

  1. Pingback:De Grote Dreiging uit het Noorden: Het Jaar 101 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.