Marche: Sant’Angelo in Vado en Urbania

Beeld van een truffelhond, Sant’Angelo in Vado.

Het charmante stadje Sant’Angelo in Vado stond in de Oudheid bekend als Tifernum Mataurense. Het laatste deel van de naam verwees naar de ligging aan de rivier de Metaurus (thans de Metauro). Tifernum Mataurense werd al in de vroege eerste eeuw BCE een municipium, een met Rome verbonden stad. Tijdens de regering van keizer Augustus (27 BCE-14 CE) werd het ingedeeld bij Regio VI Umbria et Ager Gallicus. De burgers van het stadje waren Romeinse burgers, behorend tot de tribus Crustumina. Tifernum Mataurense werd verwoest tijdens de Gotische Oorlog (535-554) en later weer opgebouwd door de Longobarden, die in 568 Italië waren binnengevallen. Zij vernoemden het nieuwe stadje naar de aartsengel Michael, een van hun favoriete heiligen. Het woord vado is afgeleid van het Italiaanse guado, wat verwijst naar een plaats waar de rivier – in dit geval de Metauro – doorwaad kan worden. Hiermee is de naam Sant’Angelo in Vado verklaard.

De voornaamste attractie van het stadje is een Romeins huis (domus) met schitterende vloermozaïeken. Het staat bekend als het Domus del Mito, het ‘Huis van de Mythe’. Dit vanwege de mythologische voorstellingen op veel van de mozaïeken. Het huis werd gebouwd in de eerste eeuw van onze jaartelling. Het werd in de derde eeuw verlaten, maar in de vierde en vijfde eeuw weer in gebruik genomen, ditmaal als huis met werkplaats. Het huis had een oppervlakte van zo’n 1.000 vierkante meter en bestond uit 27 kamers. Het was, zoals gebruikelijk bij Romeins huizen, sterk naar binnen gericht. Dat wil zeggen dat het aan de buitenkant nauwelijks ramen had, maar aan de binnenkant open was rondom het atrium en het peristilium (de binnentuin). Het Domus del Mito werd in de periode 2003-2005 opgegraven en na restauratie van de mozaïeken en muren opengesteld voor het publiek. Op de borden ter plekke wordt gesproken van “the most conspicuous archaeological find in the past 50 years”. Wellicht wat overdreven, maar het huis is absoluut schitterend.

Bezoekers van het Domus del Mito betreden eerst het atrium, waar een mozaïekvloer ligt met een voorstelling van de zeegod Neptunus en zijn gemalin Amphitrite. De wagen van Neptunus wordt getrokken door hippocampi, oftewel zeepaarden, kruisingen tussen paarden en vissen. Rondom de wagen dartelen drie dolfijnen. De volgende ruimte is het tablinum, de ontvangstruimte van het huis. Hier ligt een mozaïek met Bacchus, de god van de wijn. Via de binnentuin konden bewoners en bezoekers in het triclinium komen, de eetzaal. Hier ligt verreweg het mooiste mozaïek van het hele huis. Bovenin zien we de hondengeleider (magister canum) die zijn twee honden achter een hert (links) en een zwijn (rechts) aanstuurt. Het emblema in het midden van de vloer is versierd met verschillende zeedieren, die ongetwijfeld regelmatig op het menu hebben gestaan. Het detailniveau is indrukwekkend. Een aal valt een inktvis aan die op zijn beurt een kreeft te lijf gaat. De kreeft pakt vervolgens weer de aal. Rock-paper-scissors in de Oudheid. Ook de andere zeedieren zijn geïdentificeerd: het zijn harders en mosselen. Rondom het emblema zien we afbeeldingen van vogels, mythologische wezens en geometrische patronen, waaronder de bekende Salomonsknoop.

Atrium.

Triclinium.

Embleem in het triclinium.

Ook de andere kamers in het huis zijn bijzonder interessant. We vinden er bijvoorbeeld nog een slaapkamer (cubiculum), een keuken en twee ruimtes die – zo wordt aangenomen – specifiek door mannelijke en vrouwelijke bewoners en gasten gebruikt werden, respectievelijk het androecium en gynoecium genoemd. Hoewel de mozaïekvloeren al een aardige indicatie zijn van de rijkdom van de eigenaar van het huis, geldt dat nog meer voor het feit dat hij over een privé badkamer beschikte. Dat was in de Romeinse samenleving uitzonderlijk. De meeste Romeinen gingen voor een bad (en de bijbehorende sociale interactie) naar een openbaar badhuis. Het Domus del Mito beschikte echter over een eigen warmwaterbad (caldarium), voorafgegaan door een kleedruimte (apodyterium) en gevolgd door een massageruimte. Het vloermozaïek in deze laatste ruimte heeft een patroon dat sterk doet denken aan het labyrint van koning Minos uit de Grieks-Romeinse mythologie.

‘Androecium’.

‘Gynoecium’.

Massageruimte.

We waren specifiek naar Sant’Angelo in Vado gereden om het Romeinse huis met zijn mozaïeken te bekijken. Er is echter nog veel meer te zien in het stadje, al moet de bezoeker er wel rekening mee houden dat in augustus (de Italiaanse vakantiemaand) lang niet alle kerken en musea open zullen zijn. In ons geval was van de kerken eigenlijk alleen de Duomo of co-kathedraal van San Michele Arcangelo geopend. Er is sprake van een co-kathedraal omdat deze het samengestelde aartsbisdom van Urbino-Urbania-Sant’Angelo in Vado bedient. De geschiedenis van de Duomo gaat terug tot de Longobardische tijd. Het gebouw was toen aanzienlijk kleiner. Toen Paus Urbanus VIII (1623-1644) Sant’Angelo in Vado een eigen bisschop schonk, vond er een eerste uitbreiding plaats. Zijn definitieve vorm kreeg de Duomo vervolgens in de achttiende eeuw. Het gebouw werd in 1770 gewijd. In die tijd zat Paus Clemens XIV (1769-1774) op de troon van Petrus. Zijn vader was afkomstig uit Sant’Angelo in Vado, wat de reden zal zijn dat we het wapen van Clemens op de verder niet erg interessante gevel tegenkomen. Deze paus kreeg verder een standbeeld op de Piazza Umberto I, net om de hoek van de Duomo.

Het belangrijkste voorwerp in de co-kathedraal is een icoon van een Madonna met Kind van een onbekende schilder uit de vijftiende eeuw. Voor deze Madonna del Pianto – Madonna van de Tranen – werd in de negentiende eeuw een aparte kapel gebouwd nadat zij een cholera-epidemie zou hebben bedwongen. De kapel is enorm en het icoon ongetwijfeld van grote religieuze waarde, maar artistiek stelt het weinig voor. Als makers van het icoon worden afwisselend Gentile da Fabriano (ca. 1370-1427), Antonio Alberti en Zanino di Pietro genoemd. Eerstgenoemde is natuurlijk tamelijk bekend, maar voor een werk van Gentile is het echt van onvoldoende kwaliteit. Antonio Alberti was afkomstig uit Ferrara en Zanino di Pietro was een Frans-Venetiaanse schilder die eigenlijk Giovanni Charlier heette. Waarschijnlijk zijn ze geen van drieën verantwoordelijk voor deze Madonna met Kind, die hooguit in hun stijl werd geschilderd.

Helaas troffen we de kerk van Santa Caterina gesloten aan, waardoor we het daar aanwezige stucwerk van Tommaso Amantini (1625-1675) uit Urbania moesten missen. Ook de deuren van de kerk van San Filippo Neri, even verderop aan de al genoemde Piazza Umberto I, bleken gesloten te zijn. Deze kerk beroemt zich op het bezit van een houten beeld van de Maagd Maria van de hand van de beroemde beeldhouwer Lorenzo Ghiberti (1378-1452). De kerk van Santa Maria extra muros of Santa Maria dei Servi uit 1331 staat aan de andere kant van de rivier. De brug over de Metauro leverde prachtige plaatjes op, maar de kerk was helaas gesloten. Overigens is het gebouw eigenlijk geen kerk meer, maar een museum met onder meer werken van Federico (1539-1609) en Taddeo (1529-1566) Zuccari, twee schilderende broers die uit Sant’Angelo in Vado afkomstig waren. Het museum heeft verder een verguld bronzen reliëf van Ghiberti en – volgens mijn reisgids – een zeldzame Romeinse buste van een man met een snor. Dit moesten we allemaal aan ons voorbij laten gaan, maar op de rotonde voor de kerk zagen wel een ander beeld, van een truffelhond (zie de eerste afbeelding in deze bijdrage). Sant’Angelo in Vado is beroemd om zijn witte truffels. Volgens mijn reisgids zijn 900 van de 4.000 inwoners cavatori, truffeljagers.[1]

De Metauro en de voormalige kerk van Santa Maria dei Servi.

De Metauro in Sant’Angelo in Vado.

Hoewel er regen in de lucht hing, besloten we ook nog het nabijgelegen Urbania te bezoeken, een ritje van niet meer dan 15 minuten naar het oosten. Urbania heette eigenlijk Casteldurante. Het was de plaats waar Francesco Maria II della Rovere (1549-1631), de laatste hertog van Urbino, zijn eveneens laatste adem uitblies. Enkele jaren later, in 1636, werd het stadje hernoemd tot Urbania ter ere van de al genoemde Paus Urbanus VIII. Onze eerste bestemming in Urbania was het vijftiende-eeuw Oratorio del Carmine. De muren van het oratorium zijn beschilderd met matige fresco’s van de lokale schilder Giorgio Picchi (ca. 1555-1605) en het altaarstuk is een fresco van een tronende Madonna met Kind die volgens mijn reisgids wordt toegeschreven aan Giotto (ca. 1266-1337). Nu heb ik aardig wat werk van Giotto gezien en dit is beslist géén Giotto. Een andere bron schrijft het fresco toe aan Giuliano da Rimini. Met de kwalificatie ‘stijl van’ kan ik zeker leven. Vermoedelijk is er aardig wat van het fresco overgeschilderd.

De hemel was nu dusdanig donker geworden dat het elk moment kon gaan regenen. We liepen snel over de Piazza San Cristoforo, waar op een hoge zuil de beschermheilige van het stadje staat, de heilige Christoffel. Deze heilige zou ooit de jonge Christus op zijn schouders hebben genomen en hem een rivier hebben overgedragen, een verhaal dat overigens helemaal niet in de Bijbel voorkomt. Op zijn zuil in Urbania is hij afgebeeld met een staf in de linkerhand en Christus op zijn rechterschouder. Natuurlijk is ook de Duomo of co-kathedraal van San Cristoforo Martire aan Sint Christoffel gewijd. De geschiedenis van de Duomo zou teruggaan tot de zesde of wellicht eerder de achtste eeuw. Ooit zou op deze plek een heidense tempel hebben gestaan gewijd aan Hercules. Deze werd afgebroken en vervangen door een kerk gewijd aan de christelijke tegenhanger van Hercules, i.e. Sint Christoffel. De oude kerk werd in 1467 herbouwd in Renaissancestijl, maar dateert tegenwoordig grotendeels van de achttiende en negentiende eeuw. In 1759 werden de drie beuken van de Duomo vervangen door één enkel schip, wat een grote open ruimte opleverde. De gevel van het gebouw dateert van 1870. De enige versieringen die we erop aantreffen zijn beelden van twee lokale vrouwelijke heiligen, Veronica Giuliani (1660-1727) en Margherita della Metola (ca. 1287–1320).

Piazza San Cristoforo.

Het belangrijkste kunstwerk in de Duomo is een crucifix uit ca. 1320 van Pietro da Rimini (geen familie van Giuliano da Rimini) of in elk geval de school van Rimini. Het schitterende werk komt oorspronkelijk uit een andere kerk in Urbania en hangt sinds 1974 in de co-kathedraal. De schilderijen in de verschillende kapellen zijn van middelmatige kwaliteit en hoeven hier ook niet besproken te worden. Wel het vermelden waard is het simpele grafmonument van Augusto Chigi, de in 1651 gestorven broer van Paus Alexander VII (1655-1667). Onder het hoogaltaar bevindt zich ten slotte, in een reliekhouder gemaakt door Antonio del Pollaiuolo (1431-1498), een schouderbeen van Sint Christoffel. Dit gedeelte van zijn lichaam zou met Christus in aanraking zijn gekomen.

Inmiddels kwam de regen met bakken uit de hemel. Gelukkig werden we dicht bij de Duomo gastvrij ontvangen bij restaurant El Pignatin, waar we prima lunchten. Terwijl het nog steeds regende, reden we nog even langs de kerk van het Santissimo Crocifisso. Deze is gesticht door de al genoemde Francesco Maria II della Rovere, die er ook begraven ligt. Zijn grafmonument kregen we helaas echter niet te zien. We rammelden even aan de deuren, maar die bleken op slot te zitten.

Veel informatie voor deze bijdrage kwam uit de Bradt travel guide Umbria & the Marche (2021), p. 276-278. Aanvullende informatie kwam van de informatieborden in de besproken kerken en andere attracties.

Noot

[1] Bradt travel guide Umbria & the Marche (2021), p. 277.

3 Comments:

  1. Pingback:Marche: Sant’Angelo in Vado and Urbania – – Corvinus –

  2. Pingback:Urbino: De Duomo – – Corvinus –

  3. Pingback:Urbino: Palazzo Ducale en Galleria Nazionale delle Marche (deel 2) – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.