Het was druk op de weg naar Loreto, een klein stadje zo’n 20 kilometer ten zuiden van Ancona. Hier staat de Basiliek van het Heilige Huis van Maria, een belangrijk bedevaartsoord. De infrastructuur van het stadje is duidelijk nog toegesneden op de tijd dat pelgrims te voet en met paard en wagen aankwamen. Het verkeer was dusdanig druk dat politieagenten aanwijzingen moesten geven. De kleinere parkeerterreinen rondom de basiliek waren bomvol en ook op het grote parkeerterrein ten westen ervan leken we naast een plekje te grijpen. Dat parkeerterrein is weliswaar groot, maar de vakken lijken te zijn gemaakt voor auto’s uit de jaren tachtig. In een tijd dat veel bezoekers in SUV’s en stationwagens rijden, is dat niet zo handig. Gelukkig vonden we uiteindelijk nog een lege parkeerplaats onder de rotsen, waar we na 36 keer steken precies in bleken te passen. We waren gearriveerd en konden beginnen aan de klim naar het heiligdom, dat zich op de Piazza della Madonna in volle glorie aan ons toonde.
Legende
In mei 1291 waren de Kruisvaardersstaten in het Heilige Land nagenoeg verdwenen, maar de belangrijke stad Akko was nog in Latijnse handen. Akko werd echter belegerd door de Mammelukken en kon ieder moment in islamitische handen vallen. De val van de stad zou ongetwijfeld leiden tot bloedvergieten, de omvorming van kerken tot moskeeën en de vernietiging van belangrijke relikwieën. Tot die relikwieën behoorde een huis dat volgens de overlevering in Nazareth had gestaan. Dit was het huis waar Maria had gewoond en waar ze de Annunciatie had ontvangen. Het was bovendien het huis waar Jezus in zijn jonge jaren met zijn ouders en broers en zussen had gewoond. Waar het huis precies zou hebben gestaan, is omstreden. Twee plekken in Nazareth worden aangewezen, en op de ene staat tegenwoordig een katholieke kerk en op de andere een orthodoxe. Het is ook niet duidelijk waar het huis in 1291 stond, toen Nazareth allang in handen van de Mammelukken was.[1] Bevond het zich nog op zijn oorspronkelijk plek of was het uit elkaar gehaald en naar Akko overgebracht? Hoe dit alles ook zij, volgens de overlevering brachten engelen het op 10 mei 1291 door de lucht naar Istrië in het huidige Kroatië, dat toen onder Venetiaans gezag stond. Om nogal onduidelijke redenen brachten ze het later naar Italië over, waar het op 10 december 1294 in Loreto zou zijn gearriveerd en op de top van een heuvel werd neergezet.
Het verhaal bevat veel elementen die als vrome verzinsels zijn te beschouwen, maar het is te gemakkelijk om het in z’n geheel van de hand te wijzen. Het Heilige Huis bestaat uit drie muren die gebouwd zijn van bakstenen die best uit de tijd van Jezus kunnen dateren. Ze zijn zeker niet in Italië gemaakt en sluiten goed aan bij bouwwerken uit de omgeving van Nazareth. Verder zijn er op de bakstenen vroegchristelijke inscripties aangetroffen. Volgens een alternatieve theorie werd het huis niet door engelen, maar door leden van de Griekse familie Angelos – wat ook ‘engel’ betekent – naar Italië vervoerd. Enkele leden van deze familie schopten het tot keizer van het Byzantijnse Rijk terwijl een andere lijn heerste over Epirus. Nikeforos I, despoot van Epirus, liet zijn dochter trouwen met Filips van Taranto, een zoon van Koning Karel II van Napels (1285-1309). Het Heilige Huis zou als huwelijksgeschenk zijn meegegeven en over zee naar Italië zijn vervoerd. Het is een aantrekkelijke versie van het verhaal, die echter niet verklaart waarom en hoe het huis in Loreto terecht is gekomen. Loreto maakte geen onderdeel uit van het koninkrijk Napels, het behoorde tot de Pauselijke Staat. Een zo belangrijk relikwie zou – zo zou men toch verwachten – in Napels zelf zijn gebleven. Een ander minder sterk punt van deze versie is dat de heersers van Epirus zich doorgaans geen Angelos noemden, maar liever de naam Komnenos Doukas gebruikten.
Geschiedenis
Hoewel de geschiedenis van het Heilige Huis bepaald schimmig te noemen is, staat wel vast dat het tegen de vijftiende eeuw veel pelgrims aantrok. Dusdanig veel mensen kwamen naar het huis van Maria dat in 1468 de constructie van een grote basiliek begon die over het Heilige Huis heen werd gebouwd, zoals dat ook in Assisi zou gebeuren met de kapel van Santa Maria degli Angeli van Franciscus. Initiatiefnemer van de nieuwe basiliek was Nicolò dall’Aste, de bisschop van het nabijgelegen Recanati. De oorspronkelijke architect van het project was waarschijnlijk Marino di Marco Cedrino uit Venetië. Veel bekender is een van diens opvolgers, Baccio Pontelli (ca. 1450-1492). Pontelli was niet alleen architect, maar ook vestingbouwer. Onder meer de apsis van de basiliek is van zijn hand, en die heeft inderdaad veel weg van een fort (zie de afbeelding hierboven). Men moet bedenken dat de Basiliek van het Heilige Huis van Maria tamelijk dicht bij de Adriatische Zee staat en dus in theorie kwetsbaar was voor aanvallen van bijvoorbeeld de Ottomaanse Turken. Die hadden in 1480-1481 al de stad Otranto in Zuid-Italië bezet en daar meer dan 800 burgers afgeslacht. De Basiliek van het Heilige Huis zou zo gebouwd worden dat het complex verdedigd kon worden.
Naast Baccio Pontelli waren nog veel meer bekende architecten bij het langdurige project betrokken. De koepel van de basiliek is bijvoorbeeld een werk van Giuliano da Maiano (1432-1490) en Giuliano da Sangallo (ca. 1445-1516), terwijl het apostolisch paleis, de loggia van het plein en de twaalf zijkapellen van de kerk begin zestiende eeuw werden gebouwd door Donato Bramante (1444-1514). Bramante had ook de opdracht gekregen de gevel van de basiliek te bouwen, maar deze werd pas in de periode 1571-1587 gerealiseerd door achtereenvolgens Giovanni Boccalini (ca. 1520-1580), Giovanni Battista Ghioldi en Lattanzio Ventura. Op de gevel, een voorbeeld van vroege Barok en gemaakt van witte steen uit Istrië, lezen we een stukje geschiedenis van de kerk. De tekst op de onderste kroonlijst luidt:
SVB GREGORIO XIII PONT OPT MAX ET PHILIPPO CARD VASTAVILL PROTECTORE AN MD LXXXIII
De tekst noemt het jaartal 1573 en verwijst naar Paus Gregorius XIII (1572-1585) en diens neef Filippo Guastavillani (1541-1587), kardinaal-beschermheer van de basiliek. De tekst op de bovenste kroonlijst noemt het jaartal 1587, het jaar van voltooiing van de gevel, alsook de naam van Paus Sixtus V (1585-1590), de opvolger van Gregorius. Voor Sixtus werd voor de basiliek een standbeeld opgericht, een coproductie van Antonio Calcagni (1536-1593) en diens voormalige leerling Tiburzio Vergelli (1551-1609). De prachtige fontein op de Piazza della Madonna is een werk van Carlo Maderno (1556-1629), gemaakt in de periode 1604-1614. Ten slotte mag hier de klokkentoren van de basiliek niet onvermeld blijven. Deze bereikt een hoogte van ruim 75 meter en werd tussen 1750 en 1754 gebouwd door Luigi Vanvitelli (1700-1773), de zoon van de Nederlandse kunstschilder Caspar van Wittel (1653-1736; de naam ‘Van Wittel’ werd ‘Vanvitelli’ in het Italiaans).
Interieur
Hoewel het formeel verboden is te fotograferen in de basiliek, houdt vrijwel niemand zich daaraan. De meeste bezoekers maken foto’s met hun smartphone, terwijl een enkeling onbeschaamd met een geavanceerde camera rondloopt. Handhaving ontbreekt en is waarschijnlijk ook onmogelijk. De meeste kunstwerken in de basiliek dateren van de negentiende en twintigste eeuw. Dat heeft een nogal betreurenswaardige reden. In 1797 vielen Franse troepen de Pauselijke staat binnen. Bij hun inval werd ook de Basiliek van het Heilige Huis van Maria geplunderd. Gestolen kunstwerken verdwenen naar het Louvre en andere Franse instituten, een vorm van diefstal die werd gelegaliseerd door het in februari 1797 gesloten verdrag van Tolentino. Veel werken keerden nooit naar hun oorspronkelijke locatie terug. Eigenlijk werd de gehele basiliek opnieuw ingericht bij een grote restauratie die aan het einde van de negentiende eeuw werd uitgevoerd onder leiding van de architect Giuseppe Sacconi (1854-1905). Katholieken uit de hele wereld betaalden mee aan de decoratie van de zijkapellen, en daarom vinden we thans in het gebouw bijvoorbeeld Franse, Amerikaanse, Slavische (i.e. Kroatische) en Poolse kapellen.
Op de gewelven van het middenschip schilderde Luca Signorelli (ca. 1450-1523) een reeks monochrome medaillons met daarin profeten en andere Bijbelse personages. De binnenzijde van de koepel werd tussen 1610 en 1615 met fresco’s beschilderd door Cristoforo Roncalli (ca. 1553-1626), bijgenaamd Pomarancio. Zijn fresco’s gingen echter grotendeels verloren en werden vervangen door werk van Cesare Maccari (1840-1919). De basiliek heeft vier sacristieën, die zijn gewijd aan de vier evangelisten. In de sacristie van de heilige Marcus (San Marco) was in de jaren 1477-1479 de schilder Melozzo da Forlì (ca. 1438-1494) actief, wiens plafondfresco’s van engelen en profeten werkelijk schitterend zijn. In heldere kleuren schilderde Melozzo de profeten Jeremia, David, Amos, Zacharias, Abdias (Obadja), Ezechiël, Baruch en Jesaja. Ook de andere fresco’s in deze sacristie, met onder meer de Intocht van Christus in Jeruzalem, zijn zeer de moeite waard. Tot de roerende werken die de Fransen niet meenamen behoort in elk geval een doek van Lorenzo Lotto (1480-1556 of 1557) met daarop Sint Christoffel geflankeerd door Sint Rochus en Sint Sebastiaan.
Het Heilige Huis
In het Heilige Huis, dat aan de noordkant betreden kan worden, mag uiteraard ook niet gefotografeerd worden. Een toezichthouder bij de ingang herinnert bezoekers nog eens aan het verbod. In het huis zelf houden de meeste bezoekers zich braaf aan de regels, maar een enkeling kan het niet laten ook hier een selfie te maken. Het huis bestaat als gezegd uit drie muren; de vierde muur zou de achterwand van de zogenaamde Grot van de Annunciatie zijn geweest. Hier staat nu de zwaar vereerde Madonna van Loreto. Het oorspronkelijke beeld van de Madonna dateerde mogelijk uit de vijftiende eeuw. Het werd gestolen door de Fransen, maar in 1801 weer teruggeven. Helaas is het originele beeld bij een grote brand in 1921 verloren gegaan. Vrijwel onmiddellijk werd het beeld vervangen door een kopie van Libanees cederhout, afkomstig van een boom uit de Vaticaanse tuinen. De kopie werd al in 1922 in het Heilige Huis geplaatst.
De drie muren van het huis zijn niet erg hoog. Aan de bovenzijde zijn ze aangevuld met lokale bakstenen. Op deze delen, die dus zeker niet uit Nazareth afkomstig zijn, werden in de dertiende en veertiende eeuw enkele fresco’s van middelmatige kwaliteit geschilderd, die deels de brand van 1921 hebben overleefd. Tegenover de Madonna van Loreto hangt verder een crucifix uit de dertiende eeuw. Wie een goed idee wil krijgen van de binnenkant van het Heilige Huis moet vooral het Museo Pontificio della Santa Casa (zie hieronder) bezoeken. Daar staat een schaalmodel van het huis van de kunstenaar Edgardo Mugnoz (1929-2024). Mugnoz, geboren in Recanati, werkte in 2011-2012 vijftien maanden aan het model, dat echt bijzonder gedetailleerd is (foto’s hieronder).
In de zestiende eeuw werd het Heilige Huis aan de buitenzijde geheel in marmer gehuld. Het werd gedecoreerd met beelden van profeten en sibillen, en met reliëfs met verhalen uit het leven van Maria en over de wonderbaarlijke komst van het huis naar Loreto. Boven op het marmeren omhulsel werd een balustrade geplaatst. Natuurlijk is dit hele project, waar vele decennia overheen gingen, niet het werk van één man. De opdracht voor de bouw van het omhulsel werd in 1508 aan Bramante verstrekt terwijl in 1511 Giovanni Cristoforo Romano (1456-1512) met de uitvoering werd belast. Beiden stierven echter al spoedig. Vervolgens werd er in twee verschillende periodes aan het Heilige Huis gewerkt. Tussen 1513 en 1526 berustte de leiding bij Andrea Sansovino (ca. 1467-1529) en tussen 1531-1536 bij Antonio da Sangallo de Jongere (1484-1546), een neef van Giuliano da Sangallo. Beide mannen maakten gebruik van een groot team van talentvolle assistenten. Ook na 1536 werd er nog volop door diverse kunstenaars aan het Heilige Huis gewerkt, onder meer aan de beelden van de profeten en sibillen.
Museum
Het Museo Pontificio della Santa Casa is gevestigd in een vleugel van het apostolisch paleis van Loreto. Vanaf de eerste verdieping van de loggia heeft men een prachtig uitzicht over de Piazza della Madonna en over het landschap rondom Loreto. Het museum is niet groot, maar zeker een bezoekje waard. In een van de eerste zalen vindt men bijvoorbeeld de bewaard gebleven fresco’s van Pomarancio voor de koepel van de basiliek. We zien hier de evangelisten Marcus, Lucas en Johannes, alsmede de engel van Mattheus en een vrouwfiguur die Geloof voorstelt. In een van de volgende zalen staat het schaalmodel van Mugnoz, omringd door schilderijen waarvan een paneelschildering van Angiolillo Arcuccio (gestorven ca. 1492) mijn aandacht trok. Hierop is ook de wonderbaarlijke overkomst van het Huis van Maria afgebeeld. Maria en het Christuskind staan onder een met sterren versierd gewelf op een vloer, te midden van vier zuilen die worden vastgehouden door engelen. Aldus wordt het transport van het huis gesymboliseerd.
De interessantste zaal is die gewijd aan werken van de al genoemde Lorenzo Lotto. Lotto was geboren in Venetië, maar werkte ook verschillende perioden van zijn leven in de Marche (zie deze eerdere bijdrage). Nadat hij rond 1533-1535 al zijn hierboven genoemde Sint Christoffel met Sint Rochus en Sint Sebastiaan voor de Basiliek van het Heilige Huis van Maria had geschilderd, vestigde hij zich in 1552 definitief in Loreto. De schilder was al ruim in de zeventig en besloot oblaat van het Heilige Huis te worden. Eenmaal gevestigd in Loreto schilderde de oude Lotto in 1555-1556 nog twee werken, de Aanbidding der Wijzen en de Presentatie in de Tempel. De schilder plaatste de twee werken samen met vijf reeds eerder geschilderde werken in wat nu de Spaanse kapel van de basiliek is. In het museum zijn de zeven werken eveneens bij elkaar gebracht. De Aanbidding der Wijzen en de Presentatie in de Tempel hangen aan weerszijden van Christus en de overspelige vrouw uit ca. 1548-1550. Lotto overleed in Loreto in volstrekte anonimiteit, waardoor het onduidelijk is of hij in 1556 of 1557 stierf.
Poolse oorlogsbegraafplaats
Het loont de moeite om even om de basiliek heen te wandelen om de imposante apsis van Baccio Pontelli te bekijken. Een trap leidt hier de heuvel af richting een Poolse oorlogsbegraafplaats, het Cimitero Militare Polacco di Loreto. Hier liggen ruim duizend officieren en soldaten begraven van het Poolse 2e Korps, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in Italië vocht. Het Korps bestond uit enkele tienduizenden Poolse manschappen en stond onder leiding van generaal Władysław Anders (1892-1970). Zijn beroemdste gevechten leverde het Korps bij de abdij van Monte Cassino, die de Polen in mei 1944 wisten te veroveren. Daarmee sloegen ze een gat in de Duitse Gustav-linie en konden de geallieerden doorstoten naar Rome, dat in juni 1944 werd ingenomen. De verovering van de gebombardeerde abdij kostte het 2e Korps wel 923 doden, 2.931 gewonden en 345 vermisten.
De Polen leverden na Monte Cassino nog een grote bijdrage aan de bevrijding van de Marche en Emilia-Romagna. Op 1 juli 1944 stonden ze in Loreto en op 21 april 1945 in Bologna. Op alle drie deze plekken – Monte Cassino, Loreto en Bologna – vinden we grote Poolse begraafplaatsen, terwijl een vierde zich in Casamassima in Puglia bevindt. De begraafplaats in Loreto werd tussen januari 1945 en mei 1946 aangelegd. 1.090 officieren en soldaten vonden hier hun laatste rustplaats. De overgrote meerderheid was katholiek, maar we treffen er ook de graven aan van 55 orthodoxe Polen, 10 protestanten, 11 joden en 1 moslim, Sulejman Rodkiewicz, gesneuveld op 27 juni 1944. Het tragische lot van de Poolse manschappen die de oorlog overleefden, is dat velen niet terug konden keren naar Polen, dat inmiddels een satellietstaat van de Sovjet-Unie was geworden. Bij terugkeer zouden ze als verraders zijn beschouwd, met alle gevolgen van dien. Vele Polen vestigden zich vervolgens in het Verenigd Koninkrijk. Zo ook generaal Anders, die in 1970 in Londen overleed.
Veel informatie voor deze bijdrage kwam uit de Bradt travel guide Umbria & the Marche (2021), p. 234-236. Aanvullende informatie kwam van de informatieborden in de basiliek en het museum, van het informatiebord op de oorlogsbegraafplaats en van Basilica della Santa Casa – Wikipedia.
Noot
[1] Deze hadden in 1260 al de kerk van de Annunciatie verwoest. Volgens een verdrag tussen het koninkrijk Jeruzalem en de Mammelukken uit 1272 hadden christelijke pelgrims nog wel toegang tot Nazareth. Zie Thomas Asbridge, De Kruistochten, p. 641 en 654.









Pingback:Marche: Basilica della Santa Casa di Loreto – – Corvinus –
Pingback:Brescia: Santa Maria della Carità – – Corvinus –
Pingback:Milaan: Santa Maria Incoronata – – Corvinus –