We zetten onze verkenning van het hertogelijk paleis van Urbino voort en kwamen in een aantal zalen gewijd aan laatmiddeleeuwse schilderkunst. Hier vinden we grote veelluiken uit kerken in en rondom Urbino. Soms zijn de namen van de schilders bekend, zoals bij Giovanni Antonio Bellinzoni da Pesaro (ca. 1415-1478) het geval is. Soms is een schilder onder verschillende namen bekend, zoals Antonio di Guido da Ferrara, die ik al eerder als Antonio Alberti da Ferrara was tegengekomen (de toevoeging ‘Alberti’ is kennelijk onjuist). En soms hebben we helemaal geen idee van de naam, zodat de schilder conform Italiaans gebruik als de ‘meester van…’ wordt aangeduid, zoals bij de Maestro del Trittico di San Bartolomeo. Een aparte zaal is gewijd aan veertiende-eeuwse fresco’s uit de kerk van San Domenico, die tegenover het Palazzo Ducale staat. Mogelijk werden deze fresco’s gemaakt door Antonio da Siena.
Als we verder lopen, komen we uit in de grote Zaal van de Vlaamse wandtapijten. Deze geeft weer toegang tot verschillende andere zalen. Een ervan is de Sala degli Angeli, vernoemd naar de engeltjes op de open haard van Domenico Rosselli (ca. 1439-1498). Hier stuitten we op de processiestandaard van de broederschap van Corpus Domini in Urbino. Deze werd aan beide zijden beschilderd door niemand minder dan de grote Venetiaanse meester Titiaan (ca. 1488-1576), die de ene zijde verfraaide met de Wederopstanding van de Christus en de andere met het Laatste Avondmaal. Ooit bevond ook de Venus van Urbino van Titiaan zich in dit hertogelijk paleis, maar zoals in het eerste deel van deze bijdrage al werd uitgelegd, is dit werk rond 1633 naar Florence overgebracht. Het museum bezit nog wel een andere processiestandaard, afkomstig uit de kerk van Santo Spirito. Deze werd gedecoreerd door de Toscaanse schilder Luca Signorelli (ca. 1450-1523) uit Cortona. We zien aan de ene zijde de Kruisiging van Christus en aan de andere zijde Pinksteren.
Federico da Montefeltro in beeld
In de Sala degli Angeli hangt ook de Pala del Corpus Domini, een altaarstuk geschilderd voor het oratorium van de al genoemde broederschap. Het werk kent op z’n zachtst gezegd een complexe geschiedenis, want de opdracht ervoor werd al in 1456 verstrekt, maar pas in 1474 was het altaarstuk klaar. Fra Carnevale (ca. 1420-1484) werkte er zonder succes aan, waarna Paolo Uccello (1397-1475) de predella schilderde met daarop een smerig anti-Joods verhaaltje over een heilige hostie en een Joodse woekeraar. Piero della Francesca (ca. 1415-1492) weigerde vervolgens de opdracht voor het grote altaarstuk zelf, waarna de opdracht werd verstrekt aan de Vlaamse schilder Justus van Gent (gestorven ca. 1480), die mogelijk door hertog Federico da Montefeltro naar Urbino was ontboden. Justus schilderde hoe de apostelen bij Christus ter communie gaan en de heilige hostie krijgen aangereikt. Aan de rechterzijde is ook Federico da Montefeltro afgebeeld. De hertog, die tussen 1444 en 1482 over Urbino heerste, is onmiddellijk herkenbaar aan zijn gehavende neus. Bij een toernooi in 1450 had hij geweigerd een helm met vizier te dragen. Het gevolg was dat zijn tegenstander hem met zijn lans in het gezicht had geraakt, zijn neus had gebroken en hem een oog had uitgestoken. Als gevolg van deze verminkingen wilde Federico voortaan alleen nog maar en profil worden afgebeeld, zodat enkel de kant met zijn goede linkeroog in beeld zou komen. Aan die opdracht heeft Justus van Gent zich keurig gehouden.
Bij de studeerkamer van Federico (de studiolo) hangt nog een portret van de hertog. Hoewel sommigen hier eveneens een werk van Justus van Gent in zien, wordt het doorgaans toch toegeschreven aan de Spanjaard Pedro Berruguete (ca. 1450-1504). De Galleria Nazionale delle Marche ziet het in elk geval als een werk van de laatstgenoemde. Het werk dateert van ca. 1475 en stelt de hertog voor met zijn jonge zoon en opvolger Guidobaldo, geboren in 1472 uit het huwelijk van zijn vader met Battista Sforza. Wederom is de gehavende neus van Federico moeilijk te missen. De hertog is enerzijds afgebeeld als krijgsman, in harnas en met een zwaard op de heup. Op de grond liggen een commandostaf en een helm. De hertog draagt de onderscheidingstekens van de Orde van de Hermelijn (van de koning van Napels) en de Orde van de Kousenband (van de koning van Engeland). Tegelijkertijd is de hertog een erudiete man die graag leest, zoals moge blijken uit het boek (codex) in zijn handen.
Het lezen van boeken deed Federico in zijn studiolo, die een kunstwerk op zichzelf is. Het ingelegde houtsnijwerk, de portretten aan de muur en het plafond zijn prachtig. Grote namen waren bij de decoratie van de ruimte betrokken. Het houtsnijwerk werd ontworpen door Sandro Botticelli (ca. 1445-1510), Francesco di Giorgio Martini (1439-1501) en Donato Bramante (1444-1514). Vervolgens werd het vervaardigd door de broers Giuliano (ca. 1432-1490) en Benedetto (1442-1497) da Maiano. De 28 portretten stellen beroemde mannen voor die leefden van de Oudheid tot de tijd van Federico zelf. Justus van Gent begon met de serie, die door Pedro Berruguete werd voltooid. Helaas is slechts de helft van de paneelschilderingen origineel. Toen in 1631 de laatste hertog van Urbino – Francesco Maria II della Rovere – overleed, viel het hertogdom terug aan de Pauselijke Staat. Paus Urbanus VIII (1623-1644) schonk de panelen aan zijn neef, kardinaal Antonio Barberini (1607-1671). Veertien ervan werden in 1861 verkocht aan Frankrijk en bevinden zich thans in het Louvre in Parijs.
Urbino in beeld
Via de slaapkamer van de hertog komen we plotseling bij een beroemde paneelschildering die doorgaans ‘de ideale stad’ (Città Ideale) wordt genoemd en van ca. 1470-1480 dateert. Het gezicht op de verder lege en anonieme stad, helemaal gebouwd volgens de perspectivische idealen van de Renaissance, werd ooit toegeschreven aan Bramante, terwijl ook de namen van Luciano Laurana, Fra Carnevale en Piero della Francesca zijn genoemd. De Galleria Nazionale delle Marche schrijft het werk tegenwoordig toe aan een anonieme schilder uit Centraal-Italië. Het staat vrijwel vast dat ‘de ideale stad’ zich oorspronkelijk ook al in het hertogelijk paleis bevond, maar in 1775 werd het werk aangetroffen in de kerk van Santa Chiara in Urbino, waar het schilderij kennelijk naartoe was verplaatst.
Het museum heeft uiteraard ook werken van schilders uit Urbino zelf. Drie van hen zijn nauw met elkaar verbonden. Ik doel dan op Giovanni Santi (ca. 1440-1494), diens geniale zoon Rafaël (1483-1520) en Rafaëls leerling Timoteo Viti (1469-1523). Giovanni Santi was weliswaar hofschilder, maar de kwaliteit van zijn werken in de museumcollectie is niet heel hoog. Rafaëls portret van een adellijke dame uit ca. 1506-1508 – doorgaans bekend onder de naam La Muta (‘de stomme’) – behoort daarentegen tot de absolute meesterweken. We weten helaas niet wie de afgebeelde dame is. Volgens een theorie is zij Giovanna da Montefeltro (1463-1513), een van de dochters van Federico. Giovanna trouwde met Giovanni della Rovere, een neef van Paus Sixtus IV (1471-1484). Hun zoon Francesco Maria I della Rovere werd in 1508 de nieuwe hertog van Urbino. Helaas is deze theorie niet te bewijzen. Van Timoteo Viti bezit het museum de zogenaamde Pala Arrivabene, die ooit de kathedraal van Urbino verfraaide. Het werk werd besteld door Giampietro Arrivabene, die tussen 1491 en 1504 bisschop van Urbino was. Hij is knielend afgebeeld, samen met zijn neef Giacomo. De heiligen op het schilderij zijn Thomas Becket en Martinus van Tours.
Wie Urbino zegt, zegt ook Federico Barocci (ca. 1535-1612). Toen wij de Galleria Nazionale delle Marche bezochten, was er net een grote overzichtstentoonstelling gewijd aan het werk van deze lokale meester onder de naam “Federico Barocci Urbino. L’emozione della pittura moderna”. De tentoonstelling bestond uit zowel seculiere als religieuze werken. Tot de eerste categorie behoort het portret van Francesco Maria II della Rovere, net teruggekeerd van de zeeslag bij Lepanto in 1571. De slag leverde een overwinning op voor een christelijke vloot op die van het Ottomaanse Rijk. Het portret komt uit de collectie van de Uffizi in Florence, maar we mogen aannemen dat het oorspronkelijk in Urbino hing. Ook Barocci’s Vlucht uit Troje, afkomstig uit de Galleria Borghese in Rome, is een seculier werk. Mooie religieuze werken waren bijvoorbeeld een Kruisafneming uit de kathedraal van Perugia, de Madonna di San Simone uit het museum zelf en de Presentatie van de Maagd in de Tempel, geleend van de Chiesa Nuova in Rome.
Della Rovere-appartementen
De genoemde appartementen werden grotendeels gerealiseerd door de architecten Bartolomeo Genga (1518-1558) en Filippo Terzi (1520-1597) tijdens de regering van Guidobaldo II della Rovere, hertog tussen 1538 en 1574. In deze appartementen vinden we de latere werken uit de collectie van de Galleria Nazionale delle Marche. Van de zeventiende eeuw dateren de werken van Giovanni Francesco Guerrieri (1589-1657), een schilder uit Fossombrone. Verder kunnen we er een blik werpen op schilderijen van Giovanni Battista Salvi (1609-1685), bijgenaamd Il Sassoferrato, en Mattia Preti (1613-1699). Daarnaast is er aandacht voor de broers Federico (1539-1609) en Taddeo (1529-1566) Zuccari, afkomstig uit Sant’Angelo in Vado en nauw verbonden met het hof in Urbino. Ik was enigszins verrast in dit gedeelte van het museum ook een Madonna met Kind van Vitale da Bologna (ca. 1310-1360) aan te treffen, waarmee we weer terug in de middeleeuwen waren. De Madonna bleek afkomstig uit de collectie van schrijver, dichter en communistisch politicus Paolo Volponi (1924-1994), die zijn collectie aan het museum schonk.
Het religieuze en culturele leven in het Urbino van de achttiende eeuw werd vooral gestimuleerd door leden van de familie Albani, van wie de wortels in Albanië lagen. Het museum gaat in dit verband nader in op de verdiensten van Giovanni Francesco Albani (1649-1721), die in 1700 tot Paus Clemens XI werd gekozen, en die van zijn neef kardinaal Annibale Albani (1682-1751). De achttiende-eeuwse werken in het museum vond ik echter minder interessant dan die uit eerdere perioden. Misschien waren we ook wel verzadigd na het zien van zoveel mooie kunstwerken uit verschillende tijdvakken. We besloten ons bezoek aan het Palazzo Ducale met een tour door de vertrekken in de kelder. Hier vinden we onder meer de stallen, de keukens en een badkamer.
Website van de Galleria Nazionale delle Marche: Home – Galleria Nazionale delle Marche GNDM.IT


