Milaan: Museo Archeologico

Hoofd van Jupiter, 1e eeuw.

Het archeologisch museum van Milaan is gevestigd direct naast de kerk van San Maurizio. Bezoekers komen binnen in een van de kloostergangen, gedecoreerd met kapitelen en sarcofagen, en betreden dan een gebouw gewijd aan de geschiedenis van het Romeinse Milaan. Dit is ook verreweg het interessantste gedeelte van het Museo Archeologico, met de mooiste en meest intrigerende objecten. Aanvankelijk dacht ik dat het museum hier ophield, maar al snel bleek dat je nog naar buiten kunt gaan. In een binnentuin staat vervolgens de enig overgebleven Romeinse toren en een stuk van de Romeinse stadsmuren van Milaan, gebouwd aan het einde van de derde eeuw. In de toren zijn middeleeuwse fresco’s te bewonderen en erachter bevinden zich nog drie verdiepingen met zalen in een hedendaags gebouw. De zalen zijn achtereenvolgens gewijd aan de Longobarden, de Etrusken en de Grieken.

Milaan in de Oudheid

De Romeinen kenden Milaan als Mediolanum (soms Mediolanium). Het woord betekent zoiets als ‘plaats in het midden’. Mediolanum was ergens in de vijfde eeuw gesticht als Keltische nederzetting, in de buurt van een oudere Etruskische nederzetting met de naam Melpum. De Kelten die verantwoordelijk waren voor de stichting behoorden tot de zogenaamde Golasecca-cultuur. In de vroege vierde eeuw vielen nieuwe Keltische stammen Noord-Italië binnen en vestigden zich in de vruchtbare Povlakte. Onder hen waren de Insubres, Boii, Lingones, Cenomani en Senones. De laatstgenoemden zouden het verst naar het zuiden oprukken en in 386 BCE zelfs Rome plunderen. De Insubres daarentegen bleven in het noorden hangen en namen Mediolanum over, dat al snel uitgroeide tot hun voornaamste nederzetting. Ook de Insubres kwamen geregeld met de Romeinen in conflict. In 223 BCE leden ze een grote nederlaag tegen de consuls Gaius Flaminius en Publius Furius Philus. Het volgende jaar nam de consul Gnaeus Cornelius Scipio Calvus Mediolanum in, waarna de twee volkeren vrede sloten.

Romeinse zaal in het Museo Archeologico.

Het voorgaande betekent niet dat de Romeinen voortaan de baas over de stad waren. Er zijn geen aanwijzingen dat ze er een garnizoen achterlieten, hetgeen het aannemelijk maakt dat de Insubres in de praktijk onafhankelijk bleven. Om hun greep op de Povlakte te versterken stichtten de Romeinen in 218 BCE twee Latijnse kolonies ten zuidoosten van Mediolanum, te weten Placentia (Piacenza) en Cremona. Deze kolonies stonden vanaf het begin onder zware druk, vooral van de Insubres en hun bondgenoten de Boii (de Cenomani kozen doorgaans de kant van Rome). In 194 BCE vocht de proconsul Lucius Valerius Flaccus tegen een leger van Insubres en Boii, en wist dat in de buurt van Mediolanum een nederlaag toe te brengen. Na deze veldslag lijken de Insubres zich gewonnen te hebben gegeven. De Romeinse invloed aan beide zijden van de Po werd vervolgens steeds sterker, mede door de aanleg van wegen als de Via Aemilia en de stichting van nieuwe kolonies langs die weg, onder meer bij Bononia (Bologna), Mutina (Modena) en Parma. Op een onbekend moment in de tweede eeuw BCE werd Mediolanum met Placentia verbonden via de Via Mediolanum-Placentia. De aanleg van deze weg zal niet alleen het reizen, maar ook het proces van Romanisering sterk hebben versneld.

Mozaïekvloer uit een Romeins gebouw (aula), 1e eeuw BCE of CE.

Voor de Romeinen was Noord-Italië aanvankelijk geen Italië, maar Gallië. Ze noemden het dan ook Gallia Cisalpina, Gallië aan deze zijde van de Alpen. Het gebied ten noorden van de Po werd Gallia Transpadana genoemd. In 89 BCE verleende de Lex Pompeia aan de inwoners van Gallia Transpadana, dus ook aan die van Mediolanum, Latijnse status. Mediolanum werd daarmee een Latijnse colonia. De magistraten van de stad verkregen zelfs volledig Romeinse burgerrecht. Een volgende stap, in 49 BCE, was de Lex Roscia[1]. Deze kende volledig Romeins burgerrecht toe aan de inwoners van steden als Mediolanum, Verona en Brescia. De steden kregen daarmee de status van een municipium. Mediolanum kreeg stadsmuren, een Romeins forum (op de plek van de huidige kerk van San Sepolcro), een theater en een amfitheater. Tijdens de eerste drie eeuwen van de Romeinse keizertijd zou Milaan geen rol van betekenis spelen. Het museum kwalificeert Romeins Milaan dan ook als een stille provinciestad. In het jaar 286 kwam aan alle rust echter een einde, toen een keizer van Mediolanum zijn residentie maakte.

Milaan als keizerlijke residentie

Fresco van een vogel, 1e eeuw.

Wat was er precies gebeurd? In 285 had een zekere Diocletianus de legitieme keizer Carinus verslagen en de macht over het Romeinse Rijk overgenomen. Diocletianus wenste niet alleen te regeren. Hij benoemde zijn makker uit het leger Maximianus tot caesar (onderkeizer) en promoveerde hem op 1 april 286 zelfs tot augustus (medekeizer). Het Romeinse Rijk had nu twee keizers, maar ze waren niet volstrekt gelijkwaardig. Diocletianus nam de titel Jovius aan, om zijn toewijding aan de Romeinse oppergod Jupiter te tonen. Maximianus werd Herculius. Deze titel gaf niet alleen zijn toewijding aan Hercules aan, maar tevens zijn ondergeschiktheid aan Diocletianus. In de rangorde stond Jupiter immers hoger dan Hercules, die zijn zoon was bij een sterfelijke vrouw. Maximianus zou nooit vergeten aan wie hij zijn keizerschap te danken had.

Terwijl Diocletianus in het Romeinse oosten Nicomedia als zijn residentie koos, opereerde Maximianus in het westen aanvankelijk vanuit twee ‘hoofdsteden’, namelijk Augusta Treverorum (Trier) en Mediolanum. In 293 creëerde Diocletianus vervolgens het systeem van de Tetrarchie. Binnen de Tetrarchie werd het Romeinse Rijk informeel in vieren gedeeld. Ieder deel werd bestuurd door ofwel een augustus, ofwel een caesar. Bij de dood of het aftreden van een augustus volgde een caesar hem normaal gesproken op. Vervolgens koos deze zelf een nieuwe caesar. Flavius Valerius Constantius, de vader van Constantijn de Grote, werd als caesar onder Maximianus aangesteld. Constantius voerde het bestuur over Gallië en Brittannië, dus Trier werd zijn hoofdstad. Voor Maximianus, belast met het bestuur over Italië, Noord-Afrika en Spanje, was Milaan voortaan de enige keizerlijke residentie. In de Via Brisa, om de hoek bij het archeologisch museum, zijn nog de overblijfselen van zijn paleis te zien. Verder schonk hij Mediolanum een circus – de vierkante toren achter de genoemde kerk van San Maurizio is er een overblijfsel van – en een groot badencomplex. Men spreekt wel van de Herculische Thermen, omdat Maximianus zichzelf als gezegd Herculius liet noemen. De keizer versterkte ten slotte de stadsmuren en liet nieuwe muren bouwen rondom de uitbreidingen van de stad.

Mozaïekvloer uit de Herculische Thermen van Milaan.

In 402 besloot keizer Honorius (395-423) de keizerlijke residentie te verplaatsen naar Ravenna. Daarmee kwam een einde aan de status van Mediolanum als een van de hoofdsteden van het Romeinse Rijk. Het christendom was inmiddels staatsgodsdienst geworden en in Mediolanum was tot aan zijn dood in 397 de formidabele bisschop Ambrosius actief (die overigens rond het jaar 340 was geboren in Trier). Ambrosius had sterk het orthodoxe christendom gepromoot en het verdedigd tegen de ketterse Arianen, die niet geloofden dat God de Vader en Christus zijn Zoon van dezelfde materie waren (consubstantialiteit). Interessanter voor ons verhaal is dat aan de bisschop ook de stichting van veel kerken wordt toegeschreven. De belangrijkste drie, gebouwd buiten de muren van Mediolanum, zijn de nog steeds bestaande Sant’Ambrogio, San Nazaro in Brolo en San Simpliciano. Onder bescherming van de keizer – vermoedelijk Honorius of diens vader Theodosius (379-395) – werd bovendien de kerk van San Lorenzo Maggiore gebouwd, niet ver van het amfitheater van de stad. Milaan kreeg zo de religieuze monumenten die nog steeds bezocht kunnen worden.

Mediolanum, gezien vanuit het westen.

Collectie

Diatreta Trivulzio.

Een prachtige maquette in het museum stelt ons in staat de geografie van Romeins Milaan beter te begrijpen. Voor mij bood de maquette ook een beter inzicht in de geschiedenis van de beroemde Duomo van de stad. De bouw van deze kathedraal van Santa Maria Nascente begon pas in 1386, maar daarvoor had Milaan twee kathedralen uit de late Oudheid. Dit was de winterkathedraal van Santa Maria Maggiore en de zomerkathedraal van Santa Thecla. Tussen de gebouwen stond een achthoekig baptisterium. Op de plek van de Santa Maria Maggiore verrees de huidige kathedraal en van de andere twee gebouwen is bovengronds niets meer te zien. Wie een kaartje koopt voor het archeologisch gebied onder de Duomo, kan echter nog steeds de contouren van het doopvont zien, alsook de restanten van de apsis van de Santa Thecla.

In de Romeinse collectie vinden we mooie mozaïekvloeren, muurschilderingen en gebeeldhouwde hoofden van keizers en goden. De twee meest uitzonderlijke voorwerpen dateren beide van de late Oudheid. Het eerste voorwerp is een glazen drinkbeker uit de vierde eeuw, ook bekend als de Diatreta Trivulzio. De beker werd in 1675 ontdekt in een sarcofaag die ook andere grafgoederen bevatte. In 1777 werd het voorwerp gekocht door Carlo Trivulzio, een abt en kunstverzamelaar, die de beker mee naar Milaan nam. Glazen voorwerpen uit de Oudheid zijn uitermate zeldzaam. Deze bevat ook nog een tekst in het Latijn:

BIBE VIVAS MVLTIS ANNIS
(“Drink en moge u vele jaren leven”)

Ook van de vierde eeuw dateert de zogenaamde Patera van Parabiagio. Op deze in 1907 gevonden zilveren schaal is de triomftocht van de moedergodin Cybele met Attis afgebeeld. Ze rijden in een door leeuwen getrokken wagen, die wordt begeleid door gewapende dansers of Korybanten. Rechts van de wagen zien we Aion, de god van de eeuwigheid, in een soort hoepel met de tekens van de dierenriem. Het is een voorstelling bekend van een mozaïek afkomstig uit Sassoferrato. De hoepel wordt vastgehouden door Atlas en rechts ervan zien we de slang van Asklepios, god van de geneeskunde. Net als op het genoemde mozaïek zijn ook Tellus of Terra, godin van de aarde, en haar vier kinderen, de vier seizoenen, afgebeeld. Andere herkenbare figuren zijn Okeanos en Thetis, nimfen en de Zon en Maan. De schaal wordt op de tweede helft van de vierde eeuw gedateerd, een tijd dat het christendom terrein won, maar een maatschappelijke elite die nog de oude culten aanhing in de tegenaanval ging. Dit was vooral het geval tijdens de regering van keizer Julianus de Apostaat (361-363), en het is goed mogelijk dat de Patera van Parabiagio in zijn tijd is gemaakt.

Patera di Parabiagio.

Het is nu tijd om naar buiten te gaan. Vanuit de binnentuin heeft de bezoeker goed zicht op het stukje Romeinse stadsmuur met de enig overgebleven toren. De toren werd in de late Longobardische of vroege Karolingische periode bij het klooster van de kerk van San Maurizio betrokken. Op enig moment werd er een kapel van gemaakt, hetgeen verklaart waarom we op de muren christelijke fresco’s vinden. Deze dateren van het einde van de dertiende of het begin van de veertiende eeuw. Ze verkeren niet in heel erg goede staat, maar we kunnen ze niettemin redelijk goed interpreteren. Naast een Kruisiging zien we Franciscus van Assisi die de stigmata ontvangt en verschillende heiligen.

Toren en stadsmuur van Mediolanum.

Fresco’s in de toren.

Via een loopbrug komen we dan in het moderne gedeelte van het archeologisch museum, dat bestaat uit drie grote zalen op drie verdiepingen. De eerste zaal is gewijd aan de Longobarden (568-774). Die specialiseerden zich in fibulae (mantelspelden) en daar vinden we dan ook een aantal prachtige exemplaren van.

In de tweede zaal wordt aandacht besteed aan de Etruskische beschaving. Daar valt vooral de sarcofaag van een Etruskische vrouw, Velka, op. Deze is afkomstig uit Tarquinia en dateert van de tweede of eerste eeuw BCE. Velka zelf is afgebeeld als een jonge vrouw die aanligt voor de maaltijd. Eveneens verbonden met het hiernamaals is het reliëf van een asurn waarop een voorstelling uit de Griekse mythologie is afgebeeld. We zien hoe de Trojaanse held Paris wordt belaagd door zijn broers, die denken met een simpele herder te maken te hebben die hen heeft afgetroefd bij de spelen. En daarmee komen we bij de laatste zaal, gewijd aan het klassieke Griekenland. Hier bestaat de collectie vooral uit aardewerk en beeldjes. Afkomstig van Sicilië is een beeldje van een godin op een troon, misschien Demeter (zesde of vijfde eeuw BCE). De duif op haar schoot is jonger en dateert van de derde eeuw BCE. De combinatie van godin en duif is dus niet origineel, maar misstaat niet.

Noot

[1] Het museum spreekt van een Lex Julia, maar vermoedelijk gaat het om dezelfde wet. Het voorstel voor de Lex Roscia was ingediend door de volkstribuun Lucius Roscius Fabatus, een medestander van Gaius Julius Caesar.

One Comment:

  1. Pingback:Milaan: San Maurizio – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.