Diocletianus: De Jaren 293-295

Gouden munt (tien aurei) van Diocletianus (bron: Classical Numismatic Group, Inc.).

In de derde eeuw had het immense Romeinse Rijk zeker 50 miljoen inwoners, die sinds de Constitutio Antoniniana van Caracalla uit 212 vrijwel allemaal Romeins burgerrecht bezaten. Verreweg de meeste mensen woonden op het platteland of in een van de vele honderden kleine steden van het Rijk, waarvan het inwonertal nooit boven de 10.000 uitkwam. Slechts enkele steden hadden meer dan 100.000 inwoners. De belangrijkste waren Carthago in Noord-Afrika, Alexandrië in Egypte, Antiochië in Syrië en natuurlijk Rome, dat ook in de derde eeuw met zijn vele crises nog meer dan 500.000 inwoners moet hebben gehad. Hoewel de handel in het Romeinse Rijk van grote betekenis was, was de Romeinse samenleving nog steeds sterk agrarisch. De grote landgoederen (latifundiae) die werden bewerkt door slaven waren in de derde eeuw grotendeels verdwenen. In plaats daarvan was, vooral in het Latijnse westen, een soort proto-feodaal stelsel ontstaan waarbij grootgrondbezitters land verpachtten aan coloni (‘horigen’). Dat de rijken en machtigen over de veel talrijkere armen heersten, was een gegeven. Hoe dat zo effectief mogelijk kon gebeuren, was de grote vraag.

De Tetrarchie

De Romeinse elite werd gevormd door enkele honderden senatoren, enkele duizenden ridders (equites) en enkele tienduizenden lokale magistraten. Samen vormden ze hooguit één procent van de Romeinse bevolking.[1] Romeinse provinciegouverneurs beschikten meestal maar over een kleine staf en lieten veel zaken aan lokale overheden over. Het systeem van belastingheffing was naar moderne maatstaven primitief, terwijl veel geld nodig was voor het Romeinse leger, dat niet alleen het Rijk moest beschermen tegen invallen van buitenaf, maar ook de basis vormde van de macht van iedere keizer.

De Tetrarchen.

Al bij zijn troonsbestijging eind 284 moet Diocletianus hebben beseft dat het besturen van het gigantische Romeinse Rijk een loodzware opgave was. Het is niet aannemelijk dat hij toen al een ‘blauwdruk’ in zijn hoofd had om het bestuur van het Rijk te moderniseren en te verbeteren. Waarschijnlijk heeft hij gaandeweg nieuwe ideeën ontwikkeld en deze vervolgens ad hoc in de praktijk gebracht. De benoeming van Maximianus tot caesar (onderkeizer) in 285 en tot augustus (medekeizer) in 286 kan in dat licht bezien worden. Zulke benoemingen waren ook onder zijn voorgangers heel gebruikelijk. In 293 ging Diocletianus echter nog een stap verder. Hij creëerde toen een systeem waarin vier keizers een rol speelden: de Tetrarchie. Diocletianus moet rond deze tijd een jaar of 50 zijn geweest. De keizer had geen zoon en dus geen opvolger binnen zijn (directe) familie. Bij de inrichting van de Tetrarchie zal dit gegeven zeker meegespeeld hebben.

Binnen de Tetrarchie werd het Romeinse Rijk informeel in vieren gedeeld. Ieder deel werd bestuurd door ofwel een senior keizer (een augustus), ofwel een junior keizer (een caesar). Bij de dood of het aftreden van een augustus volgde een caesar hem normaal gesproken op. Vervolgens koos deze zelf een nieuwe caesar. Op 1 maart werd Flavius Valerius Constantius in een plechtige ceremonie, waarschijnlijk in Mediolanum (Milaan), tot caesar onder de augustus Maximianus aangesteld. Hij was al getrouwd met diens stiefdochter Theodora, en werd naast diens schoonzoon nu ook door adoptie diens zoon. Rond dezelfde tijd benoemde Diocletianus in Nicomedia een zekere Galerius tot zijn caesar. De nieuwe caesar was waarschijnlijk afkomstig uit Dacia Aureliana, de door keizer Aurelius gecreëerde nieuwe provincie in noordelijk Moesië. Hij trad vervolgens in het huwelijk met Valeria, de dochter van zijn augustus, en werd tevens door hem geadopteerd. Constantius en Galerius werden voortaan ook Herculius en Jovius genoemd, naar de op dat moment belangrijkste goden van zowel de keizerlijke ‘familie’ als het Rijk als geheel, Hercules en Jupiter.

Bij de verdeling van het Rijk vielen Gallië en Brittannië toe aan Constantius. Maximianus werd belast met het bestuur over Italië (inclusief Sicilië en Sardinië), Noord-Afrika en Spanje, terwijl Galerius over het Balkangebied met de Donauprovincies heerste. De belangrijkste provincies in het oosten – in Klein-Azië, Syrië, Egypte en Libië – kwamen toe aan Diocletianus. De grenzen werden overigens niet al te strak getrokken. Zeker Diocletianus, die ook onder de Tetrarchie de senior keizer bleef, opereerde regelmatig in de gebieden van zijn ‘zoon’ Galerius en vice versa. Het valt niet te ontkennen dat aan de Tetrarchie ook militaire motieven ten grondslag lagen. Keizers moesten eind derde eeuw overal tegelijk zijn. Het nieuwe systeem stelde Constantius in staat Brittannië te heroveren op de rebel Carausius, terwijl Maximianus zich op zowel de Rijngrens als de opstandige Berbers in Noord-Afrika kon richten. Galerius hield het oog gericht op de Donaugrens, zodat Diocletianus de Perzen in de gaten kon houden. In 293 was de conflictmijdende Perzische koning Bahram II gestorven en opgevolgd door zijn veel strijdbaardere oom Narses. Enkele jaren later zou het tot een nieuwe oorlog met de Romeinen komen.

Bronzen hoofd van Constantijn (Capitolijnse Musea, Rome).

Zolang de vier keizers harmonieus optraden en zichzelf als telgen van één familie met dezelfde belangen zagen, was het risico dat er in de praktijk vier aparte rijkjes zouden ontstaan beheersbaar. Niettemin is het mogelijk dat Diocletianus met opzet enkele extra waarborgen inbouwde. Constantius had een zoon uit een eerdere relatie met Helena, een vrouw van lage komaf uit Bithynië. Deze ongeveer twintigjarige Constantijn zou hem ooit kunnen opvolgen als caesar en moest daarop voorbereid worden. De jongeman werd naar het oosten gestuurd en diende afwisselend onder Galerius en Diocletianus. Hoewel dit formeel werd verkocht als een bestuurlijke en militaire opleiding, wordt wel aangenomen dat Constantijn feitelijk als gijzelaar diende, om zo de trouw van zijn vader te verzekeren.[2]

Provincie-indeling en andere hervormingen

Mogelijk in 293-294, maar misschien al eerder, reorganiseerde Diocletianus ook de Romeinse provincies. Toen hij aantrad als keizer, waren er ongeveer 50 provincies geweest. Diocletianus splitste vrijwel alle provincies nu op in kleinere provincies, waardoor het aantal boven de 100 uitkwam.[3] Uiteraard verdubbelde zo ook het aantal provinciegouverneurs, die uit de senatoren- of ridderstand afkomstig waren en voortaan correctores werden genoemd. Tussen de keizers enerzijds en de correctores anderzijds werd een nieuwe bestuurslaag gecreëerd. De net gesplitste provincies werden hiervoor weer samengevoegd in groepen die diocesen werden genoemd en bestuurd werden door een vicarius. Zo ontstond een dozijn ‘superprovincies’ in Brittannië, Gallië, Spanje, Italië, Noord-Afrika, de Balkan en Klein-Azië. Het belangrijkst was misschien wel Oriens, de nieuwe benaming voor de grote diocees die Libië, Egypte, Syrië, Cilicië en Mesopotamië omvatte.

Romeinse soldaten op de Grote Ludovisi sarcofaag, tweede helft derde eeuw.

Zowel de introductie van de Tetrarchie als de provinciehervormingen moeten tot een groter aantal bestuurders en een grotere bureaucratie van ondersteunend personeel (secretarissen, klerken, juristen) hebben geleid. Iedere keizer, augustus of caesar, had een eigen hof en een eigen praetoriaanse prefect, iedere vicarius of corrector een eigen staf. Diocletianus had verder maatregelen genomen waardoor de omvang van het Romeinse leger met enkele tienduizenden manschappen werd vergroot. Tot deze maatregelen behoorden onder meer het erfelijk maken van de militaire dienst en het rekruteren van binnen de grenzen van het Rijk wonende Germanen en leden van andere stammen. Zij bezaten niet het Romeinse burgerrecht en werden dus ingedeeld bij de hulptroepen (auxilia), waardoor ze ook goedkoper waren, maar zeker niet van mindere kwaliteit. Het idee dat de ‘barbarisering’ van het Romeinse leger tot verminderde slagkracht en een gebrek aan loyaliteit leidde, heeft tegenwoordig weinig aanhangers meer.

Tijdens de lange regering van Diocletianus werd ook de basis gelegd voor het latere onderscheid tussen de grenstroepen, die aan een bepaald gebied verbonden waren en limitanei werden genoemd, en het mobielere veldleger, de comitatenses. De grenstroepen stonden onder bevel van legeraanvoerders die duces werden genoemd en de verantwoordelijkheid hadden voor een eigen district. Het Engelse woord duke (hertog) is van het Latijnse dux afgeleid. De comitatenses werden geleid door een comes (graaf). De legerhervormingen van Diocletianus zetten waarschijnlijk een proces voort dat reeds onder Valerianus en Gallienus was begonnen. Vermoedelijk kwamen de hervormingen pas onder Constantijn de Grote (306-337) tot een voorlopig einde.

De hervormingen brachten een scherper onderscheid tussen civiele ambten enerzijds en militaire ambten anderzijds tot stand. Adellijke Romeinse jongemannen kozen nu voor een carrière in het bestuur of in het leger. Een andere ontwikkeling was dat met de groei van het Romeinse leger een verkleining van de legereenheden gepaard ging. In de vierde eeuw bestonden de grote legioenen van ca. 5.000 man voornamelijk nog op papier. In de praktijk waren ze opgesplitst in kleinere eenheden van niet meer dan 1.000 man. Toch moeten er bij wijze van uitzondering nog grotere eenheden zijn geweest, want de vierde-eeuwse schrijver Vegetius noemt twee grote ‘legioenen’ van Diocletianus en Maximianus die uit 6.000 manschappen zouden hebben bestaan.[4] Vegetius noemt ze de Joviani en Herculiani en zegt dat ze in lllyricum gelegerd waren. Zeer waarschijnlijk ging het om elite-eenheden van de beide keizers. Vegetius’ opmerking dat ze uitblonken in het gevecht met de martiobarbuli (met lood verzwaarde spiesen) toont aan dat ook de uitrusting van de Romeinse soldaten was veranderd. De zware werpspeer (pilum) was bijvoorbeeld verdwenen.

Een re-enactor als Romeinse soldaat uit de 4e eeuw (foto: Medium69, CC BY-SA 3.0 licentie).

Het systeem dat Diocletianus had bedacht kostte veel, maar was mede bedoeld om zichzelf in stand te houden en de belastingheffing van het Rijk te stroomlijnen en te moderniseren. Uiteindelijk zou het systeem meer moeten opleveren dan het kostte. Voorheen werd doorgaans van tevoren bepaald hoeveel belasting een bepaalde provincie gedurende een bepaalde tijd diende te betalen. Onder Diocletianus werd het systeem geleidelijk aangepast aan de behoeften van het Rijk en de kosten van bureaucratie en leger, waardoor het flexibeler was. Onderdeel van het proces was dat Italia Annonaria, het gebied boven Rome, haar traditionele belastingvrijstelling kwijtraakte (mogelijk in 297). Voor het andere deel van Italië, Italia Suburbicaria, bleef de belastingvrijdom voorlopig bestaan.

Veldtochten 293-295

De kersverse caesar Constantius was dan wel belast met het bestuur over Gallië en Brittannië, de harde realiteit was dat een deel van Gallië en geheel Brittannië nog onder het gezag van Carausius vielen. Een poging van Maximianus in 289 om hem uit zijn bolwerk Gesoriacum (Boulogne) te verdrijven was op een faliekante mislukking uitgelopen. Constantius deed in 293 een nieuwe poging en had daarbij wel succes. De caesar beschikte over een sterke vloot en slaagde erin met een dam de haven van de stad lang genoeg af te sluiten om haar tot overgave te dwingen. De overgave kwam precies op tijd, want niet veel later sloeg het getij de dam van Constantius aan diggelen. Carausius werd niet veel later vermoord door een van zijn eigen ondergeschikten, een zekere Allectus. Het feit dat hij er niet in geslaagd was zijn gebieden in Gallië te verdedigen kan hierbij een rol hebben gespeeld. Constantius had weliswaar een belangrijke overwinning gehaald, maar voorlopig was Allectus nog de baas in Brittannië, waar hij zich tot nieuwe keizer had uitgeroepen.

In – vermoedelijk – 294-295 voerden Diocletianus en Galerius gezamenlijk oorlog in het Donaugebied tegen de Bastarnae en de Carpi. Met de laatstgenoemden wisten ze na de gevechten een verdrag te sluiten. Groepen Carpi vestigden zich op Romeins gebied en velen van hen namen naar beproefd recept dienst in het Romeinse leger. Diocletianus vertrok na deze veldtocht naar het oosten, waar hij waarschijnlijk in de belangrijke stad Antiochië neerstreek. Aangenomen wordt dat op dat moment de jonge Constantijn bij zijn staf diende.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of the West, p. 160-165 en p. 206-214;
  • Henk Singor, Constantijn, p. 40-43, p. 143-144 en p. 160-161;
  • Timothy Venning, A Chronology of the Roman Empire, p. 627-630.

Noten

[1] Henk Singor, Constantijn, p. 40-41.

[2] Timothy Venning, A Chronology of the Roman Empire, p. 630.

[3] Adrian Goldsworthy, The Fall of the West, p. 164; Henk Singor, Constantijn, p.160-161; Timothy Venning, A Chronology of the Roman Empire, p. 627.

[4] Vegetius, De Re Militari 1.17.

2 Comments:

  1. Pingback:Diocletianus: De Jaren 296-300 – – Corvinus –

  2. Pingback:Diocletianus: De Jaren 301-303 – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.