Portugal: Alcobaça

Gevel van het Alcobaça-complex.

Het was een aangenaam ritje naar Alcobaça, een klein stadje met zo’n 16.000 inwoners. In Alcobaça staat de grootste kerk van Portugal, en voor ons was dat ook de voornaamste reden om het stadje te willen bezoeken. Net ten oosten van de kerk en het klooster bevindt zich een groot parkeerterrein met meer dan voldoende plek om uw auto te parkeren. Het parkeerterrein ligt op een heuvel en vanaf hier kunt u de apsis van de kerk al zien, alsmede de luchtbogen die het gewicht van het gewelf van de apsis moeten helpen dragen. We liepen de heuvel af en sloegen de Rua Dom Pedro V in, genoemd naar Koning Pedro V (Peter V), koning van Portugal van 1853 tot 1861. In de straat vonden we een leuke banketbakker die ons heerlijke pasteitjes met varkens- en rundvlees verkocht.

Alcobaça heeft altijd sterke banden gehad met de koningen en koninginnen van Portugal. De genoemde Pedro V (1853-1861) was een van de laatste koningen van het land, maar het was de eerste koning van Portugal, Afonso Henriques (Alfons I; 1139-1185), die hier de kerk liet bouwen die het stadje beroemd zou maken. Afonso had in maart 1147 de Moren verslagen en hun bolwerk Santarém ingenomen. Ter ere van zijn zege gaf de koning opdracht voor de bouw van een kerk in Alcobaça. Het werk ging in 1153 van start en duurde vele decennia. In 1178 werd begonnen met de bouw van een klooster voor monniken van de orde van de Cisterciënzers. Toen ze voltooid was, was de kerk van Alcobaça de grootste in heel Portugal. Verbazingwekkend genoeg is ze dat nog steeds. In 1989 kwam het hele complex – kerk en klooster – op de UNESCO-lijst van werelderfgoed. Die beslissing is volkomen terecht, want zoals op de website van UNESCO wordt gesteld, “its size, the purity of its architectural style, the beauty of the materials and the care with which it was built make this a masterpiece of Cistercian Gothic art”.

De kerk nader bekeken

Schip van de kerk.

De gevel van de kerk is een mengelmoes van stijlen. Het portaal en het roosvenster waren onderdeel van de oorspronkelijke middeleeuwse kerk en zijn voorbeelden van Gotische architectuur. De in de achttiende eeuw toegevoegde beelden en torens zijn daarentegen voorbeelden van Portugese Barok. Aan weerszijden van de hoofdingang zien we beelden van de heiligen Benedictus en Bernardus. Benedictus van Nursia (480-543) formuleerde in de zesde eeuw de Benedictijnse regel en Bernardus van Clairvaux (1090-1153) was een belangrijke kerkhervormer uit de Cisterciënzer orde, de orde die al vanaf de stichting van het complex in Alcobaça aanwezig is. Cisterciënzer kerken en kloosters zijn doorgaans zeer sober ingericht en Alcobaça vormt geen uitzondering op deze regel. Hoewel de architectuur van het complex buitengewoon elegant genoemd kan worden, moet u er rekening mee houden dat u in de kerk maar weinig decoraties en kunstwerken aantreft.

Eenmaal binnen zal de bezoeker direct opmerken dat de kerk niet erg breed is: slechts 17 meter. Daar staat tegenover dat het middenschip en de zijbeuken elk 20 meter hoog zijn en dat de afstand vanaf de hoofdingang voorin tot aan de apsis achterin 106 meter is. Het licht in de kerk is prachtig, maar de zuilen, de muren en het gewelf zijn volledig onversierd. In dit grote gebouw voelt een bezoeker zich al snel nietig.

In het dwarsschip treffen we de graftombes van Koning Pedro I van Portugal (Peter I; 1320-1367) en zijn minnares Dona Inês de Castro (1325-1355) aan. Pedro was eerst getrouwd met de adellijke Castiliaanse dame Constance Manuel en Dona Inês was een van haar hofdames. Hoewel het huwelijk werd geconsummeerd en Constance haar man drie kinderen schonk, was Dona Inês Pedro’s enige ware liefde. Toen Constance in 1345 stierf, verbande de vader van Pedro, Koning Afonso IV (Alfons IV), Dona Inês van zijn hof. Pedro volgde zijn minnares naar Coimbra, waar het paar gelukkig samenleefde totdat Afonso Dona Inês in 1355 liet vermoorden. Twee jaar later kwam Koning Afonso te overlijden, waarop de troon overging op zijn enige nog levende zoon Pedro. Die vond het tijd voor wraak. Hij liet twee van de moordenaars arresteren en gaf bevel hun harten uit te rukken (misschien wordt hij daarom soms wel Pedro de Wrede genoemd). Dona Inês werd opgegraven en haar lichaam werd op een troon gezet. Pedro liet haar vervolgens kronen tot koningin van Portugal en gaf de leden van zijn hof opdracht haar hand te kussen. Of wat er tegen die tijd nog over was van die hand.

Graftombe van Inês de Castro.

Graftombe van Koning Pedro I.

Detail van de graftombe van Koning Pedro.

Het is een mooi verhaal, maar klopt het ook? Hoewel Pedro in 1357 nog een kind verwekte bij een vrouw uit het volk genaamd Teresa Lourenço, staat vast dat Dona Inês altijd de liefde van zijn leven is geweest en gebleven. Ze baarde hem vier kinderen en mogelijk waren Pedro en zij na haar verbanning van het hof in het geheim getrouwd. Of het lugubere verhaal over de opgraving van het lijk nu waar is of niet, de koning liet zeker voor zijn minnares of geheime echtgenote een schitterende laatste rustplaats vervaardigen. Zowel Dona Inês als zo’n tien jaar later Koning Pedro zelf werden te ruste gelegd in prachtig gedecoreerde Gotische graftombes. De tomben zijn tegenover elkaar opgesteld, dus als de twee geliefden op de Dag des Oordeels wakker worden, zullen ze altijd als eerste elkaar zien. De graftombe van Dona Inês bevindt zich in het noordelijke dwarsschip, die van Pedro in het zuidelijke.

De beide graftombes zijn meesterwerken van Gotische beeldhouwkunst. De tombe van Inês rust op half menselijke figuren en is versierd met voorstellingen uit het leven van Christus. Bij haar voeten treffen we een scène met het Laatste Oordeel aan. Links mogen de rechtvaardigen de Hemel binnentreden, maar rechts moeten de onrechtvaardigen in de diepten van de Hel afdalen. De tombe van Pedro wordt gedragen door zes leeuwen. Op de tombe zien we voorstellingen uit de levens van Sint Bartholomeus en van Pedro en Inês zelf. Beeltenissen van de twee geliefden liggen op de afdekplaten van de beide tombes en deze worden bewaakt door engelen. U zult waarschijnlijk wel zien dat delen van de graftombes beschadigd zijn. Een deel van het beeldhouwwerk van de rechterzijde van de tombe van Inês is bijvoorbeeld verdwenen. Spijtig genoeg is de verklaring dat hier sprake is van welbewust vandalisme door Franse troepen in 1810. Deze soldaten plunderden het klooster en hoopten in de tombes kostbare juwelen te vinden. Waarschijnlijk vonden ze niets, maar ze vernietigden wel waardevol cultureel erfgoed.

Graftombe van Koningin Beatrix van Castilië.

In het rechter dwarsschip bevindt zich, net om de hoek, het koninklijke Pantheon uit de achttiende eeuw. Hier staan ook de graftombes van twee koninginnen van Portugal, Urraca (1187-1220) en Beatrix van Castilië (1244-1304). Zij waren getrouwd met respectievelijk de koningen Afonso II (regeerperiode: 1212-1223) en III (regeerperiode: 1248-1279), die eveneens hier in Alcobaça begraven zijn. Hun tombes vindt u in de buurt van de graftombe van Koning Pedro in het zuidelijke dwarsschip, en wel in de Kapel van Sint Bernardus. Het Pantheon is wederom bewijs voor de nauwe banden tussen de kerk en het klooster enerzijds en de vroege koningen en koninginnen van Portugal anderzijds.

Kruisgangen en klooster

Koning Afonso III werd in 1279 opgevolgd door zijn zoon Dinis (Dionysius). Koning Dinis I zou Portugal de eerstvolgende 46 jaar regeren, een uitzonderlijk lange regering voor een middeleeuwse monarch. In de vroege veertiende eeuw liet hij het Klooster van de Stilte – Claustro do Silêncio – aan de kerk toevoegen. Daarmee verving hij een eerder klooster dat in verval was geraakt.

De bouw van het nieuwe klooster begon in 1308 onder auspiciën van de Portugese architect Domingos Domingues. U kunt de kloostergangen bereiken via de Sala dos Reis, de Zaal van de Koningen. In deze ruimte staan beelden van klei van verschillende Portugese koningen, in de zeventiende en achttiende eeuw gemaakt door de monniken. De zaal is verder versierd met azulejos waarop de geschiedenis van Alcobaça wordt verteld.

Claustro do Silêncio.

In de vroege zestiende eeuw werd een verdieping in Manuelstijl aan het Claustro do Silêncio toegevoegd. Voor dit project was Koning Manuel I (regeerperiode: 1495-1521) verantwoordelijk. In de achttiende eeuw werd ten slotte een tweede klooster achter het eerste gebouwd. Bezoekers kunnen het alleen van boven bewonderen; wij mochten het althans niet betreden. Andere delen van het kloostercomplex zijn wel toegankelijk, bijvoorbeeld de kapittelzaal, de refter, de slaapvertrekken en de keuken met de enorme schoorsteen. Overigens moet opgemerkt worden dat het complex niet meer als klooster in gebruik is. Alle religieuze ordes in Portugal werden namelijk in 1834 ontbonden. Alcobaça is tegenwoordig slechts een toeristische trekpleister, maar dan wel een waar Portugal trots op mag zijn.

Tweede klooster.

Voordat we Alcobaça bezochten, hadden we ten westen van het complex al een heuvel gezien met daarop de ruïne van een of ander middeleeuws gebouw. In het stadje zagen we verschillende bordjes die de weg naar een “castelo” wezen en we namen aan dat dit verwees naar de ruïne op de heuvel. Hoewel het die dag erg warm was, besloten we de heuvel te beklimmen. En we werden beloond, want de heuvel bood een schitterend panoramisch uitzicht op het hele Alcobaça-complex.

Panoramisch uitzicht op het Alcobaça-complex.

Na van het uitzicht te hebben genoten en vele foto’s te hebben genomen, gingen we weer naar beneden. Het was tijd voor een bezoekje aan een crêperie, die heerlijke pannenkoeken en roomijs serveerde.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.