Portugal: Tomar

Kasteel van de Tempeliers.

Onze reisgids bevatte een bijzonder aantrekkelijke beschrijving van Tomar: een pittoresk stadje in de schaduw van een kruisvaarderskasteel en een klooster op een heuvel. Aangezien zowel het Convento de Christo als het Castelo dos Templários op de UNESCO-lijst van werelderfgoed staan, besloten we de auto te pakken voor een twee uur durende rit naar Tomar. Het eerste deel van de rit ging over landweggetjes die overdag heel bekoorlijk waren, maar waar je op de terugweg in het donker werkelijk geen hand voor ogen kon zien. Op een punt ging de weg net zo steil naar beneden als het spannendste stuk van een achtbaan… Het tweede gedeelte van de rit ging over de uitstekende snelwegen die Portugal rijk is. Deze tolwegen verkeren in prima staat en zijn relatief goedkoop.

We besloten de auto bij het treinstation te parkeren. Het was een zaterdag en het werd ons al snel duidelijk dat Tomar, een stadje met een bevolking van zo’n 20.000 zielen, relaxed en rustig is, maar beslist niet saai. Bij het station zijn veel parkeermogelijkheden en parkeren is hier gratis. Vanaf het parkeerterrein is het maar een kleine wandeling naar het belangrijkste plein van Tomar, de Praça da República. Hier vindt u de São João Baptista, een kerk uit de vijftiende eeuw met een interessante toren en een rijkelijk versierd portaal. Voor de kerk is op het plein een twintigste-eeuws standbeeld geplaatst van Gualdim Pais (1118-1195), de stichter van Tomar als stad.

De Tempeliers en de Orde van Christus

Standbeeld van Gualdim Pais.

Gualdim Pais was een Tempelier en diende als Grootmeester van de Portugese tak van de Orde van de Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo, zoals de Tempeliers voluit heetten. In 1160 stichtte hij het Castelo dos Templários en twee jaar later het stadje Tomar. Het Castelo diende als grensverdediging in de oorlog tegen de Moren, waarin de Tempeliers een actieve rol speelden. Later verloor het kasteel echter zijn strategische functie, simpelweg omdat het front zich verder naar het zuiden verplaatste.

In de vroege veertiende eeuw waren de Tempeliers zo rijk en machtig geworden dat de Franse koning Filips de Schone ze als een ernstige bedreiging zag. Filips had de steun van Paus Clemens V, een Fransman die oorspronkelijk Raymond Bertrand de Got heette. In 1307 besloot de Franse koning de Tempeliers uit te schakelen en liet velen van hen arresteren. Grootmeester Jacques de Molay werd in 1314 op de brandstapel gezet. Toevalligerwijs (of juist niet) stierven ook de koning en de paus in 1314.

Nadat Paus Clemens hun orde in 1312 had ontbonden werden de Tempeliers overal in Europa vervolgd. Echter niet in Portugal. De Portugese koning Dinis I (Dionysius I; 1279-1325) weigerde op te treden tegen de mannen die hem zulke belangrijke diensten hadden bewezen. In plaats van hen te vervolgen besloot hij een nieuwe orde op te richten, de Orde van Christus. Dinis wist met behulp van slimme diplomatie de nieuwe Paus Johannes XXII ervan te overtuigen de nieuwe orde niet alleen te erkennen, maar tevens erin te bewilligen dat deze nagenoeg alle privileges, landerijen en andere bezittingen van de Tempeliers erfde. Al snel was de nieuwe Orde van Christus net zo machtig als de Tempeliers ooit geweest waren. Een van haar beroemdste leiders was Hendrik de Zeevaarder (1394-1460), die in 1420 tot Grootmeester werd benoemd. De Orde gebruikte haar rijkdom om ontdekkingsreizen over zee te financieren en tijdens het leven van Hendrik werden vele belangrijke expedities ondernomen. Portugese schepen voeren met het kruis van de Tempeliers op hun zeilen de wereld over, en dit symbool kan men nog altijd overal in de straten van Tomar zien.

São João Baptista.

Castelo dos Templários en Convento de Christo

De Charola.

Het oudste gedeelte van Tomar ligt op de linkeroever van de rivier de Nabão. Het is vanaf de Praça da República maar een kort en gemakkelijk stukje klimmen naar het kasteel en het klooster op de heuvel. Een kaart van het terrein nabij de ingang geeft een goed beeld van hoe de bouwwerken op de heuvel zich in de loop van verschillende eeuwen hebben ontwikkeld en hoe hun functies zijn veranderd. Oorspronkelijk stond hier een kruisvaarderskasteel met sterke muren en een centrale donjon, een van de eerste in Portugal. Vanaf de muren heeft u een prachtig uitzicht over het stadje en kunt u de Praça da República, de São João Baptista (zie hierboven) en de kerk van Santa Maria do Olival (zie hieronder) goed zien. De bezoeker komt het complex via de Porta do Sol, de Poort van de Zon, binnen en bevindt zich dan op het voormalige paradeterrein.

De kaartverkoop en de ingang van de gebouwen bevinden zich nabij de spectaculaire ronde kapel. Deze wordt de Charola of Rotunda genoemd. De kapel werd gebouwd rond dezelfde tijd als het kasteel en diende als godshuis voor de Tempeliers. Mogelijk is de Charola gebaseerd op de rotonde van de Heilig Grafkerk in Jeruzalem, net zoals bijvoorbeeld de Santo Stefano Rotondo in Rome. Aan de binnenkant is het bouwwerk achthoekig; aan de buitenkant heeft het zestien zijden en wordt het ondersteund door verschillende steunberen. De Charola kan zonder meer als het hoogtepunt van het hele complex worden beschouwd. Hoewel het bouwwerk zelf middeleeuws is, dateren de meeste decoraties uit de tijd van Koning Manuel I (1495-1521). Toen de Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo de kapel gebruikten moeten de versieringen veel soberder zijn geweest, maar nu vinden we er prachtig geschilderde religieuze voorstellingen uit het leven van Christus en vele beelden.

Interieur van de Charola, gezien vanuit het schip van de kerk.

Beschilderd interieur van de Charola.

Raam van de kapittelzaal.

Oorspronkelijk was de Charola een zelfstandige ronde kerk, maar in de vijftiende eeuw werd ze als gevolg van de bouw van een schip omgevormd tot de apsis van een nieuwe kerk. Dit schip werd in 1510 herbouwd door Koning Manuel I, en wel in de stijl die naar hem de Manuelstijl wordt genoemd.

Een spectaculair onderdeel van het exterieur van het schip, eveneens in Manuelstijl, is het raam van de kapittelzaal. Onderaan zien we het hoofd van een man, in wie meestal Diogo de Arruda (ca. 1490-1531) wordt herkend, de Portugese architect die aan de kerk werkte. Boven het raam is een Tempelierskruis geplaatst en eromheen zien we vele motieven in Manuelstijl die verwijzen naar Portugal als zeevarende natie: touwen, koralen en armillaria.

De Spaanse architect João de Castilho (1470-1552) was verantwoordelijk voor het al even spectaculaire zuidportaal van de kerk. Wederom is de decoratie in Manuelstijl en we zien prachtig gesneden beelden van de Maagd met het Kind en verschillende profeten, alsook vele Manuelmotieven.

Decoraties op het zuidportaal van de kerk.

Graftombe van Diogo da Gama.

Kloosters

De kerk wordt omringd door niet minder dan acht kloostergangen. De oudste daarvan zijn het Claustro de Lavagem en het Claustro de Cemitério. Beide dateren van de vijftiende eeuw en werden gebouwd toen Hendrik de Zeevaarder Grootmeester van de Orde was. De eerste kloostergang was tevens bedoeld voor het wassen van de pijen van de monniken; vandaar de naam Claustro de Lavagem, ‘wasklooster’. Het woord Cemitério betekent natuurlijk begraafplaats, en hier vinden we de graftombe van Diogo da Gama, broer van de beroemdere Vasco da Gama (1460-1524).

Het Claustro Principal ligt ten zuidwesten van de Charola. De bouw ervan begon in de jaren 1550 tijdens de regering van Koning João III (Johan III; 1521-1557), de zoon en opvolger van Manuel. João was een groot liefhebber van Italiaanse kunst en het klooster werd gebouwd in de Portugese renaissancestijl. Pas lang na de dood van João werd de bouw ervan afgerond. Tegen die tijd was Portugal al door Spanje veroverd en zat de Spaanse Koning Felipe II (bij ons bekend als Filips II) op de Portugese troon (de zogenaamde Iberische Unie, 1580-1640). Hij had de Italiaanse architect Filippo Terzi (1520-1597) opdracht gegeven het werk te voltooien, hetgeen Terzi in 1591 ook deed.

Het Claustro Principal.

Het leuke aan het Convento de Christo is dat de bezoeker vrij mag rondlopen over alle verdiepingen van de kloostergangen. Vanaf het dak van het Claustro Principal, dat vroeger gebruikt werd voor het drogen van honingraten, heeft men uitstekend zicht op de kerk en haar elegante pinakels. De andere kant van de kerk kan vervolgens bewonderd worden vanuit het zestiende-eeuwse Claustro de Santa Bárbara. Vele andere delen van het complex kunnen eveneens bezocht worden. Bijna nergens is de toegang versperd. U kunt rondwandelen in de refter en de keuken, in een kapittelzaal die nooit werd voltooid en in het Claustro dos Corvos, dat is verbonden met een zeventiende-eeuws aquaduct dat het complex van water voorzag, het Aquaduct van Pegões.

De kerk gezien vanaf het dak van het Claustro Principal.

Terug naar Tomar

De Santa Maria do Olival.

Tomar zelf is een klein en zeer pittoresk en vriendelijk stadje. In de buurt van het treinstation vinden we het Museu dos Fósforos. Fósforos zijn lucifers, en het museum zou zo’n 43.000 luciferdoosjes uit 104 landen in zijn bezit hebben. Aangezien we het museum niet bezocht hebben, hebben we deze bewering niet kunnen verifiëren. We wilden wel een bezoek brengen aan het kleine Joodse museum in het historische stadscentrum, maar troffen dat helaas gesloten aan. In Tomar werden de Joden oorspronkelijk gedoogd en vormden ze een belangrijke en rijke minderheid in het stadje. Uiteindelijk werden ze echter onder Manuel I en João III alsnog vervolgd, gedwongen zich te bekeren tot het christendom of verbannen.

Via de Ponte Velha, een brug uit de vijftiende eeuw, kunt u de rivier de Nabão oversteken. Als u dit doet, ziet u aan uw rechterhand de kleine Capela de Santa Iria. Volgens de overlevering was deze Santa Iria of Sint Irene van Tomar een non die in de zevende eeuw de marteldood stierf. Haar lichaam werd in de rivier gegooid en spoelde geheel ongeschonden aan bij het stadje Scalabis, zo’n 45 kilometer ten zuiden van Tomar. Dit stadje werd ter ere van haar omgedoopt tot Santarém en ik zal er later aandacht aan besteden. Ten noorden van de Capela de Santa Iria bevindt zich het Parque de Mouchão, een openbaar park met een groot waterrad. Volgens mijn reisgids zou het uit de Romeinse tijd kunnen dateren, maar hoewel de Romeinen inderdaad gebruikmaakten van waterkracht, is dit rad duidelijk veel moderner. Nabij de ingang van het park vindt u een restaurant genaamd Bela Vista. Inderdaad is het uitzicht er erg mooi, en het restaurant serveert prima eten tegen zeer redelijke prijzen.

Grafsteen van Gualdim Pais.

Verder naar het zuiden, ten oosten van de Nabão, staat de Santa Maria do Olival. Deze kerk dateert van de dertiende eeuw. Ze werd in Gotische stijl gebouwd en werd door de Tempeliers en leden van de Orde van Christus gebruikt voor religieuze diensten. Veel Tempeliers werden ook in deze kerk begraven, al zijn hun graftombes niet bewaard gebleven. In een van de kapellen van de rechter zijbeuk vinden we wel een grafsteen met de naam frater Gualdinus magister militum templi Portugal. Dit is dus de grafsteen van Gualdim Pais. Het kerkinterieur is verder allesbehalve rijkversierd; sterker nog, u vindt er vrijwel geen enkele decoratie. Wel heeft de kerk een origineel Gotisch roosvenster en ook de vrijstaande klokkentoren is interessant.

Samengevat, we hebben zeer genoten van onze trip naar Tomar. We zaten er graag twee uur voor in de auto en zullen zeker ooit nog eens terugkeren naar dit prachtige stadje.

4 Comments:

  1. Pingback:Portugal: Santarém – – Corvinus –

  2. Pingback:Portugal: Batalha – – Corvinus –

  3. Pingback:Portugal: Padrão dos Descobrimentos – – Corvinus –

  4. Pingback:Portugal: Torre de Belém – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.