Pistoia: Cappella del Tau

Cappella del Tau of kerk van Sant’Antonio Abate.

Het was niet gemakkelijk om de Cappella del Tau, ook bekend als de kerk van Sant’Antonio Abate, binnen te komen. Waarschijnlijk had het met de COVID-19-crisis te maken, want de kapel is maar klein, dus er was een reëel risico op besmettingen. Dat had gemakkelijk tot de beslissing kunnen leiden het gebouw maar helemaal dicht te gooien, maar in de zomer van 2020 was het mogelijk op een website (die inmiddels niet meer lijkt te functioneren) een telefoonnummer op te zoeken en door dat te bellen een tijdslot te reserveren. De eerste keer dat we het nummer probeerden, nam er helaas niemand op. Ook volgende pogingen bleken vruchteloos, zodat we uiteindelijk maar besloten de kapel over te slaan. Gelukkig hadden we nog een tweede bezoek aan Pistoia ingepland en ditmaal hadden we meer succes. Het lukte om (in het Italiaans, want een andere taal sprak men niet) een afspraak te maken en een tijdstip overeen te komen waarop een toezichthouder de deur zou openen. Op het afgesproken tijdstip bleken we de enige geïnteresseerden te zijn. We hadden de Cappella del Tau voor onszelf.

De heilige en de geschiedenis van de kapel

Bij de Tau, dat wil zeggen de Griekse letter T, moest ik aanvankelijk sterk denken aan Sint Franciscus van Assisi (1181-1226). Franciscus had van de Tau zijn persoonlijke symbool gemaakt. De Cappella del Tau heeft echter niets met Franciscus en zijn orde te maken, maar met een andere heilige die veel langer geleden leefde. De alternatieve naam van het gebouw, de kerk van Sant’Antonio Abate, geeft aan dat het om Sint Antonius van Egypte gaat, ook bekend als Antonius-Abt. Hij was volgens de overlevering in het jaar 251 geboren in Romeins Egypte. Zijn familie was welgesteld, maar toen hij zo’n twintig jaar oud was, overleden zijn beide ouders. Het was een keerpunt in het leven van de jonge Antonius. Hij verkocht zijn bezittingen en ging een ascetisch leven leiden. Op een gegeven moment trok hij zich terug in de woestijn. Hoewel hij zeker niet de eerste monnik was, staat hij vanwege de vele volgelingen die zich bij hem aansloten toch bekend als de vader van het kloosterleven of de vader van alle monniken. Antonius zou in 356 zijn gestorven, 105 jaar oud. Tijdens zijn leven had hij een reputatie verworven van het verrichten van wonderen en dan vooral van het genezen van zieken.

Interieur van de kapel.

In de elfde eeuw kwamen de overblijfselen van Antonius in Frankrijk terecht, waar omstreeks het jaar 1095 de Orde van Sint-Antonius werd gesticht. De monniken van deze Orde, ook wel bekend als Antonieten, droegen een Tau op hun pijen en daarmee werd deze letter het symbool van Antonius-Abt. De Antonieten richtten zich in hun hospitalen op de verzorging van de zieken – de Tau had de vorm van een medische kruk – en waren beroemd om hun behandeling van de ziekte die het Sint-Antoniusvuur werd genoemd. De wetenschappelijke naam van deze aandoening is ergotisme. Ergotisme wordt veroorzaakt door een schimmel met de naam claviceps purpurea, die vooral goed groeit op rogge. Door het eten van besmet roggebrood werden velen ziek. Wie ziek was, had vaak het gevoel van binnen in brand te staan, vandaar de naam Sint-Antoniusvuur. Erger nog was dat een zieke een reëel risico liep op gangreen en daarmee het verlies van ledematen. De Antonieten behandelden hun patiënten met een balsem op basis van varkensvet. Dit geneesmiddel werkte kennelijk dusdanig  goed dat het hun een reputatie van kundige heelmeesters bezorgde. Hun varkens, nodig voor het maken van het geneesmiddel, werden voorzien van een bel en mochten vrij rondlopen. Ook het varken en de bel gelden sindsdien als attributen van de heilige Antonius.

Hoewel ontstaan in Frankrijk, breidde de Orde van Sint-Antonius haar activiteiten ook uit naar andere landen. In 1360 kreeg een monnik genaamd Giovanni Guidotti toestemming om in Pistoia een kerkje gewijd aan Sint Antonius-Abt te bouwen en samen met het naastgelegen klooster aan de Orde te schenken. Nadat het gebouw klaar was, werd het vanaf 1372 aan de binnenkant volledig van fresco’s voorzien door de Florentijnse schilder Niccolò di Tommaso. Deze werkte uiteraard niet alleen. Aangenomen wordt dat onder meer de lokale schilder Antonio Vite hem assisteerde. Niccolò en zijn helpers leverden een werk van formaat af: werkelijk geen plekje in de kapel bleef onbedekt. Achtermuur, zijmuren, plafond, alles werd beschilderd. De Orde van Sint-Antonius bleef groeien en bloeien tot en met de vijftiende eeuw, maar raakte daarna langzaam in verval. Uitbraken van ergotisme kwamen steeds minder voor en in de zeventiende eeuw legde de Franse arts Denis Dodart (1634-1707) een verband tussen de schimmel en de aandoening. Het succes van de Orde was altijd gebaseerd geweest op behandeling van het Sint-Antoniusvuur, en met het geleidelijk aan verdwijnen daarvan was het lot van de Orde bezegeld. Eind achttiende eeuw werden de Antonieten in verschillende landen ontbonden, in Italië al in 1774.

Gevelsteen met tweemaal de letter Tau.

De ontbinding van de Orde had rampzalige gevolgen voor de Cappella del Tau. De kapel werd in verdiepingen onderverdeeld en omgebouwd tot een wooncomplex, waarbij de fresco’s zware schade opliepen. In de jaren zestig van de twintigste eeuw kwam het complex in handen van de Italiaanse staat. Bij de restauratiewerkzaamheden die toen van start gingen, werden de fresco’s herontdekt. En hoe zwaar beschadigd ze ook zijn, het blijft gaan om een unieke cyclus met een aantal zeer bijzondere voorstellingen. In het voormalige klooster naast de kapel is tegenwoordig het Museo Marino Marini gevestigd, gewijd aan het werk van de beroemde beeldhouwer Marino Marini (1901-1980), die in Pistoia was geboren. In het gebouw is een oude gevelsteen ingemetseld waarop we de letter Tau tweemaal goed kunnen zien. De steen toont ons verder het stadswapen van Pistoia, ondersteund door twee beren. Daaromheen zijn Sint-Jakobsschelpen gebeeldhouwd, die symbool staan voor Jakobus de Meerdere, de beschermheilige van de stad (zie Pistoia: De Duomo).

De fresco’s

Als gezegd zijn veel van de fresco’s helaas zwaar beschadigd. Bovendien blokkeert een aantal beeldhouwwerken van Marini waarvoor in het museum kennelijk geen plaats meer was het zicht. Niettemin valt er veel te genieten, waarbij het jammer is dat in de kapel zelf nauwelijks informatie over de voorstellingen op de muren en het plafond te vinden was. Gelukkig nam ik veel foto’s en kon ik later met behulp van Discover Pistoia en een andere Italiaanse website tamelijk goed bepalen wat ik nu eigenlijk had gezien. Tegen de achtermuur schilderden Niccolò di Tommaso en zijn assistenten een groot fresco van het Paradijs. Hiervan is zoveel verdwenen dat het niet echt een nadere bespreking waard is. Dat geldt wel voor de fresco’s op de drie kruisgewelven, waarop voorstellingen uit het Bijbelboek Genesis te zien zijn. De voorstellingen uit het Oude Testament worden voortgezet in de lunetten van de muren. In de vlakken daaronder zijn verhalen uit het leven van Christus geschilderd, met daaronder weer verhalen uit het leven van Antonius-Abt. Deze folder geeft een goed idee van wat er te zien is.

Voorstellingen uit Genesis.

Adam en Eva verleid door de slang en vervolgens verbannen uit het Paradijs.

De voorstellingen op de kruisgewelven beginnen met de schepping van Hemel en Aarde, van de dieren en van de mens en zijn vrouw, oftewel Adam en Eva. Op het volgende kruisgewelf waarschuwt God Adam en Eva niet te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Verleid door een slang met mensenkop doen Adam en Eva toch wat hen verboden was, met als gevolg dat beiden uit het Paradijs verbannen worden en de aarde moeten gaan bewerken. Op het derde kruisgewelf zijn hun zonen Kaïn en Abel geboren. De eerste wordt landbouwer, de tweede herder. Als de twee broers tegelijkertijd iets offeren aan God heeft die alleen oog voor het offer van Abel. Dit leidt tot de bekende broedermoord van Kaïn op Abel. Kaïn moet zich daarop verantwoorden tegenover God, die hem tot een bestaan van dolen en dwalen veroordeelt. Tevens wordt Kaïn gemerkt met een teken, want hij mag niet worden gedood. Sterker nog, als iemand hem doodt, zal dat zevenmaal gewroken worden (Genesis 4:15).

De laatste twee voorstellingen op het derde kruisgewelf zijn heel bijzonder. Ze zijn namelijk maar gedeeltelijk op de canonieke Bijbeltekst gebaseerd. Dat geldt zeker voor de eerste voorstelling. We zien op de achtergrond daarvan hoe Kaïn een stad bouwt, die hij vernoemt naar zijn zoon Henoch (Genesis 4:17). Op de voorgrond speelt zich een veel heftigere scène af. Een stokoude bebaarde man zit op zijn knieën in het struikgewas, terwijl een iets jongere, maar nog steeds oud ogende man met een boog hem onder schot neemt. De tweede man wordt vastgehouden door een jongetje. De meest overtuigende interpretatie is dat we hier zien hoe Kaïn, de man in het struikgewas, aan zijn einde komt. De man met de boog is zijn nazaat Lamech. Omdat Lamech blind is, moet het jongetje hem helpen bij het boogschieten. Uiteraard was het niet de bedoeling Kaïn te doden: God had dat immers verboden. Maar het jongetje – soms geïdentificeerd als Tubal-Kaïn (Genesis 4:22) – meende een dier in het struikgewas te hebben gezien, waarop Lamech met hulp van het jongetje een pijl op Kaïn afvuurt. Daarna doodt Lamech ook de knaap (links).

Lamech doodt Kaïn.

De laatste voorstelling is gebaseerd op Genesis 6:4. We zien er de giganten of reuzen, de kinderen van de zonen van de goden en de dochters van de mensen. De Bijbel bevat geen enkele informatie over hoe deze giganten eruitzagen, dus Niccolò di Tommaso kon zijn eigen fantasie gebruiken. Hij beeldde ze af als halfnaakte wildemannen, slechts gekleed in een lendendoek en gewapend met een knots. Links heeft een gigant een man gedood en diens dochter gekidnapt. Mogelijk heeft hij ook diens vee gestolen, want uiterst links is een kudde te zien. De andere gebeurtenissen op het fresco zijn lastiger te interpreteren. Rechts kijkt een gigant toen terwijl een man en een vrouw aan het werk zijn. Ze lijken graan te zeven. Misschien zijn ze door de gigant tot slaaf gemaakt? Bovenin zien we een huis waarvoor drie mensen zitten te werken, zo te zien een vrouw en twee mannen. Ik krijg het idee dat ze kleding en schoeisel vervaardigen. Sowieso vormen de beschaafde mensen van het fresco een scherp contrast met de barbarij van de giganten.

Giganten.

In de lunetten van de muren zien we een keur aan figuren uit het Oude Testament, onder wie Noach, Abraham, Sara, Lot, Isaak, Rebekka, Esau en Jakob. Het is wel bijzonder spijtig dat veel van de in totaal veertien voorstellingen ernstig beschadigd zijn. De fresco’s achter in de kapel, in de buurt van het fresco van het Paradijs, zijn nog het best bewaard gebleven. Onder de verhalencyclus uit het Oude Testament begint een reeks fresco’s over het leven van Christus. Deze zijn goed gedaan en zeker interessant, maar toch minder spectaculair dan de fresco’s met verhalen uit het Oude Testament. Bijzonder is wel dat we tussen de voorstellingen een afbeelding van de Navicella (‘kleine boot’) of Bark van Petrus vinden. De voorstelling is ontleend aan Mattheus 14:22-14:33, waar we lezen hoe de discipelen in hun boot op een meer in de problemen zijn geraakt. Jezus loopt dan over het water naar hen toe, waarop ook Petrus over water blijkt te kunnen lopen, tenminste zolang hij niet aan Jezus twijfelt. Als hij dat toch doet, zinkt hij en grijpt Jezus hem vast. Dat moment is hier in de kapel afgebeeld, al is Jezus vrijwel geheel verdwenen.

Navicella of Bark van Petrus.

Bisschop Athanasius (met de witte mijter).

Onder de verhalen uit het leven van Christus kunnen we ten slotte verhalen uit het leven van Sint Antonius bewonderen. We zien hoe hij zijn bezittingen weggeeft aan de armen en vervolgens een klooster ontvlucht om in de woestijn te gaan leven. Ook is een wonder geschilderd waarbij Antonius de tonnen terugkrijgt waarin hij een deel van zijn erfenis had gestopt en die hij in zee had gegooid. Antonius leeft in de woestijn en ontmoet zijn generatiegenoot Paulus van Thebe, een bekende kluizenaar. Paulus overlijdt (omstreeks 341) en tien jaar later overlijdt ook Antonius. Dan verschijnt een nieuwe figuur ten tonele: Athanasius, tussen 328 en 373 patriarch van Alexandrië. Hij zou een invloedrijke biografie over Antonius schrijven. In de frescocyclus zien we hem onder meer met monniken aan de maaltijd zitten en voor een groep dieren staan. De suggestie is dat zij weten waar Antonius begraven is. De volgende voorstellingen zijn mede door beschadigingen minder duidelijk, maar ze gaan over de vondst van de overblijfselen van de heiligen en het overbrengen daarvan naar Frankrijk (in de echte wereld ging dit vermoedelijk via eerst Alexandrië en vervolgens Constantinopel).

In de laatste twee voorstellingen staan de Antonieten en hun werk voor de zieken centraal. We zien allereerst een religieuze bijeenkomst voor een kerk. Drie mannen knielen voor een altaar met daarop vermoedelijk de relikwieën van Antonius en rechts wordt een zieke vrouw naar voren geleid (una indemoniata volgens de hiervoor genoemde folder, een bezetene). In de laatste scène zijn monniken aan het werk. Links smeren ze een patiënt in met hun balsem op basis van varkensvet, rechts kijkt een in het rood geklede man naar een kist vol handen en voeten. Misschien zijn het als gevolg van gangreen afgestorven ledematen, maar het is ook mogelijk dat het votiefgeschenken voor de heilige Antonius zijn, als dank dat hij hun ledematen juist heeft gered (in Fátima in Portugal plegen pelgrims zulke votiefgeschenken te verbranden). Een reden om deze mogelijkheid zeer serieus te nemen is de aanwezigheid van een portret van Sint Antonius in de kapel waarin de kist staat.

Voorstelling met een bezeten vrouw (rechts).

Voorstelling met de behandeling van een zieke (links). Rechts een kist met ledematen en een kapel met een portret van Sint Antonius-Abt. Op de kapel is de letter Tau te zien.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.