Het praalgraf van Piet Hein

Het is feitelijk het eerste echte praalgraf voor een zeeheld in een Nederlandse kerk: het praalgraf van Piet Hein (1577-1629) in de Oude Kerk in Delft. Vóór het sneuvelen van Hein hadden gesneuvelde zeehelden wel monumenten toegekend gekregen, maar vergeleken met wat Admiraal Zilvervloot kreeg, stelden die niet veel voor. Men zie bijvoorbeeld het monument voor de in 1607 tegen de Spanjaarden gesneuvelde Jacob van Heemskerck in de Oude Kerk te Amsterdam. Dat is feitelijk niet meer dan een bord met een tekst en een vreselijk verweerd reliëf. Piet Hein kreeg daarentegen een praalgraf waarvan een gisant – dat wil zeggen een liggend beeldhouwwerk van de overledene – een belangrijk onderdeel is. Het monument was een werk van Pieter de Keyser (ca. 1595-1676). Een smetje was dat Piet Hein wel heel lang op het praalgraf moest wachten, al had hij daar zelf natuurlijk geen erg meer in. Voor zijn weduwe Anneke Claesdochter (ca. 1565-1640) was het veel vervelender.

Piet Hein werd in 1577 geboren in Delfshaven als zoon van een koopvaardijschipper. Hij ging al vroeg naar zee, maar reeg de pechgevallen aaneen. Tot tweemaal toe eindigde hij in Spaanse gevangenschap, terwijl hij later in zijn carrière ook nog eens dwangarbeid voor de Venetianen moest verrichten. Een tocht naar Oost-Indië was ook al geen succesverhaal: de op de Molukken gekochte kruidnagels gingen door brand verloren en de schade bedroeg een ton. Piet Hein zou pas echt naam maken toen hij in dienst trad van de West-Indische Compagnie (WIC). Die compagnie vocht in de West tegen de Spanjaarden en Portugezen – destijds verenigd in een personele unie – en viel daarbij ook de Spaanse en Portugese overzeese bezittingen aan. Hein boekte vooral successen met zijn optreden in Brazilië, al zou een permanente verovering van dit gebied op de Portugezen pas na zijn dood geëffectueerd worden.

Het bekendste wapenfeit van Piet Hein was natuurlijk de verovering van de Zilvervloot in de Baai van Matanzas (Cuba) op 9 september 1628. Feitelijk viel niet de hele Zilvervloot in Nederlandse handen: Hein veroverde een deel van de zogenaamde Sint-Jansvloot, die zilver uit Honduras en Mexico vervoerde. Het succes was er niet minder groot om: de waarde van de buit bedroeg 11,5 miljoen gulden. Na aftrek van kosten was de nettowinst 7 miljoen gulden. Tot zover niets dan tevreden gespin, maar de thuisreis was moeizaam, de WIC en de Staten-Generaal kibbelden over wie het succes mocht claimen, de verdeling van de buit verliep stroef en Hein werd zelfs bedreigd door ontevreden zeelieden. Zelf werd hij bepaald niet rijk van de verovering van de Zilvervloot, al was natuurlijk zijn naam voor eeuwig gevestigd. Piet Hein besloot uiteindelijk de WIC te verlaten en liet zich benoemen tot luitenant-admiraal van Holland. Op 29 mei 1629 ging hij met het schip De Groene Draeck op missie tegen de Duinkerker kapers. Bij Kaap Gris-Nez aan het Nauw van Calais kwam het op 17 juni tot een gewapend treffen met drie kaperschepen uit Oostende, waarbij de luitenant-admiraal sneuvelde.

Gisant van Piet Hein.

Piet Hein kreeg op 4 juli 1629 een grootse uitvaart in zijn woonplaats Delft: in de begrafenisstoet liepen meer dan duizend verwanten en hoogwaardigheidsbekleders mee.[1] Met de bouw van het praalgraf schoot het echter voor geen meter op. De Staten-Generaal lieten de zaak over aan de Rotterdamse admiraliteit en het gemeentebestuur van Delft, en zo gebeurde er langere tijd niets. Anneke Claesdochter was al behoorlijk op leeftijd – ze was zo’n twaalf jaar ouder dan haar man – en ze dreigde in 1635 van ellende om zelf maar een grafmonument te laten bouwen. Het dreigement had gelukkig succes. In januari 1637 werd er 6.000 gulden beschikbaar gesteld vanuit de kas van de Delftse kamer van de VOC, waarna de bouw van het praalgraf onder leiding van Pieter de Keyser kon beginnen. Pas in de zomer van 1638 was het (vermoedelijk) gereed. Anneke Claesdochter overleed in 1640 en kon dus nog enige tijd van het monument voor haar gesneuvelde echtgenoot genieten.

Gisant van Piet Hein.

Het meest opvallende onderdeel van het grafmonument is toch de gisant. Dat type beeldhouwwerk was al eerder toegepast voor bijvoorbeeld overleden edellieden (zoals Willem van Oranje), maar nog niet voor een admiraal. De gisant van Piet Hein ligt op een matras van stro en is gekleed in volle wapenrusting. Links van hem ligt zijn helm, waarop zijn linkerhand rust. Achter de gisant zien we een epitaaf met een lange tekst in het Latijn. Hierin worden de roemrijke daden van Petrus Heinius bezongen. Opmerkelijk is dat de overledene een ‘nieuwe argonaut’ (NOVUS ARGONAUTA) wordt genoemd, die het ‘gulden vlies van de koning van Spanje’ naar de Republiek overbracht. Nu was er wel wat goud aan boord van de Zilvervloot, maar de hoofdmoot was toch echt 177.000 pond zilver. Verder is opvallend dat de Latijnse tekst afsluit met een regel in het Grieks. In vertaling luidt die dat het niet schandelijk is te sterven, maar wel om op schandelijke wijze te sterven. Ten slotte is het opvallend dat een reliëf met het treffen bij Kaap Gris-Nez ontbreekt. Mogelijk komt dat omdat er geen prent of tekening van dat treffen voorhanden was. Een andere reden kan zijn dat het eigenlijk maar een onbenullig zeeslagje betrof. Piet Hein had dikke pech gehad, niet voor het eerst in zijn leven.

Dit is deel 6 in de serie ‘Grafmonumenten’.

Noot

[1] Zie voor het navolgende Ronald Prud’homme van Reine, Zeehelden, p. 55-58.

One Comment:

  1. Pingback:Het grafmonument van Jacob van Heemskerck – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.