De Bacchanalia: Het Jaar 186 BCE

Samenvatting

  • De consuls Spurius Postumius Albinus en Quintus Marcius Philippus onderdrukken de Bacchanalia in Rome en de rest van Italië;
  • De Senaat neemt het Senatus consultum de Bacchanalibus aan, op grond waarvan alleen nog maar onder strenge voorwaarden Bacchanalia mogen plaatsvinden;
  • De consul Quintus Marcius Philippus lijdt een zware nederlaag tegen de Ligurische Apuani;
  • De Romeinen behalen in Spanje zeges op de Keltiberiërs en de Lusitani, maar de dood van de propraetor van Hispania Ulterior, Gaius Atinius, gooit roet in het eten.

Dit jaar kregen de Romeinen te maken met problemen in Spanje, waar de Keltiberiërs en Lusitani de wapens hadden opgenomen en Romeinse bondgenoten hadden aangevallen in de twee provincies, Hispania Citerior en Hispania Ulterior. Een tweede uitdaging was het feit dat een groep Kelten de Alpen was overgestoken en de streek was binnengetrokken waar de Veneti woonden, een volk dat vriendschappelijke betrekkingen met Rome onderhield (zie 225 BCE). De Kelten namen er land in bezit en probeerden een stad te stichten in de buurt van waar later het Romeinse Aquileia zou verrijzen. De Romeinen stuurden gezanten naar de andere kant van de Alpen om in hun oorspronkelijke thuisland navraag te doen naar de motieven van deze Kelten. De grootste problemen die de Romeinen dit jaar moesten oplossen, speelden zich echter in Rome zelf af. Beide consuls, Spurius Postumius Albinus en Quintus Marcius Philippus, waren nauw betrokken bij het onderdrukken van ‘een samenzwering in het hart van de staat’, zoals de geschiedschrijver Livius het formuleert. Ik doel natuurlijk op de onderdrukking van de Bacchanalia, de geheimzinnige religieuze bijeenkomsten voor de Grieks-Romeinse god van de wijn, Bacchus. Vooraanstaande Romeinen meenden dat deze bijeenkomsten een corrumperende invloed hadden, vooral op jonge mannen. Een en ander leidde tot een reactie van de magistraten en de Senaat die snel, meedogenloos en vastberaden was.

De Bacchanalia

De Romeinen waren doorgaans relatief tolerant ten opzichte van buitenlandse religieuze invloeden. Het Romeinse pantheon was groot, en er lijkt altijd nog wel ruimte te zijn geweest voor een paar extra goden. Sterker nog, nog maar 18 jaar geleden hadden de Romeinen een nieuwe godin uit Frygië geïmporteerd, te weten Cybele of Magna Mater (de Grote Moeder). De heilige steen die de godin voorstelde was toen opgehaald uit haar heiligdom in Pessinus en deze missie was actief gesteund door de staat. Tegelijkertijd hadden de autoriteiten er wel voor gezorgd dat de priesters van de Grote Moeder altijd buitenlanders waren – Frygische eunuchen die Galli werden genoemd – en geen Romeinen. De Bacchanalia kregen echter een totaal andere behandeling. Waarschijnlijk zorgde een combinatie van factoren ervoor dat de Romeinse elite de cultus van Bacchus als een bedreiging voor en samenzwering tegen de staat zelf zag. Ik zal deze factoren hieronder bespreken.

Druivenoogst.

De Bacchuscultus – gebaseerd op die van de Griekse god Dionysos – was enkele decennia eerder in Italië geïntroduceerd, waarschijnlijk via de Griekse kolonies in het zuiden van het schiereiland. Stilletjes had de cultus zich ook in Rome genesteld, waar hij nauwelijks opviel vanwege de enorme omvang van de stad. Spoedig begonnen er echter verhalen de ronde te doen over de geheime bijeenkomsten die de aanhangers van de cultus midden in de nacht hielden, over de grote hoeveelheden wijn die daarbij geconsumeerd werden en over de extatische en seksueel getinte rituelen die daarbij uitgevoerd werden. Waarschijnlijk begrepen de Romeinen veel van de rituelen gewoon verkeerd omdat ze niet bekend waren met de precieze aard en betekenis ervan. De geruchten werden echter uiterst serieus genomen, omdat men geloofde dat de rituelen konden leiden tot onzedelijke uitspattingen en zelfs tot moord. De Romeinse achterdocht werd alleen maar sterker door het feit dat de Bacchuscultus een mysteriecultus van buitenlandse oorsprong was, alleen toegankelijk voor ingewijden. Ook het feit dat mannen en vrouwen deelnamen aan gemengde ceremoniën en dat deze in het geheim plaatsvonden terwijl alle andere mensen lagen te slapen, hielp niet bepaald mee.

Volgens Livius was de felle reactie tegen de cultus het gevolg van de verklaringen van twee mensen. Een van hen was Publius Aebutius, de zoon van een Romeinse ridder (eques). De ander was een vrijgelaten vrouw genaamd Hispala Faecinia. Zij was zowel een prostituee als de geliefde van Aebutius. Hispala had in hoogsteigen persoon de Bacchische rituelen meegemaakt. Toen ze nog een slavin was, was ze samen met haar meesteres bij de ceremoniën aanwezig geweest en beiden waren in de cultus ingewijd. Hispala had haar geliefde gewaarschuwd zich niet bij de cultus aan te sluiten, en toen hij gehoor had gegeven aan die waarschuwing hadden zijn moeder en stiefvader – die wél wilden dat hij zich liet inwijden – hem het huis uit getrapt. Aebutius had daarop de consul Postumius verteld wat er gebeurd was en die had zelf vervolgens weer Hispala als getuige gehoord. Door de vrouw zwaar onder druk te zetten had hij haar laten bekennen wat er allemaal gebeurde tijdens de nachtelijke rituelen in het zogenaamde ‘bos van Stimula’, een heilige plek tussen de rivier de Tiber en de Aventijn die misschien vernoemd was naar de Romeinse tegenhanger van Semele, de moeder van Dionysos.

Overblijfselen van de Tempel van Bellona.

Na haar getuigenis te hebben aangehoord stelde Postumius de zaak aan de orde in de Senaat. De Senaatszitting vond op 7 oktober volgens de Romeinse kalender plaats in de Tempel van Bellona. De senatoren schrokken enorm van wat ze hoorden en gaven de consuls direct de opdracht een onderzoek in te stellen naar de Bacchanalia, en dan niet alleen in Rome, maar in heel Italië. De consuls gaven op hun beurt de curulische aedielen de opdracht de priesters van de cultus op te sporen en te arresteren. De plebejische aedielen moesten ervoor zorgen dat er overdag geen openbare rituelen meer plaatsvonden en lagere magistraten die bekendstonden als de triumviri capitales kregen de taak te voorkomen dat er nog nachtelijke bijeenkomsten werden gehouden. De consul Postumius sprak zelf het Romeinse volk vanaf de Rostra toe. Als gevolg van zijn speech werd het volk bang en zelfs ronduit hysterisch. Heel Rome was nu in de ban van de vermeende ‘samenzwering’, waarbij meer dan 7.000 mannen en vrouwen betrokken zouden zijn. De kopstukken werden snel aangehouden, net als een groot aantal van hun volgelingen. Livius beweert dat er meer mensen werden geëxecuteerd dan er in de gevangenis werden gegooid, maar we kunnen het precieze aantal arrestaties en terechtstellingen nu niet meer vaststellen.

Samenvattend kunnen we concluderen dat verschillende factoren een rol speelden bij de Romeinse beslissing om de Bacchanalia te onderdrukken. Sociaal conservatisme, xenofobie en weerzin tegen buitenlandse invloeden op de Romeinse cultuur en godsdienst waren relevant, maar van veel groter belang was waarschijnlijk het feit dat de Bacchuscultus een mysteriecultus was. De bijeenkomsten vonden in het geheim plaats en alleen ingewijden konden eraan deelnemen. Dit betekende aan de ene kant dat de Romeinse autoriteiten geen controle op de rituelen konden uitoefenen en aan de andere kant dat er al snel roddelpraatjes gingen circuleren over wat er allemaal wel niet zou gebeuren tijdens de nachtelijke ceremoniën. De Romeinen waren vooral bang dat de Bacchanalia een corrumperende invloed op de jeugd zouden hebben, waarbij meespeelde dat er verhalen de ronde deden dat alleen mannen en vrouwen van onder de twintig zich mochten aansluiten bij de cultus. Jonge, dienstplichtige mannen vormden de ruggengraat van de Romeinse samenleving en van het Romeinse leger. En dat is de reden dat deze vermeende corrumperende invloed zo gevaarlijk werd geacht.

Pentheus wordt verscheurd tijdens de Bacchanalia (fresco in Pompeii).

Bij het voorgaande moet wel worden aangetekend dat de Bacchuscultus niet helemaal werd uitgeroeid. Het relevante Senaatsbesluit – het Senatus consultum de Bacchanalibus – is bewaard gebleven en toont aan dat de rituelen nog onder specifieke voorwaarden door mochten gaan. Deelnemers aan de cultus moesten bij de praetor urbanus kennisgeving doen van ieder voornemen een religieuze ceremonie te houden. Deze praetor moest de Senaat raadplegen, die een besluit moest nemen tijdens een zitting waarbij ten minste 100 senatoren aanwezig waren. Alleen kleine ceremoniën met niet meer dan twee mannen en drie vrouwen waren nog toegestaan en niemand mocht optreden als priester (sacerdos) of voorganger (magister). Ook het hebben van een gemeenschappelijke kas was verboden. Op overtreding van het Senaatsbesluit stond de doodstraf. Al met al kan de Romeinse reactie op de Bacchanalia worden gezien als een hardhandige poging de Bacchuscultus onder overheidstoezicht te brengen. Het harde optreden van de autoriteiten was beslist zonder precedent.

Militaire operaties

De consul Quintus Marcius Philippus had een groot gedeelte van zijn ambtstermijn nodig om de Bacchanalia te onderdrukken, met als gevolg dat hij dit jaar pas laat in zijn provincie Ligurië aankwam. Er was nog maar weinig tijd over voor een veldtocht tegen de Apuani en toen de consul toch een militaire operatie begon, eindigde die in een fiasco. In een nauwe bergpas werden Philippus en zijn manschappen omsingeld en vernietigend verslagen. De Romeinen verloren misschien wel 4.000 man en diverse standaards. Livius beweert dat de pas waar het leger van de consul was verpletterd voortaan de Saltus Marcius werd genoemd, de ‘Marciaanse pas’.

Kaart van Noord-Italië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0)

Dit jaar behaalden de Romeinen in Spanje wisselende resultaten. De propraetor van Hispania Ulterior, Gaius Atinius, behaalde een klinkende zege op de Lusitani en belegerde vervolgens een bolwerk genaamd Hasta. Die naam betekent ‘speer’ in het Latijn, maar waarschijnlijk verwijst hij naar een Keltisch woord voor een heuvel (vgl. Asti in Piëmont, Italië). De precieze locatie van het bolwerk is niet bekend, maar de Lusitani boden slechts weinig verzet. De enige ernstige tegenslag voor de Romeinen was de dood van de propraetor zelf. Atinius was zo onvoorzichtig geweest te dicht bij de vijandelijke verdedigingswerken te komen en was toen dodelijk gewond geraakt door een projectiel. Gelukkig voor de Romeinen behaalde de gouverneur van Hispania Citerior, Lucius Manlius Acidinus, een schitterende overwinning op de Keltiberiërs. Nadat een eerste treffen onbeslist was geëindigd, werd een tweede veldslag geleverd in de buurt van Calagurris (het huidige Calahorra in Noord-Spanje). En hoewel de we verliezen die Livius noemt wel als overdrijvingen mogen beschouwen – er zouden 12.000 Keltiberiërs gedood zijn en nog eens 2.000 gevangen genomen – eindigde deze tweede slag zeker in een beslissende Romeinse overwinning.

Bronnen

Primaire bronnen

3 Comments:

  1. Pingback:Aquileia: Overblijfselen van een Romeinse stad – – Corvinus –

  2. Pingback:De Dood van Scipio en Hannibal: Het Jaar 183 BCE – – Corvinus –

  3. Pingback:Aquileia: Het Jaar 181 BCE – – Corvinus –

Leave a Reply

Your e-mail address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.