Rome: Il Gesù

Il Gesù.

De Santissimo Nome di Gesù all’Argentina – door vrijwel iedereen gewoon Il Gesù genoemd – is de moederkerk van de Orde van de Jezuïeten. Hoewel de Orde al in 1534 werd gesticht en zes jaar later pauselijke goedkeuring kreeg, duurde het nog tot 2013 voordat ze zelf een paus voor de Rooms-Katholieke Kerk mocht leveren. In dat jaar werd Jorge Mario Bergoglio (geboren in 1936) tot Paus Franciscus gekozen. De kerk van Il Gesù is bijzonder groot en haar ontwerp was eeuwenlang zeer invloedrijk. Een bezoek is dan ook zeker de moeite waard, maar plan dit wel laat in de middag. De kerk wordt namelijk nog altijd actief gebruikt voor de mis, die meerdere malen per dag gevierd wordt. Voordat we de kerk en haar kunstschatten nader gaan bekijken, zal ik eerst wat meer vertellen over de Jezuïeten en hun grondlegger, Sint Ignatius van Loyola (1491-1556).

De Jezuïeten

Ignatius van Loyola was het dertiende en laatste kind van een Baskische edelman. Net als veel andere familieleden koos hij voor een carrière als soldaat. In 1521 was hij betrokken bij een oorlog tussen het Koninkrijk Navarra, gesteund door Frankrijk, en Spanje. Terwijl hij vocht in dienst van Antonio Manrique de Lara, de tweede Hertog van Nájera, werd de 29-jarige Ignatius geraakt door een Franse kanonskogel, die zijn beide benen verbrijzelde. Aangezien de geneeskunde op het slagveld in die tijd nog beroerd was, had hij gemakkelijk aan een infectie kunnen overlijden. Met enig geluk zou hij blijven leven, maar wel voor de rest van zijn leven invalide zijn. Ignatius had echter uitzonderlijk veel geluk. Om zijn botten beter te laten genezen besloten de artsen een van zijn benen opnieuw te breken. Uiteraard deden ze dat zonder enige vorm van verdoving, dus Ignatius moet tijdens de behandeling helse pijnen hebben doorstaan. Maar hij herstelde, werd een vrome katholiek en leefde nog 35 jaar verder. Deze 35 jaar waren van uitzonderlijk groot belang voor de Rooms-Katholieke Kerk en de beweging van de Contrareformatie.

Sint Ignatius vermorzelt Ketterij.

Toen zijn militaire carrière ten einde was gekomen, wijdde Ignatius zich geheel aan de godsdienst. In 1534 stichtte hij tijdens zijn studie in Parijs de Compañia de Jesús, de Compagnie van Jezus. Het woord ‘compagnie’ heeft duidelijk militaire connotaties en vloeide ongetwijfeld voort uit Ignatius’ eigen achtergrond als soldaat. Er kon ook geen enkele twijfel bestaan dat Ignatius een militante religieuze orde had gesticht, die zich ten doel had gesteld de Nieuwe Wereld tot het katholicisme te bekeren en die daarnaast het protestantisme in Europa zou bestrijden. Het woord ‘compagnie’ werd in het Latijn vertaald als societas, vandaar dat we in het Nederlands spreken van de Sociëteit van Jezus. Een van Ignatius’ medeoprichters was Francisco de Jasso y Azpilicueta, die we beter kennen als Franciscus Xaverius (1506-1552).

In 1540 werd de nieuwe Jezuïetenorde goedgekeurd door Paus Paulus III (1534-1549) en een jaar later legden Ignatius en zijn metgezellen hun publieke geloften af in een kapel van de kerk van San Paolo fuori le Mura. In 1542 namen de Jezuïeten hun intrek in een huis dicht bij de kleine kerk van Santa Maria della Strada. In deze kerk stond een beroemd middeleeuws icoon, de Madonna della Strada. In 1550 werd de kerk aan hen geschonken. Helaas was de Santa Maria della Strada gewoon te klein voor een orde die gestaag doorgroeide, en dus besloten de Jezuïeten in de buurt een veel grotere kerk te laten verrijzen. Daarmee neemt de geschiedenis van Il Gesù, moederkerk van de Jezuïetenorde, een aanvang.

De bouw van de Gesù

De eerste twee pogingen om een nieuwe kerk te bouwen, in 1550-1551 en 1554, liepen op een grote mislukking uit. De Jezuïeten waren zo arm als de kerkratten en de gemeentelijke autoriteiten keurden het kerkontwerp af. Ignatius van Loyola stierf in 1556, dus hij leefde niet lang genoeg om de voltooiing van de eerste echte Jezuïetenkerk in Rome mee te kunnen maken. Pas in 1565 werd een derde poging gedaan om een kerk te laten verrijzen. De Jezuïeten hadden een rijke Mecenas gevonden in de persoon van kardinaal Alessandro Farnese (1520-1589), de kleinzoon van de paus die hun orde had goedgekeurd, en in 1568 kon de bouw van de Gesù dan eindelijk beginnen. De verantwoordelijk architect was Giacomo Barozzi da Vignola (1507-1573), die bij de bouw samenwerkte met de huisarchitect van de Jezuïeten, Giovanni Tristano (gestorven in 1575). Anders dan Tristano was Vignola een briljante architect, maar in 1571 begon zijn gezondheid achteruit te gaan, wat hem dwong te stoppen met het project. Twee jaar later stierf hij. Zo rond 1571 was een groot deel van de kerk al voltooid. Giacomo della Porta (1532-1602) nam het stokje over van Vignola en voltooide de koepel, het koor en – het allerbelangrijkst – de gevel. Toen Tristano in 1575 kwam te overlijden werd zijn plek ingenomen door Giovanni de Rosis (1538-1610). Ook hij was een huisarchitect van de Jezuïeten die grotendeels in de vergetelheid is geraakt.

Interieur van de Gesù.

De kerk van Il Gesù werd in 1584 voltooid en gewijd, al staat op de gevel van Della Porta het jaar 1575 vermeld (MDLXXV). Deze gevel is immens en in haar geheel gemaakt van travertijn. Boven de hoofdingang zien we de letters IHS, het symbool van de Jezuïetenorde en een verwijzing naar de eerste drie letters van de naam van Jezus in het Grieks: Jota, Èta, Sigma, IHSOUS. De Jezuïeten waren zeker niet de eersten die deze drie letters gebruikten. De Franciscaanse prediker Sint Bernardinus van Siena (1380-1444) was hen voorgegaan en had een symbool ontworpen dat bestond uit de drie genoemde letters omringd door een vlammende zon (zie Siena: Palazzo Pubblico en Museo Civico). Ongetwijfeld ontleenden de Jezuïeten inspiratie aan deze creatie, waaraan ze drie nagels van de Kruisiging toevoegden. Houd in uw achterhoofd dat de letters IHS uit het Griekse alfabet komen en niet uit het Latijnse. Iedere verklaring van de afkorting waarbij Latijnse woorden worden gebruikt is dus fout. IHS is niet de afkorting van ‘In Hoc Signo’ (een verwijzing naar het visioen dat keizer Constantijn zou hebben gehad); de verklaring dat de letters staan voor ‘Iesuiti habent satis’ (‘de Jezuïeten hebben meer dan genoeg’) is weliswaar grappig, maar nog steeds onjuist.

De Apotheose van Sint Ignatius – Il Baciccia.

De gevel is maar spaarzaam versierd. We zien de naam van de eerdergenoemde kardinaal Alessandro Farnese, een heleboel zuilen en twee nissen met beelden die Sint Ignatius (links) en Sint Franciscus Xaverius (rechts) voorstellen. De eerstgenoemde vermorzelt Ketterij onder zijn hiel (zie de afbeelding hierboven). Ketterij is kennelijk een vrouw: let op de nogal opvallende borst. De vrouw is waarschijnlijk gebaseerd op het Griekse monster Medusa: haar haar lijkt op een bundel slangen. Aan de andere kant vertrappelt Franciscus Xaverius Heidendom, vertegenwoordigd door een man.

De Gesù werd hét grote voorbeeld voor andere Jezuïetenkerken overal ter wereld. Als we de kerk binnengaan, zien we een enorme open ruimte, want de kerk is eenbeukig. Met een diepte van zo’n 75 meter is het gebouw duidelijk bedoeld om grote mensenmassa’s een plek te bieden. De Jezuïeten wilden dat de kerkgangers aandachtig luisterden naar de priesters die hun preken hielden en dat ze hun volle aandacht hadden bij de viering van de mis bij het hoogaltaar. Ze hadden daarom geen behoefte aan zijbeuken met onhandige zuilen die alleen maar het zicht zouden blokkeren. Koorhekken en kooromheiningen zijn eveneens afwezig. Mensen die een kerkdienst bijwonen kunnen daardoor het hoogaltaar en de preekstoelen aan de zijkant zien waar ze ook zitten of staan. De kerk heeft elf gelijkvormige kapellen. Twee daarvan – de meest spectaculaire – vindt men aan de beide uiteinden van het dwarsschip. Ik zal ze hieronder bespreken. In de kapellen vinden we interessante werken van kunstenaars als Agostino Ciampelli (1565-1630), Federico Zuccari (ca. 1540-1609), Niccolò Circignani (Il Pomarancio; ca. 1530-1597) en Francesco Bassano de Jongere (1549-1592).

Il Baciccia

De Triomf van de Naam van Jezus – Il Baciccia.

Ondanks dat deze kunstenaars zeker talent hadden, heeft geen van hen echt zijn stempel op de Gesù kunnen drukken. Er zijn slechts twee kunstenaars die dat wel van zichzelf kunnen zeggen: Giovanni Battista Gaulli, bijgenaamd Il Baciccia (1639-1709), en de Jezuïtische schilder en architect Andrea Pozzo (1642-1709). Zij maakten van de kerk van Il Gesù een echte Barokkerk en het zijn hun decoraties die het huidige kerkinterieur domineren. Deze decoraties zijn zelfs dusdanig verbluffend dat men bijna zou vergeten dat grote delen van de kerk oorspronkelijk slechts spaarzaam versierd waren. Dat was precies hoe de soldaat Sint Ignatius het gewild zou hebben: simpel en streng, ja zelfs Spartaans. Waarschijnlijk had hij in dit opzicht dezelfde opvattingen als zijn bijna-tijdgenoot Sint Filippo Neri (1515-1595), wiens Chiesa Nuova ook pas na zijn dood van extravagante decoraties werd voorzien. In het geval van de kerk van Il Gesù werd de beslissing om het kerkinterieur te verfraaien met prachtige fresco’s en schitterend beeldhouwwerk ongetwijfeld ingegeven door de heiligverklaring van Sint Ignatius in 1622 (al leidde dit in de eerste plaats tot de bouw van de kerk van Sant’Ignazio di Loyola, die slechts 300 meter ten noorden van de Gesù staat). De man die verantwoordelijk was voor de heiligverklaring van Ignatius was Paus Gregorius XV (1621-1623), een paus die zijn opleiding had genoten aan het Jezuïetencollege in Rome.

Il Baciccia werd duidelijk geïnspireerd door Bernini en schilderde Barokfresco’s voor het plafond van het schip, de pendentieven van de koepel, de binnenkant van de koepel zelf, de schelp van de apsis en de Kapel van Sint Ignatius. Zijn plafondfresco is werkelijk adembenemend, met spectaculaire trompe-l’oeil-effecten. De beheerders van de kerk hebben spiegels neergezet zodat bezoekers de kleine details beter kunnen zien vanaf de grond (men kan natuurlijk ook een verrekijker meenemen). Het fresco werd geschilderd tussen 1670 en 1683 en stelt de Triomf van de Naam van Jezus voor. Wederom zien we de letters IHS, en wel met een kruis dat een goddelijk wit licht uitstraalt. De gezegenden worden, ondersteund door wolken, door het licht aangetrokken. Onderaan de schildering worden de verdoemden juist afgestoten: zij storten te pletter. Het gebruik van perspectief is zeer indrukwekkend en het lijkt er echt op alsof de arme drommels op ons afkomen. Il Baciccia zou later een soortgelijk fresco schilderen voor de kerk van de Santi Apostoli. Zijn Triomf van de Franciscanen komt echter niet eens in de buurt van zijn fresco in de Gesù. De engelen van stucwerk rondom het fresco werden gemaakt door Antonio Raggi (1624-1686) en Leonardo Retti (gestorven in 1714).

Il Baciccia’s fresco aan de binnenzijde van de koepel is al even indrukwekkend. Het stelt het Paradijs voor en geeft toeschouwers echt het idee dat ze een kijkje in de hemel kunnen nemen. Let op de Duif van de Heilige Geest in het midden. Op de pendentieven zien we profeten, evangelisten en kerkvaders. Het fresco in de schelp van de apsis stelt de Aanbidding van het Lam Gods voor. Het staat buiten kijf dat het een goed werk is, maar het verbleekt enigszins bij de andere fresco’s van Gaulli.

Het Paradijs – Il Baciccia.

Kapel van Sint Franciscus Xaverius.

De Kapellen van Sint Ignatius en Sint Franciscus Xaverius

Toen Ignatius van Loyola in 1556 stierf, had de Orde van de Jezuïeten slechts 958 leden. Zeventig jaar later, kort na de heiligverklaring van Ignatius, waren het er al omstreeks 15.000.[1] De zeventiende eeuw zou de Gouden Eeuw van de Jezuïeten worden. Aan het einde van die eeuw werd besloten de twee kapellen aan het einde van het dwarsschip te verbouwen. Oorspronkelijk waren deze gewijd aan de Wederopstanding (de kapel rechts) en het Kruis (de kapel links). Ze werden nu herwijd aan Franciscus Xaverius (eveneens in 1622 heilig verklaard) en aan Ignatius van Loyola.

Het lijdt geen twijfel dat de Kapel van Franciscus Xaverius werd ontworpen door Pietro da Cortona (1596-1669), maar de verbouwing begon pas na diens dood en wie als architect optrad, lijkt onbekend te zijn. We weten wel wie het altaarstuk met de dood van Franciscus schilderde: dat was Carlo Maratta (1625-1713). Anders dan Ignatius, die in Europa bleef, reisde Franciscus naar Azië om daar het katholieke geloof te verspreiden. Begin december 1552 stierf hij op het eiland Shangchuan voor de kust van China, ten westen van Hong Kong en Macau. Het reliëf boven het altaarstuk stelt zijn apotheose voor. Vergeleken met de Kapel van Sint Ignatius aan de andere kant is deze kapel wellicht wat teleurstellend, maar ze is van groot religieus belang vanwege de aanwezigheid van een relikwie, te weten een arm van Sint Franciscus (overigens heeft de huidige Paus, ondanks het feit dat hij een Jezuïet is, zichzelf naar Franciscus van Assisi vernoemd, en niet naar Franciscus Xaverius).

Kapel van Sint Ignatius van Loyola.

Laten we onze aandacht nu richten op de andere kapel, die tussen 1695/1696 en 1699/1700 werd ingericht door Andrea Pozzo (1642-1709). Pozzo was verantwoordelijk voor het algehele ontwerp, maar delegeerde uiteraard ook werkzaamheden aan anderen. Sterker nog, er waren meer dan 100 kunstenaars bij het project betrokken en het zou onmogelijk zijn deze allemaal op te noemen. Vermoedelijk schilderde Pozzo het altaarstuk in de kapel zelf. Het is zeker geen meesterwerk, maar het mechanisme erachter is ingenieus. Dat zorgt ervoor dat iedere dag om 17:30 uur het schilderij omlaag gaat en een beeld van Sint Ignatius dat erachter staat zichtbaar wordt (hier kan men zien hoe dat in z’n werk gaat). Het originele beeld werd in 1697-1698 gemaakt door de Franse beeldhouwer Pierre Legros de Jongere (1666-1719). Dat beeld, gemaakt van zilver en verguld koper, is verloren gegaan; Paus Pius VI (1775-1799) liet het omsmelten om zijn oorlogsschuld aan het Frankrijk van de Revolutie te kunnen betalen. Het nieuwe beeld werd in 1804 gemaakt door een kunstenaar uit het atelier van Antonio Canova.

Andere hoogtepunten in de kapel zijn het plafondfresco en de grote beeldengroepen aan weerszijden van het altaar. Het fresco is wederom van Il Baciccia en het stelt de Apotheose van Sint Ignatius voor (zie de afbeelding hierboven). De beeldengroep rechts stelt de Triomf van Religie over Ketterij voor en is gemaakt door wederom Pierre Legros de Jongere. Religie is hier een vrouw met een brandende toorts en een kruis. De twee ketters zijn waarschijnlijk protestanten en ze hebben geen schijn van kans tegen haar. De onderste ketter, die bijna van de verhoging valt, lijkt ook nog eens te worstelen met een slang. Let ook op het cherubijntje links dat pagina’s uit een boek scheurt. Het boek bevat ongetwijfeld ketterse gedachten. De beeldengroep aan de andere kant is van Jean-Baptiste Théodon (1645-1713). Deze laat ons zien hoe Geloof triomfeert over Afgoderij. Een barbaarse koning (let op de kroon) kijkt omhoog naar de personificatie van Geloof, die met haar voet op een drakenkop lijkt te staan. Afgoderij houdt de arm van de koning vast, maar tevergeefs. Hij is niet meer in haar geïnteresseerd.

De Triomf van Geloof over Afgoderij / De Triomf van Religie over Ketterij.

Herfsttij, ondergang en wederopstanding

Buste van Sint Robertus Bellarminus – Bernini.

In 1749 had de Orde van Jezuïeten 22.500 leden en was zij extreem invloedrijk. Hun invloed had de Jezuïeten echter ook vele vijanden bezorgd. Ze werden gezien als arrogante intellectuelen die waren betrokken bij allerhande intriges. In veel katholieke landen beheersten ze grotendeels het onderwijssysteem omdat ze nagenoeg een monopolie op scholen hadden. Hun tegenstanders zagen daar grote gevaren in. In Portugal nam de machtige Markies van Pombal het tegen de Jezuïeten op en in Frankrijk konden ze op een toenemende haat rekenen. Dat had te maken met de felle anti-pauselijke sentimenten in het land: de Jezuïeten werden gezien als de trouwste verdedigers van de Paus. In 1764 onderdrukte Koning Lodewijk XV van Frankrijk de Jezuïeten en in 1767 verbande Koning Karel III van Spanje alle Jezuïeten uit zijn land. Onder enorme druk van de katholieke monarchen van Europa had Paus Clemens XIV (1769-1774) uiteindelijk geen andere keuze dan de Jezuïetenorde te ontbinden, hetgeen hij in 1773 deed. Het is zeer ironisch te noemen dat het juist Clemens (zelf een Franciscaan) was die de orde ontbond, want een kleine dertig jaar eerder had hij nog een boek over Sint Ignatius geschreven. In 1814 werd de ontbinding door een bul van Paus Pius VII (1800-1823) weer ongedaan gemaakt.

Als gevolg van de ontbinding raakten de Jezuïeten de Gesù, hun moederkerk, kwijt. Gelukkig kregen ze haar in 1814 terug. Tussen 1834 en 1843 werd het koor van Gesù verbouwd, hetgeen verklaart waarom de stijl hier eerder Neoclassicistisch dan Barok is. De verantwoordelijk architect was Antonio Sarti (1797-1880). Net als bij de hierboven besproken Kapel van Sint Ignatius kan men het altaarstuk laten zakken om een beeld erachter zichtbaar te maken. Helaas leidde de verbouwing van het koor ook tot het verlies van een monument voor de grote Jezuïetentheoloog San Roberto Bellarmino (Robertus Bellarminus; 1542-1621). Onderdeel van het monument was een buste van Bellarmino door de grote beeldhouwer en architect Gian Lorenzo Bernini (1598-1680). Gelukkig is deze buste bewaard gebleven. Men vindt het kunstwerk boven de linker deur in de apsis.

Bronnen

  • Capitool Reisgidsen Rome, 2009, p. 114-115;
  • John Julius Norwich, De Pausen, Hoofdstuk XXII;
  • Luc Verhuyck, SPQR. Anekdotische reisgids voor Rome, p. 93-96;
  • Robert Hughes, De zeven levens van Rome, p. 324-331;
  • Il Gesù op Churches of Rome Wiki.

Noot

[1] Robert Hughes, De Zeven Levens van Rome, p. 328.

One Comment:

  1. Pingback:Rome: Sant’Ignazio di Loyola – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.