De vergaderzaal van de Eerste Kamer (deel 1)

De vergaderzaal van de Eerste Kamer.

Tussen 1849 en 2021 vergaderde de Eerste Kamer der Staten-Generaal in de voormalige vergaderzaal van de Staten van Holland en West-Friesland. Deze zaal werd tussen 1651 en 1655 gebouwd door de architect Pieter Post (1608-1669). De bouw vond plaats tijdens het zogenaamde Eerste Stadhouderloze Tijdperk, en om de triomf van het burgerbestuur over de Oranjes nog eens luister bij te zetten werd een stukje van het stadhouderlijk kwartier ingepikt. Johan de Witt (1625-1672), destijds pensionaris van Dordrecht, leidde de commissie die Post zijn opdracht gaf. Volgens historicus Luc Panhuysen was het zijn idee om een gedeelte van het stadhouderlijk kwartier te annexeren waar Mary Stuart (1631-1660), de weduwe van stadhouder Willem II, haar vertrekken had. “De uitbreiding van de zaal van de Hollandse Staten ten koste van de prinses was symbolisch voor de machtsverschuiving”, aldus Panhuysen.[1]

Inrichting van de vergaderzaal

Dat dat grote vergaderzaal in 1655 gereedkwam, staat niet ter discussie. Dit jaartal staat buiten de zaal vermeld boven de hoofdingang en in de zaal boven de beide schoorsteenstukken (in Latijnse cijfers: MDCLV). Pieter Post was bekend met de omgeving van het Binnenhof. Eerder al assisteerde hij Jacob van Campen bij de bouw van het net buiten dat Binnenhof gelegen Mauritshuis (1633-1644). Daarna bouwde hij voor stadhouder Frederik Hendrik en zijn gemalin Amalia van Solms het beroemde paleis Huis ten Bosch (1645-1652), en vervolgens ook nog het Johan de Witt-huis aan de Kneuterdijk (1653-1655).

Hoofdingang van de vergaderzaal, met het jaartal MDCLV (1655) in het fronton.

De vergaderzaal van de Staten van Holland en West-Friesland was dus in 1655 gereed, maar de ‘Edel Groot Mogende Heren’ namen de zaal pas in 1666 in gebruik. Dat kwam omdat in 1655 alleen het casco gereed was: de zaal moest nog geheel worden ingericht. Allereerst werd in 1657 besloten dat er wandtapijten nodig waren, want de akoestiek in de zaal was niet goed. Natuurlijk moesten die wandtapijten er ook een beetje leuk uitzien. De opdracht werd verstrekt aan de Delftse tapijtwever Maximiliaan van der Gucht (1603-1689), die de gevraagde tapijten in 1662 opleverde. In 1663 werden ze aan de wanden bevestigd. Aangenomen wordt dat Pieter Post zelf de ontwerpen voor de tapijten maakte. Helaas kennen we ze alleen van prenten, want in de Franse tijd zijn ze spoorloos verdwenen. Op de tapijten was een landschap met ruïnes afgebeeld. In de boogvelden waren toeschouwers te zien, die als het ware het debat volgden. De huidige wandtapijten dateren van 1994-1995.

Eveneens verdwenen is de grote vergadertuin die in de zaal stond en die in 1665 werd besteld. Dit was een omheind vierkant waarbinnen de tafels, stoelen en banken waren opgesteld die de vertegenwoordigers van de ridderschap en van de 18 Hollandse en West-Friese steden gebruikten tijdens de vergaderingen. De vergaderopstelling leek in niets op de huidige opstelling van de vergaderbankjes van de Eerste Kamerleden. Die staan tegenover elkaar (zoals in het Britse Lagerhuis), maar de opstelling gehanteerd door de Staten van Holland en West-Friesland was veel ingewikkelder. De ridderschap had een eigen tafel, waaraan ook de raadpensionaris (vanaf 1653 de al genoemde Johan de Witt) plaatsnam. De afgezanten van de steden zaten langs de wanden, maar ook op een soort tribune van drie rijen achter in de vergadertuin. Voor de tribune zaten de Gecommitteerde Raden, de leden van het uitvoerend orgaan van de Staten (zie ook de Noenzaal van de Eerste Kamer). Als ‘Hollands eerste stad’ mocht Dordrecht altijd als eerste spreken tijdens de vergaderingen, ook al was een stad als Amsterdam inmiddels veel belangrijker.

Allegorie op de Oorlog van Jan Lievens (1664). Daarboven weer het jaartal MDCLV (1655).

De schoorsteenmantels in de zaal werden ontworpen door Pieter Post en gemaakt door Pieter Roman (1607-1670), een beeldhouwer en houtsnijder die oorspronkelijk uit Middelburg afkomstig was. De schoorsteenstukken met de Allegorieën op de Oorlog en de Vrede werden geschilderd door respectievelijk Jan Lievens (1607-1674) en Adriaen Hanneman (1604-1671). Deze schilderijen komen later nog ter sprake. Ik richt me nu op het schitterende houten plafond van de zaal, dat tussen 1663 en 1665 werd beschilderd door Andries de Haen (gestorven 1677) en Nicolaes Wielingh (ook wel Willingh; 1640-1678). De twee schilders waren schoonvader en schoonzoon: de dochter van Andries, Maria, was getrouwd met Nicolaes. Het ontwerp van de plafondschilderingen was wederom van Pieter Post zelf.

De plafondschilderingen

De opvallendste elementen van de plafondschilderingen zijn de acht medaillons waardoor vertegenwoordigers van vreemde volkeren naar binnen kijken, met hun vingers wijzen en nieuwsgierig de vergaderingen volgen, destijds die van de Staten, en tot en met 2021 die van de Eerste Kamer.[2] Deze toeschouwers sloten mooi aan bij de hierboven reeds vermelde toeschouwers die op de wandtapijten in de boogvelden waren afgebeeld (sinds 1849 zien we acht raadpensionarissen in deze boogvelden). De decoraties in de vergaderzaal waren duidelijk als één geheel ontworpen. Echte toeschouwers ontbraken overigens, want de vergaderingen vonden achter gesloten deuren plaats.

Het beschilderde plafond van de vergaderzaal.

Welke volkeren zijn er in de acht medaillons afgebeeld? Ze zijn niet van bijschriften voorzien, dus het is enigszins gissen en proberen conclusies te trekken aan de hand van de geschilderde kleding. Of die kleding helemaal accuraat is weergegeven, is moeilijk te zeggen, want het staat vast dat De Haen en Wielingh niet even naar de betrokken gebieden konden afreizen om ter plekke onderzoek te doen. Googelen behoorde ook nog niet tot de mogelijkheden, dus ze zullen zich op in die tijd beschikbare voorbeelden hebben gebaseerd. De historicus en jurist Jacob de Riemer (1676-1762) sprak in zijn Beschrijving van ‘s-Graven-hage van “Allerhande natien en volkeren van de vier bekende deelen der werreld”.[3] Dat lijkt aardig te kloppen, want afgaande op de kleding en hoofddeksels zien we volkeren uit het noorden, oosten, zuiden en westen. En om maar meteen een misverstand uit de wereld te helpen: het gaat geenszins om door de Nederlanders onderworpen volkeren. Iedere vergelijking met het beruchte paneel van de Gouden Koets gaat dus mank. Het betreft hier veeleer de volkeren waarmee de Republiek diplomatieke en handelsbetrekkingen had aangeknoopt. Het zou natuurlijk ook wel heel vreemd zijn als de ‘Edel Groot Mogende Heren’ ermee zouden hebben ingestemd dat onderworpen volkeren op hen neerkeken!

Vertegenwoordigers van het Ottomaanse Rijk (vermoedelijk).

Met het voorgaande is nog niet de vraag beantwoord welke volkeren er dan zijn afgebeeld. Met de nodige slagen om de arm kunnen we daar uitspraken over doen. De figuren met de tulbanden boven het rostrum (de tafel waaraan de Voorzitter en de Griffier zitten) zijn ongetwijfeld Turken, met rechts van hen mogelijk een Hongaar. Zij zijn dus vertegenwoordigers van het machtige Ottomaanse Rijk, dat heerste over Turkije, grote delen van de Balkan (en sinds 1526 Hongarije), het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Dankzij Cornelius Haga (1578-1658) had de Republiek sinds 1612 formele handelscontacten met de Ottomanen. In dat jaar waren de Nederlanders formeel voor de Turken gecapituleerd, en op grond van deze overgave mochten ze in het oostelijke Middellandse Zeegebied handel drijven. In 1625 werd hiervoor de Directie van de Levantse Handel en Navigatie op de Middellandse Zee opgericht, een handelsonderneming die pas in 1826 werd opgeheven en daarmee langer heeft bestaan dan de veel bekendere VOC. Vooral de handelsvloot die op Smyrna (het huidige Izmir in West-Turkije) voer, bracht veel geld in het laatje.

Daarvoor was natuurlijk wel vereist dat de koopvaarders veilig terug in Nederlandse havens konden komen. Dat gold ook voor Nederlandse schepen die op Italiaanse havens voeren, bijvoorbeeld op Genua of de vrijhaven van Livorno. Op basis van de capitulatie van 1612 verwachtte de Republiek dat de Ottomaanse sultan er het nodige aan zou doen om de activiteiten van de Noord-Afrikaanse kapers in de Middellandse Zee te beteugelen. De kapersnesten Tripoli, Tunis en Algiers vielen sinds de zestiende eeuw immers formeel onder het Ottomaanse Rijk. In de praktijk trokken de plaatselijke heersers zich echter weinig aan van wat de sultan wilde. De kapers bleven Nederlandse schepen buitmaken, waarbij het hen vooral om de bemanningen te doen was. De bemanningsleden werden gevangen genomen en tot slaaf gemaakt. Deze christenslaven konden vervolgens voor forse bedragen worden vrijgekocht. Dat Algiers zich tot de welvarendste stad van Noord-Afrika kon ontwikkelen, was dan ook hoofdzakelijk te danken aan de lucratieve kaapvaart en slavenhandel. Men gaat ervan uit dat in Algiers en in de rest van Algerije 740.000-760.000 Europese christenslaven hebben vastgezeten, onder wie zo’n 7.000 Nederlanders.[4]

Vertegenwoordigers van het Perzische Rijk van de dynastie van de Safawieden (mogelijk).

Twee figuren in het medaillon links van de Turken dragen eveneens tulbanden. Het is echter niet zo logisch om aan te nemen dat De Haen en Wielingh tweemaal vertegenwoordigers van het Ottomaanse Rijk hebben geschilderd. Arnold Ising (1824-1898), bekend van Het Binnenhof te ’s Gravenhage, meende eind negentiende eeuw in de figuren Perzen en Mongolen te herkennen. Dat het om de Perzen gaat, is helemaal geen gekke gedachte, want het Perzische Rijk van de dynastie van de Safawieden gold als de grote rivaal van het Ottomaanse Rijk (de Mongolen speelden in de zeventiende eeuw geen rol van betekenis meer). In 1603-1612, 1615-1618 en 1623-1639 vochten de Ottomanen en Safawieden gewapende conflicten uit om de controle over onder meer het huidige Irak. Deze oorlogen hadden ook een religieuze dimensie, want de Ottomanen waren soennieten, terwijl de Safawieden voor de sjiitische vorm van de islam hadden gekozen. Ongetwijfeld was Pieter Post van deze oorlogen op de hoogte toen hij het plafond ontwierp.

Bij het voorgaande is ook nog van belang dat de VOC in de zeventiende en eerste helft van de achttiende eeuw in Perzië actief was. Sjah Abbas I de Grote (1586-1628) stond de VOC in 1623 namelijk toe om handelsposten in zijn rijk te stichten. Aan zijn hof was ook een Nederlander actief, een zekere Jan Lucasz. van Hasselt. Deze was eigenlijk kunstschilder en fungeerde ook als een soort hofschilder, maar bemiddelde tevens in de relaties tussen Nederlanders en Perzen. Ook de lakenkoopman Pieter van den Broecke (1585-1640) speelde een rol in Perzië. Op een zeventiende-eeuwse prent naar een geschilderd portret van Frans Hals wordt hij aangeduid als ‘eerste Directeur van Suratte [in India], Persiën en Arabiën’. In Perzië bestond grote interesse in producten die de VOC vanuit het Verre Oosten haalde, terwijl de Nederlanders op hun beurt zeer geïnteresseerd waren in Perzische zijde. De bloeiende handel met dit deel van de wereld kan een goede reden zijn geweest om de Perzen op de plafondschilderingen op te nemen.

Verder naar deel 2.

Dit is deel 5 in de serie over de Eerste Kamer vóór de renovatie van het Binnenhof.

Noten

[1] Luc Panhuysen, De Ware Vrijheid, p. 117.

[2] En tot 1975 ook die van provinciale staten van Zuid-Holland, waarmee de Eerste Kamer de zaal moest delen.

[3] Geciteerd in Marion Bolten, Huis van de Senaat, p. 152.

[4] Dick Harrison, De geschiedenis van de slavernij, p. 159; Christenslaven. De Slavernij-Ervaringen Van Cornelis Stout In Algiers (1678-1680) En Maria Ter Meetelen In Marokko (1731-1743), p. 12.

3 Comments:

  1. Pingback:De vergaderzaal van de Eerste Kamer (deel 2) – – Corvinus –

  2. Pingback:De vergaderzaal van de Eerste Kamer (deel 3) – – Corvinus –

  3. Pingback:De Noenzaal van de Eerste Kamer – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.