Gubbio: Palazzo Ducale & Gubbio in de tijd van Giotto

Maestà di Cortona – Pietro Lorenzetti.

We hadden net ons bezoek aan de Duomo van Gubbio afgerond toen we een poster zagen waarop een interessante tentoonstelling in het voormalige Hertogelijk Paleis tegenover de kathedraal werd aangekondigd. De titel van de tentoonstelling was “Gubbio al tempo di Giotto. Tesori d’arte nella terra di Oderisi”, wat vertaald kan worden als “Gubbio in de tijd van Giotto. Kunstschatten in het land van Oderisi”. De schilder Giotto (ca. 1266-1337) behoeft uiteraard geen verdere introductie, maar Oderisi waarschijnlijk wel. Meestal wordt hij met zijn volledige naam Oderisi da Gubbio (ca. 1240-1299) genoemd. Hij was een uitstekende boekverluchter en miniaturist, maar zijn roem berust vooral op het feit dat hij wordt genoemd in Canto XI van de Louteringsberg van Dante. Sterker nog, nadat hij is herkend door Dante is het Oderisi die de beroemde woorden spreekt: “Cimabue meende dat hij in de schilderkunst heer en meester was, en nu is het Giotto die naam maakt en de roem van zijn voorganger weer verduistert.”[1]

De tentoonstelling werd gelijktijdig op drie locaties in Gubbio gehouden: het Palazzo Ducale, het Palazzo dei Consoli en het museum van de Diocees naast de Duomo. In totaal waren er zo’n 80 kunstwerken te zien, daterend van het einde van de dertiende tot het begin van de veertiende eeuw. Gubbio was toen een onafhankelijke commune, en voor haar was dit een gouden tijdperk van schilderkunst en beeldhouwwerk.

Het Palazzo Ducale is zelf geen product van dit gouden tijdperk. Toen Gubbio nog een onafhankelijke stadstaat was, stond op deze plek het Palazzo della Guardia, waar het stadsbestuur zetelde. Aan het einde van de veertiende eeuw werd het stadje onderdeel van het grondgebied van Urbino, dat toen werd geregeerd door Antonio II da Montefeltro (1363-1404). Het was Antonio’s kleinzoon Federico III da Montefeltro die in 1476 opdracht gaf het Palazzo Ducale te bouwen. Hij liet het oude Palazzo della Guardia verbouwen en een grote binnenplaats voor het gebouw aanleggen. Dit verklaart ook waarom er geen echt plein voor de Duomo van Gubbio ligt. Pas in 1631 eindigde de hegemonie van de Graven en Hertogen van Urbino over Gubbio. Het stadje werd toen onderdeel van de Pauselijke Staat. In 1957 kwam het palazzo uiteindelijk in handen van de Italiaanse staat.

Het Palazzo Ducale wordt tegenwoordig exclusief gebruikt voor tijdelijke tentoonstellingen. De kunst die ik in deze bijdrage bespreek, vindt men dus waarschijnlijk nu ergens anders. De tentoonstelling over Gubbio in de tijd van Giotto was niettemin erg interessant en schetste een levendig beeld van een tijdperk waarin in dit charmante Umbrische stadje de kunsten bloeiden als nooit tevoren. Een kunstenaar wiens werk een prominente plaats had gekregen, was de schilder die doorgaans de Maestro Espressionista di Santa Chiara wordt genoemd. Zoals zijn naam al aangeeft, schilderde hij fresco’s voor de kerk van Santa Chiara in Assisi. Ook de fresco’s in het onderste gedeelte van de rechter apsis in de kerk van San Francesco in Gubbio worden doorgaans aan hem toegeschreven. Vaak wordt hij, met de nodige slagen om de arm, gelijkgesteld aan Palmerino di Guido. Over zijn leven is vrijwel niets bekend, maar het is heel goed mogelijk dat hij een van Giotto’s assistenten was toen die de Basilica di San Francesco in Assisi decoreerde. De schilder Guido of Guiduccio Palmerucci was wellicht zijn zoon, maar zelfs dat weten we niet zeker.

Drieluik – Palmerino di Guido (?)

Het Palazzo Ducale had twee interessante werken tentoongesteld die worden toegeschreven aan de Maestro Espressionista di Santa Chiara. Een werk was een drieluik uit het klooster naast de Santa Chiara in Assisi (zie de afbeelding hierboven). We zien daarop in het midden een kruisigingsscène met de Maagd Maria, Johannes de Evangelist en een knielende sponsor. Op de zijluiken zijn Sint Clara en Sint Agnes van Assisi (links) en Sint Rufinus en Sint Agnes van Rome (rechts) afgebeeld. Rufinus stierf in 238 de marteldood en wordt als eerste bisschop van Assisi beschouwd (zie: Assisi: San Rufino). Sint Agnes herkennen we natuurlijk aan het lammetje dat ze in haar armen houdt. Het tweede kunstwerk was een veel groter veelluik uit het Palazzo dei Consoli. Daarop zien we een Madonna met Kind en een dozijn heiligen (zie de afbeelding hieronder).

Veelluik – Palmerino di Guido (?)

De tentoonstelling besteedde tevens de nodige aandacht aan de schilder Mello da Gubbio, die actief was tussen het tweede en het derde kwart van de veertiende eeuw. Te zien waren een crucifix uit de Duomo van Pergola (een stadje in de Marche), een veelluik uit Mamiano di Traversetolo (in de provincie Parma) en een zeer goede Madonna in Maestà of Madonna met Kind en engelen uit Gubbio’s eigen museum van de Diocees. Deze paneelschildering was eerder nog toegeschreven aan de eerdergenoemde Guido Palmerucci. Toen werd echter ontdekt dat Mello da Gubbio het werk gewoon had gesigneerd. Mello’s werk werd beïnvloed door dat van Pietro en Ambrogio Lorenzetti uit Siena, hetgeen verklaart waarom ook Pietro Lorenzetti’s Maestà di Cortona uit het Museo diocesano in Cortona, Toscane, onderdeel was van de tentoonstelling.

Madonna in Maestà – Mello da Gubbio.

Noot

[1] Vertaling: Frans van Dooren.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.