Assisi: San Rufino

De San Rufino.

Verreweg het belangrijkste voorwerp dat in de kathedraal van San Rufino in Assisi wordt bewaard is het doopvont dat werd gebruikt bij de doop van Sint Franciscus in 1181 of 1182. Het werd tevens gebruikt bij de doop van Chiara Offreduccio (ca. 1193/94-1253), de toekomstige Sint Clara van Assisi, en wellicht ook voor die van de toekomstige keizer van het Heilige Roomse Rijk, Frederick II van Hohenstaufen (1194-1250). Of het doopvont toen ook in de kathedraal stond, is een andere kwestie. Het is heel goed mogelijk dat de San Rufino op dat moment verbouwd werd en daardoor tijdelijk niet toegankelijk was. Als dat inderdaad het geval was, moet de doop in de substituut-kathedraal van Santa Maria Maggiore hebben plaatsgevonden. De Santa Maria was namelijk tot 1036 de kathedraal van Assisi. In dat jaar werd de titel van kathedraal overgenomen door de in het hogere deel van het stadje gelegen San Rufino. De huidige kathedraal is het derde gebouw op of in de buurt van deze plek. Ze is ook verreweg het grootste gebouw van de drie. De San Rufino is gewijd aan de derde-eeuwse martelaar en eerste bisschop van Assisi, Sint Rufinus. Aan hem wordt ook de bekering van de bevolking van het stadje tot het christendom toegeschreven.

Geschiedenis

De San Rufino is gebouwd op een terras uit de Romeinse tijd. De eerste kerk op deze locatie werd gebouwd op een onbekend moment tijdens de Vroege Middeleeuwen, ergens tussen de vroege vijfde en achtste eeuw. Tussen 1029 en 1036 werd dit gebouw vervangen door een nieuwe kerk. De persoon die verantwoordelijk was voor dit project was de toenmalige bisschop van Assisi, een man genaamd Ugone. Na afronding van het project werd de San Rufino de nieuwe kathedraal van het stadje. De tweede versie van de San Rufino stond niet op precies dezelfde plek als de derde en laatste versie van de kathedraal. Het lijkt erop dat de tweede versie grofweg de huidige Piazza San Rufino besloeg, het plein vóór het tegenwoordige gebouw. Dit wordt duidelijk zodra we de klokkentoren en de crypte bestuderen. De toren heeft als basis een Romeinse cisterne, en een groot deel ervan dateert van de elfde eeuw. In die tijd stond de toren naast de apsis aan de achterkant van de kerk van Ugone. Tegenwoordig staat hij juist naast de linker ingang in de gevel aan de voorkant. Wie de crypte bezoekt, kan nog steeds de apsis van Ugones kerk zien.

De San Rufino, gezien vanaf de Rocca Maggiore.

De bouw van de derde en laatste versie van de San Rufino begon in 1140. De verantwoordelijk architect was een zekere Giovanni da Gubbio. Mogelijk was hij dezelfde ‘Johannes’ die het roosvenster van de hierboven genoemde Santa Maria Maggiore ontwierp en signeerde. Het lijkt erop dat de bouw verschillende decennia in beslag nam. Aangezien de nieuwe kathedraal ook niet op de ‘voetafdruk’ van haar voorganger werd gebouwd, kwam het project in feite op nieuwbouw neer. Niettemin heeft het er alle schijn van dat de nieuwe kathedraal in 1212 al in gebruik was. In dat jaar hoorde Clara van Assisi namelijk Franciscus in de San Rufino preken, een gebeurtenis die grote invloed had op haar leven (zie Assisi: San Damiano). In 1228, minder dan twee jaar na zijn dood, werd Franciscus van Assisi al heilig verklaard door Paus Gregorius IX (1227-1241). Datzelfde jaar zegende de Paus het hoogaltaar van de San Rufino in. Het duurde vervolgens nog eens 25 jaar voordat de kathedraal ook echt voltooid was; in 1253 werd het gebouw gewijd door Paus Innocentius IV (1243-1254).

Interieur van de kathedraal.

Hoewel de San Rufino een middeleeuwse kathedraal is, is het interieur juist allesbehalve middeleeuws. Sterker nog, zodra we het gebouw binnengaan, slaan we verschillende eeuwen over en treden we een geheel nieuw tijdperk binnen. In 1571 werd de kathedraal door de architect Galeazzo Alessi (1512-1572) verbouwd in de stijl van de Late Renaissance. Alessi was eveneens verantwoordelijk voor de Basilica van Santa Maria degli Angeli. Het interieur van de San Rufino moet een van zijn laatste projecten zijn geweest, want een jaar later was hij dood. Eerlijk gezegd is het interieur van de kathedraal nogal simpel en saai. De zuilen en het plafond zijn volledig witgeschilderd en de interessantste kunstwerken zijn verschillende schilderijen van Dono Doni (ca. 1500-1575). In de eerste travee treffen we, vlak bij de rechter ingang, het hierboven reeds genoemde doopvont aan. Het doopvont zelf werd van een zuil uit de Oudheid gemaakt, maar de houten aedicula eromheen is modern. Deze werd in 1882 toegevoegd om te gedenken dat Sint Franciscus toen 700 jaar geleden was geboren.

Gevel

Veel mooier dan het interieur van de kathedraal is de gevel uit de twaalfde en dertiende eeuw. Deze is een klassiek voorbeeld van de Umbrisch-Romaanse stijl, met een paar Gotische elementen zoals de puntboog van het timpaan. De gevel bestaat uit drie lagen. De onderste laag heeft drie ingangen die allemaal prachtig gedecoreerd zijn. Vooral de centrale ingang is een kunststukje. We zien er Romaanse bogen met ingewikkelde versieringen en een lunette met daarin een prachtig gebeeldhouwd reliëf. De centrale figuur op het reliëf is een gladgeschoren Christus. Hij draagt een kroon en zit op zijn troon tussen de zon en de maan. Aan de linkerkant zien we de Madonna die het kind de borst geeft en rechts is Sint Rufinus afgebeeld. De stijl van de figuren is tamelijk apart te noemen.

Centrale ingang en rechter ingang.

De linker ingang heeft een lunette met twee leeuwen; boven de rechter zien we twee pauwen die uit een beker met levenswater drinken. Zoals we op het eiland Murano in de Venetiaanse lagune hebben gezien, staan de pauwen symbool voor onsterfelijkheid. Onder de vogels zien we nog het Lam Gods en de symbolen van de vier evangelisten: een leeuw voor Marcus, een mens voor Mattheus, een adelaar voor Johannes en een os voor Lukas. Deze symbolen keren terug op de middelste laag van de gevel: de figuurtjes zijn bevestigd rondom het grote centrale roosvenster. Dit raam wordt ondersteund door drie kleine mannetjes die op dieren staan. Aan weerszijden van het centrale raam treffen we nog een roosvenster aan, kleiner en minder uitbundig versierd.

Close-up van de lunette van de centrale ingang.

De driehoekige bovenste laag van de gevel komt boven het dak van de kathedraal uit. De grote Gotische boog doet vermoeden dat het ooit de bedoeling was deze te voorzien van een mozaïek of een groot fresco (vergelijk de San Rufino met de kathedraal van Spoleto, waarvan de gevel wél een mozaïek heeft). Vanaf de Piazza San Rufino kan men ook de stevige klokkentoren bekijken. Zoals hierboven reeds werd vermeld, vormt een Romeinse cisterne de basis van de toren. Het onderste en het middelste gedeelte werden door bisschop Ugone toegevoegd en het bovenste gedeelte dateert van de dertiende eeuw. De grote koepel van de kathedraal uit de tijd van de Renaissance is vanaf de Piazza San Rufino niet zichtbaar. De koepel is echter heel goed te zien vanaf de Rocca Maggiore of vanuit de vallei onder Assisi.

Crypte met de sarcofaag van Sint Rufinus.

Diocesaans Museum

Veel interessanter dan de kathedraal zelf is het Museo diocesano e cripta di San Rufino oftewel het museum van de Diocees. Bezoekers betalen een bescheiden toegangsprijs en mogen dan afdalen in de crypte, die ooit tot de elfde-eeuwse kathedraal van Ugone behoorde. Het eerste voorwerp dat we beneden aantreffen is een sarcofaag uit de derde eeuw met afbeeldingen die evident niet christelijk zijn. De sarcofaag vertelt het verhaal van hoe de maangodin Selene (of Diana) verliefd werd op de slapende herder Endymion. Het verhaal behoort tot de Griekse mythologie en heeft niets te maken met het christendom. Toch werd volgens de overlevering de sarcofaag gebruikt als de laatste rustplaats van Sint Rufinus, “martyrized in 238 A.D. in the Chiascio River” volgens het informatiebord in de crypte.

Via de crypte komt men in het Diocesaans Museum, dat in 1941 werd gesticht om kostbare kunstwerken uit de kathedraal zelf en andere kerken en oratoria in en rondom Assisi te bewaren en tentoon te stellen. De collectie is verspreid over twee verdiepingen en gaat terug tot de Romeinse tijd. De vondsten die tot die periode behoren, zijn te vinden in de zogenaamde Corridoio Romano, de Romeinse corridor. Als we echter via de crypte binnenkomen, zien we allereerst een ruimte die is vernoemd naar de anonieme Meester van Santa Chiara, een schilder die ook actief was in de basiliek van Santa Chiara elders in Assisi. Van deze meester kunnen we onder meer een werk bewonderen dat de Visitatie voorstelt en de ontmoeting laat zien tussen de Maagd Maria en Sint Elisabet, de moeder van Johannes de Doper. Beiden zijn op dat moment zwanger. Het fresco werd geschilderd in de tweede helft van de dertiende eeuw en was onderdeel van een frescocyclus over het Leven van de Maagd.

Visitatie – Meester van Santa Chiara.

Van iets latere datum (na 1348) is een groot fresco van de Geseling, de Kruisiging en de Kruisafneming van Christus. Oorspronkelijk bevond het zich in het oratorium van de Broederschap van San Rufinuccio. Het wordt toegeschreven aan Puccio Capanna. Puccio was een schilder uit Florence die volgens Giorgio Vasari naar Assisi kwam om de grote Giotto (ca. 1266-1337) te assisteren bij de decoratie van de basiliek van San Francesco d’Assisi. De scène met de Geseling speelt zich af voor de voormalige tempel van Minerva (of eigenlijk van Hercules) in Assisi, tegenwoordig de kerk van Santa Maria sopra Minerva. In de Kruisigingsscène zien we hoe Sint Franciscus naast Maria Magdalena knielt. De scène van de Kruisafneming aan de rechterkant is mogelijk geschilderd door een assistent van Puccio, een zekere Cecce di Saraceno.

Drie fresco’s van Puccio Capanna (boven) en twee van Pace di Bartolo (onder).

Processiebanier.

Onder het fresco van Puccio treffen nog twee scènes aan die zeker niet door hem zijn geschilderd. Ze worden toegeschreven aan Pace di Bartolo, een leerling van Giotto. Het grootste van de twee fresco’s stelt een Madonna met Kind, twee engelen en een knielende donor voor. Het kleinste is moeilijk te interpreteren, maar we kunnen nog steeds het hoofd van Christus en een engel onderscheiden.

Heel interessant is een processiebanier of gonfalon die aan een andere broederschap toebehoorde, namelijk die van Sint Franciscus van Assisi. De anonieme schilder die de banier heeft gemaakt – overigens op een houten paneel – werd beïnvloed door Giotto, maar zijn talent lijkt aanzienlijk minder groot te zijn geweest. Op de banier is Sint Franciscus op zijn troon afgebeeld, omringd door engelen die muziekinstrumenten bespelen. Bij de voeten van de heilige knielen verschillende boetvaardige mannen in zwarte habijten. Als mijn ogen me niet bedriegen, houden ze zwepen vast om zichzelf te kastijden.

Tot de interessante werken uit de vijftiende eeuw behoren drie fresco’s van Matteo da Gualdo (ca. 1468) en een veelluik van Niccolò Alunno (ca. 1462). Matteo da Gualdo (ca. 1430/35-1507) was een schilder uit het Umbrische stadje Gualdo Tadino die de genoemde drie fresco’s voor de Broederschap van het Heilige Sacrament schilderde. We zien een Madonna met Kind in het midden, aan de rechterkant Sint Franciscus van Assisi en links Sint Antonius-Abt, de zogenaamde “Vader van Alle Monniken”.

Fresco’s van Matteo da Gualdo.

Veelluik – Niccolò Alunno.

Niccolò Alunno (ca. 1430-1502) was een schilder uit Foligno. Zijn veelluik stond eerder op het hoogaltaar van de kathedraal van San Rufino. Het voormalige altaarstuk ziet er een beetje gebarsten uit, maar het is nog steeds indrukwekkend. Het toont een Madonna met Kind in het midden, met links Sint Rufinus in de kazuifel van een bisschop en een diaken, en rechts Johannes de Evangelist en een tweede diaken. De predella bestaat uit drie scènes over het martelaarschap van Rufinus. We zien hoe hij op miraculeuze wijze een beproeving in een oven overleeft, hoe zijn lichaam uit de rivier de Chiascio wordt gevist en hoe het wordt meegenomen naar Assisi om begraven te worden. Deze laatste scène, uiterst rechts, is van groot historisch belang. De scène toont namelijk hoe Assisi eruit moet hebben gezien omstreeks 1462. Gebouwen als de basiliek van San Francesco en de Rocca Maggiore zijn duidelijk zichtbaar.

Bronnen voor deze bijdrage waren onder meer mijn Dorling Kindersley en ANWB reisgidsen en het artikel over de kathedraal op het Italiaanse Wikipedia. Aanvullende informatie werd verschaft door het Diocesaans Museum.

One Comment:

  1. Pingback:Assisi: San Rufino – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.