De Vroege Republiek: de oorlogen van de vijfde eeuw BCE (deel 2)

De uitrusting van een Etruskische krijger (links) en van een hopliet (rechts).

Hoewel de Romeinen ook met andere volkeren het nodige te stellen hadden, waren gedurende de gehele vijfde eeuw BCE de Volsci en de Aequi hun gevaarlijkste vijanden. Beide volkeren woonden oorspronkelijk in het hoogland van de Apennijnen. In het laatste kwart van de zesde eeuw BCE daalden ze echter af naar de vruchtbare vlakte van Latium en probeerden ze zich daar te vestigen. Deze migratie ging gepaard met gevechten tegen de Romeinen en Latijnen, waarover we in het geval van de Volsci al lezen tijdens de regering van de laatste Romeinse koning, Tarquinius Superbus (ca. 534-509 BCE).[1] Aanvankelijk stonden de Romeinen tegenover nog een derde bergvolk, de Hernici. Na enkele nederlagen[2] besloten die laatste echter eieren voor hun geld te kiezen en werden ze bondgenoten van de Romeinen. Vanaf 474 BCE treffen we ze aan onder de hulptroepen in de Romeinse legers. Bovendien waarschuwden ze de Romeinen regelmatig als de Volsci en Aequi weer eens een offensief aan het plannen waren.[3] De gebieden van de Hernici lagen tussen die van de Volsci en Aequi in, dus wellicht werden ze tussen deze twee volkeren gemangeld en hadden ze meer voordeel van een bondgenootschap met Rome.

De dreiging van de Volsci en de Aequi

Met de woorden ‘kleinschalig’ en ‘veelvuldig’ is een goede samenvatting van de strijd tegen deze twee bergvolkeren gegeven. De Romeinse geschiedschrijver Livius sprak van een vrijwel jaarlijks terugkerende oorlog met de Volsci en Aequi, en merkte ten aanzien van de laatstgenoemden weinig complimenteus op dat deze beter in strooptochten en overvallen waren dan in formele veldslagen.[4] Inderdaad zullen de oorlogen vaak hebben bestaan uit plundertochten, waarbij vooral akkers werden platgebrand en vee werd gestolen. Toch konden beide volkeren ook steden bedreigen. In het geval van de Aequi ging het bijvoorbeeld om Praeneste, Gabii en Tusculum, terwijl in het geval van de Volsci lange tijd strijd gevoerd werd om Antium en later om Tarracinae, ook bekend als Anxur. In het licht van de dreiging van de Volsci moet ook de stichting van een aantal Romeinse en Latijnse kolonies aan het begin van de vijfde eeuw BCE worden gezien. Het ging om Signia in 495 BCE, Velitrae in 494 BCE en Norba in 492 BCE.[5]

Ondanks de Romeinse voorzorgsmaatregelen liepen de Volsci korte tijd later de oostelijke vlakte van Latium onder de voet. Volgens de overlevering stonden ze daarbij onder leiding van een Romeinse balling genaamd Gnaeus (of Gaius) Marcius Coriolanus. Hij was een patriciër die zich had onderscheiden in de strijd tegen het bergvolk en zijn bijnaam dankte aan de inname van het stadje Corioli. Na een conflict met de volkstribunen was hij in 491 BCE in ballingschap gegaan bij de Volsci, waar hij hartelijk ontvangen was door hun leider, ene Attius Tullius.[6] De Volsci onderkenden de militaire talenten van Coriolanus en stelden hem aan als medebevelhebber. Onder zijn commando werden vervolgens vele steden ingenomen. Coriolanus zou zelfs opgerukt zijn naar Rome, waar hij uiteindelijk tot inkeer werd gebracht door zijn moeder Veturia en vrouw Volumnia. Hoewel het helemaal niet ondenkbaar is dat er daadwerkelijk een Romein is overgelopen naar de Volsci en later hun troepen heeft aangevoerd, lijkt het verhaal van Coriolanus toch grotendeels verzonnen te zijn om de schaamte over de Romeinse nederlagen tegen dit volk van begin vijfde eeuw BCE te maskeren. De heldendaden van Veturia en Volumnia moesten wellicht de bouw en wijding van de tempel van Fortuna Muliebris langs de Via Latina verklaren.

Rome vecht terug

Hoewel dus getwijfeld kan worden aan de historiciteit van Coriolanus, moeten de veroveringen van de Volsci omstreeks 491-488 BCE als een feit worden beschouwd. Antium werd hun basis in de vlakte van Latium[7], en daarnaast maakten ze zich meester van een reeks andere nederzettingen. Livius noemt in dit verband Circei, Satricum, Longula, Polusca, Corioli, Mugilla, Lavinium, Corbio, Vetelia, Trebium, Labici en Pedum.[8] De lijst is in elk geval onvolledig, want ook Tarracinae/Anxur viel op enig moment in handen van de Volsci, wat alleen al blijkt uit de Volskische naam ‘Anxur’. Veel van deze steden en stadjes zullen maar kort in handen van de Volsci zijn geweest, maar dat dit volk een grote bedreiging voor de Romeinen vormde, lijdt geen enkele twijfel. Omstreeks 469 BCE hadden de Romeinen hun vijanden teruggedreven tot bij Antium. Het jaar erop werd de stad ingenomen, waarmee de Volsci hun belangrijkste basis kwijtraakten.[9] In 467 BCE werd bij Antium een Romeinse kolonie gesticht[10], maar tot een einde van de voortdurende oorlogen leidde dit vooralsnog niet. In 459 BCE kon de consul Quintus Fabius Vibulanus bijvoorbeeld nog maar net voorkomen dat de jonge kolonie in vijandelijke handen viel.[11]

Mozaïek uit Tusculum (Dionysius in India, vierde eeuw CE).

Zo rond dezelfde tijd boekten de Aequi hun belangrijkste successen. In 462 BCE verwoestten ze de akkers van Praeneste en Gabii, en bedreigden ze samen met de Volsci Tusculum en zelfs Rome.[12] De beide consuls van 462 BCE wisten hen echter te verdrijven en boekten zoveel succes dat ze volgens de Fasti Triumphales een triomftocht, respectievelijk een ovatio mochten houden. De Romeinse overwinning kon niet voorkomen dat de Aequi er drie jaar later in slaagden zich door middel van een verrassingsaanval meester te maken van de burcht van Tusculum. De banden tussen Rome en deze stad waren in die tijd erg goed: slechts een jaar eerder had de Tusculaanse dictator Lucius Mamilius de Romeinen geholpen de Capitolijnse heuvel te heroveren, die door slaven en ballingen was bezet. Nu was het de beurt aan de Romeinen om hulp te sturen. Het kamp van de Aequi buiten Tusculum werd omsingeld en de burcht belegerd. Uiteindelijk moesten de bezetters zich overgeven vanwege de honger en werden ze onder het juk door gejaagd, een oud ritueel waarmee soldaten hun krijgersstatus verloren.[13] De strijd verplaatste zicht vervolgens naar de Algidus, een bergpas in de buurt van de Mons Albanus (zie de kaart hierboven). In 458 BCE werd de consul Lucius Minucius hier omsingeld door de Aequi en kon hij nog maar ternauwernood gered worden door de beroemde Lucius Quinctius Cincinnatus, de man die achter zijn ploeg was weggerukt en tot dictator was benoemd.

Strijd in de heuvels en de vlakte

De Algidus was vaker het toneel van confrontaties tussen de Romeinen en hun bondgenoten enerzijds en de Aequi anderzijds. In 455 BCE behaalden de Romeinen hier een nieuwe overwinning, maar vijf jaar later leden ze er een smadelijke nederlaag. Het legerkamp met alle bezittingen ging toen verloren en de overlevenden moesten vluchten naar Tusculum.[14] De nederlaag was des te pijnlijker omdat in hetzelfde jaar bij Eretum een Romeins leger door de Sabijnen was verslagen (zie deel 1). In 449 BCE konden de Romeinen wraak nemen. De consul Lucius Valerius Potitus wist toen de Aequi en de Volsci die zich bij hen hadden aangesloten bij de Algidus te verslaan. Aangezien ook de Sabijnen verslagen werden, mochten zowel Potitus als zijn collega Marcus Horatius Barbatus een triomftocht houden.[15] Veel haalden de Romeinse zeges echter niet uit. In 447-446 BCE braken er nieuwe oorlogen uit en rukten de verenigde legers van de Aequi en Volsci zelfs op tot aan de poorten van Rome. Toch bestond hun offensief hoofdzakelijk uit plunderen en platbranden. Tot het belegeren van een stad als Rome, met enkele tienduizenden inwoners, waren de beide volkeren waarschijnlijk niet in staat. Na korte tijd trokken ze zich terug naar Corbio, waar ze door de consuls Titus Quinctius Capitolinus (mogelijk de broer van Cincinnatus) en Agrippa Furius werden verslagen.[16]

Bronzen speerpunt en bronzen Etruskische helm.

In 443 BCE was er sprake van een burgeroorlog in de stad Ardea, ten zuiden van Rome, waarin de Romeinen de notabelen steunden en de Aequi en Volsci het plebs. De Romeinse overwinning in het conflict leverde de consul Marcus Geganius Macerinus een triomftocht op, waarin de gevangengenomen bevelhebber van de Aequi, ene Cluilius, zou hebben meegelopen. Bij Ardea werd in 442 BCE een Latijnse kolonie gesticht, die grotendeels door niet-Romeinen zou worden bevolkt.[17] Na een decennium van relatieve rust vond vervolgens in 431 BCE een zeer bloederige confrontatie plaats bij de Algidus. Rome kampte op dat moment nog met de naweeën van een epidemie, die had geleid tot vele slachtoffers en de bouw van een tempel voor Apollo, die tevens als god van de geneeskunst gold. De Romeinen benoemden Aulus Postumius Tubertus tot dictator en gingen gesteund door Latijnen en Hernici in de inmiddels bekende bergpas de strijd aan met de Aequi en Volsci. Het gevecht dat volgde was ongekend fel. De dictator raakte gewond aan zijn schouder en de consul Titus Quinctius Capitolinus, hierboven reeds genoemd, zou een arm verloren hebben. Niettemin behaalde Rome de zege en werd vervolgens op verzoek van de Aequi voor enkele jaren een wapenstilstand gesloten.[18]

De hiervoor besproken oorlogen geven een beeld van Romeinen die hun tegenstanders langzaam maar zeker terug de heuvels in drijven en de heroverde laagvlakte proberen veilig te stellen met de stichting van Romeinse en Latijnse kolonies als die bij Antium en Ardea. Dit proces werd in het laatste kwart van de vijfde eeuw BCE voortgezet. Een nederlaag tegen de Volsci in 423 BCE leverde de consul Gaius Sempronius Atratinus enkele jaren later een zware boete van 15.000 bronzen as op.[19] Numerius Fabius Vibulanus, de consul van 421 BCE, verging het aanzienlijk beter. Hij kreeg voor een overwinning op de Aequi een ovatio toegekend. In de daaropvolgende jaren werd vooral strijd geleverd in de heuvels, bijvoorbeeld rondom kleine plaatsen als Bola, Ferentinum (dat aan de Hernici werd gegeven), Carventum, Verrugo, Artena en Ecetra. De krijgskansen wisselden nogal eens, en een zeer opvallende gebeurtenis was de steniging van de consulair krijgstribuun Postumius door zijn eigen manschappen in 414 BCE.[20]

Het huidige Terracina (foto: tittimi, CC BY 2.0).

Na het verlies van Antium was Tarracinae het belangrijkste bolwerk van de Volsci in de vlakte van Latium geworden. De stad stond, als gezegd, ook wel bekend als Anxur in de taal van de Volsci. Met het oog op de verovering van deze stad werden in 406 BCE drie van de vier consulaire krijgstribunen op de Volsci afgestuurd. Het was Numerius Fabius Ambustus die Anxur wist in te nemen, waarna de drie legers gezamenlijk de stad leegplunderden. Volgens de overlevering was de buit zo groot dat voor het eerst aan Romeinse soldaten soldij betaald kon worden.[21] Met de inname van Anxur werd zo in zekere zin de kort daarna gelanceerde oorlog tegen het Etruskische Veii, de aartsrivaal van Rome, gefinancierd. Anxur bleef niet heel lang in Romeinse handen. In 402 BCE heroverden de Volsci de stad, naar verluidt omdat de Romeinen het garnizoen van de stad verwaarloosd hadden. Twee jaar later werden de Volsci vervolgens weer verdreven, waarna Anxur onder controle van de Romeinen bleef.[22]

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Philip Matyszak, Chronicle of the Roman Republic, p. 46-65;
  • Timothy Venning, A Chronology of the Roman Empire, p. 34-56.

Noten

[1] Livius 1.53.

[2] De Fasti Triumphales noemen voor het jaar 486 BCE een triomftocht voor een zege op de Hernici, die toen nog bondgenoten van de Volsci waren.

[3] Zie onder meer Livius 2.22, 2.53, 2.64, 3.5, 3.10 en 4.26.

[4] Livius 3.15 en 3.2.

[5] Livius 2.21, 2.31 en 2.34. Bij Signia ging het om een herstichting. De kolonie bestond reeds in de Koningstijd.

[6] Livius 2.35.

[7] Timothy Venning, A Chronology of the Roman Empire, p. 45.

[8] Livius 2.39.

[9] Livius 2.63 en 2.65.

[10] Livius 3.1.

[11] Livius 3.22.

[12] Livius 3.8.

[13] Livius 3.23.

[14] Livius 3.31, 3.38 en 3.42.

[15] Livius 3.60v.

[16] Livius 3.66-3.70.

[17] Livius 4.9-4.11.

[18] Livius 4.26-4.30 en 4.35.

[19] Livius 4.37v. en 4.44. Mogelijk waren dit klompen of schijven brons. Bronzen muntgeld werd waarschijnlijk pas later ingevoerd. De Romeinen begonnen rond 268 BCE met het slaan van zilveren munten. Aan het einde van de derde eeuw BCE maakte de zilveren denarius zijn entree. De werkelijke rijkdom van een Romein lag echter in het bezit van land en vee (E.Chr.L. van der Vliet, Een geschiedenis van de klassieke Oudheid, p. 158). Vandaar dat het Latijnse woord voor vee, pecus, gerelateerd is aan het woord voor geld, pecunia.

[20] Livius 4.50.

[21] Livius 4.59.

[22] Livius 5.8 en 5.12-5.13.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.