Rome: de zogenaamde ‘tempel van Minerva Medica’ en de ‘trofeeën van Marius’

‘Tempel van Minerva Medica’.

Het komt in Rome weleens voor dat aan een gebouw of monument volledig te goeder trouw een verkeerde naam wordt toegekend. Die naam beklijft dan, ook al ziet men later in dat ze eigenlijk niet correct is. Een goed voorbeeld is de kerk van Santa Maria sopra Minerva, waarvan lang werd aangenomen dat deze werd gebouwd bovenop de restanten van een tempel gewijd aan de Romeinse godin van de wijsheid en de kunst. Ook al bleek de kerk later te zijn gebouwd op de restanten van de zuilengang waar de volksvergadering bijeenkwam (de Saepta Julia) en op een tempel voor de Hellenistisch-Egyptische goden Isis en Serapis, de naam Santa Maria sopra Minerva werd niet gewijzigd. Deze bijdrage gaat over twee andere voorbeelden, namelijk de ‘tempel van Minerva Medica’ in de buurt van het treinstation Roma Termini en de ‘trofeeën van Marius’ op de Piazza Vittorio Emanuele II daar niet ver vandaan. Het eerste gebouw is geen tempel en heeft niets met Minerva te maken, en het tweede gebouw heeft geen enkele relatie met de beroemde Romeinse veldheer Gaius Marius (157-86 BCE).

De zogenaamde ‘tempel van Minerva Medica’

Ten zuidoosten van Roma Termini staat, ingeklemd tussen de spoorbanen die het station verlaten en de Via Giovanni Giolitti, het skelet van wat ooit een imposant bouwwerk moet zijn geweest. Het tienhoekige gebouw had een diameter van zo’n 24 meter en een hoogte van 32-33 meter. Het werd aan de bovenkant afgesloten met een koepel met daarin een rond gat of oculus, net zoals het beroemde Pantheon. Bij de bouw werd gebruikgemaakt van een techniek die opus latericium wordt genoemd, en die in feite neerkomt op beton aan de binnenzijde en baksteen aan de buitenkant. Zelfs de ruïnes van het gebouw zijn nog zeer indrukwekkend, waaraan het feit dat de koepel in 1828 is ingestort en er duidelijk delen met moderne baksteen zijn gereconstrueerd niets afdoet. Helaas kunt u de ruïnes niet meer bezoeken; het terrein waarop ze staan is hermetisch afgesloten.

De ‘tempel’ aan de Via Giovanni Giolitti.

Athena Giustiniani.

De grote vraag is natuurlijk: waarvoor diende dit gebouw? Een tempel was het in elk geval niet. Het is ook niet helemaal duidelijk waar de naam ‘tempel van Minerva Medica’ vandaan komt, maar meestal wordt een verband gelegd met een passage in het werk van Cicero en de vondst van een beeld van de godin Pallas Athene, door de Romeinen gelijkgesteld aan Minerva. Nu is er in het werk De Divinatione van de grote redenaar inderdaad één enkele passage waarin de godin Minerva in verband wordt gebracht met genezing, maar een tempel wordt daar niet genoemd.[1] Het hier besproken gebouw wordt daarnaast in verband gebracht met een beroemd beeld van de godin Athene dat ook bekendstaat als de Athena Giustiniani en dat we tegenwoordig in de Vaticaanse Musea kunnen bewonderen. De godin is afgebeeld met een slang bij haar rechtervoet. En aangezien de slang weer het heilige dier is van Asclepius, de god van de geneeskunde, zou de slang hier ook met genezing te maken moeten hebben, zo was de redenering. En zo werd van Minerva Medica gesproken.

Een van de vele problemen met deze theorie is echter dat helemaal niet vaststaat dat het beeld bij de veronderstelde ‘tempel van Minerva Medica’ is gevonden. Sterker nog, volgens een rivaliserende theorie was het bij de al genoemde kerk van Santa Maria sopra Minerva. Die staat hemelsbreed bijna drie kilometer verder naar het westen. De oorspronkelijke eigenaar Vincenzo Giustiniani (1564-1637) had ons ongetwijfeld de juiste vindplaats van het Athenebeeld kunnen wijzen, maar hem kunnen we het niet meer vragen.[2] Het doet er ook niet zoveel toe, want het staat als gezegd vast dat het mysterieuze gebouw geen tempel was. Maar wat was het dan wel?

Keizer Gallienus.

Voor een antwoord op die vraag moet we eerst bezien wat voor gebied dit was in de Romeinse tijd. In periode van de Late Republiek en de vroege Keizertijd was Rome omringd door horti, wat letterlijk tuinen betekent.[3] Het ging in feite om grote landgoederen die toebehoorden aan adellijke Romeinse families. Beroemd zijn bijvoorbeeld de tuinen van de generaal en staatsman Lucius Licinius Lucullus (ca. 118-56 BCE) en die van de staatsman en geschiedschrijver Gaius Sallustius Crispus (ca. 86-35 BCE). Gaius Julius Caesar (100-44 BCE) bezat tuinen aan de overzijde van de Tiber (in het huidige Trastevere) die na zijn dood tot een openbaar park werden omgevormd. Op de Esquilijnse heuvel, waar we de restanten van de ‘tempel van Minerva Medica’ vinden, lagen eveneens tuinen. Deze behoorden waarschijnlijk al sinds de Late Republiek of vroege Keizertijd toe aan de gens Linicia. Men spreekt dan ook doorgaans van de Horti Liciniani.

Een telg van de gens Linicia die zeer graag in deze tuinen kwam, was keizer Gallienus (253-268), wiens volledige naam Publius Licinius Egnatius Gallienus was. Samen met zijn vader Valerianus had hij in het jaar 253 de macht gegrepen. Valerianus was al eerder door de troepen tot keizer uitgeroepen en benoemde vervolgens zijn zoon tot medekeizer. Gallienus zou de westelijke provincies gaan besturen en Valerianus ging naar het oosten voor een offensief tegen de Perzen. Toen de laatstgenoemde in 260 door de Perzen gevangen werd genomen, bleef Gallienus als enige keizer over. Voor een Romeinse keizer in de roerige derde eeuw zat hij behoorlijk lang op de troon, namelijk vijftien jaar. Er zijn aardig wat (Latijnse) bronnen die hem zwart maken en neerzetten als een nutteloos feestbeest, maar Gallienus lijkt een tamelijk competente keizer te zijn geweest die deed wat hij kon met de beperkte middelen die hem ter beschikking stonden. Mijns inziens behoort hij tot de meest onderschatte keizers uit de Romeinse geschiedenis. In 268 werd hij vermoord in een samenzwering van zijn eigen officieren. In de jaren voor die moord bracht hij veel tijd door in de Horti Liciniani, waar meerdere gebouwen moeten hebben gestaan, inclusief een werkpaleis. Als de keizer naar de tuinen trok, reisde het hof natuurlijk mee. We kunnen alleen maar gissen hoe groot het totale complex was.

Romeinse magistraat, misschien Quintus Aurelius Symmachus.

Het staat vast dat het hier besproken gebouw tijdens de regering van Gallienus geen deel uitmaakte van het complex. Het werd namelijk pas tussen ca. 300 en 325 gebouwd. Als gezegd was het gebouw tienzijdig. Er was een ingang in het noordwesten en vervolgens bestonden de andere negen zijden uit halfronde nissen. Licht viel binnen via tien ramen en de binnenkant moet prachtig versierd zijn geweest met marmer, mozaïeken en pleisterwerk. Tussen 325 en 350 werd het gebouw uitgebreid en werden er ruimtes aan de kant van de ingang en aan de zijkanten toegevoegd. De ‘tempel van Minerva Medica’ staat nu tamelijk geïsoleerd langs de weg, maar in de Oudheid moet dit heel anders zijn geweest. Vaak wordt het in publicaties een nymphaeum genoemd, dat wil zeggen een monument of fontein gewijd aan een nimf. Er zijn echter resten gevonden van een vloerverwarmingssysteem (hypocaustum) en van stookruimtes (praefurnia) zoals we die kennen van badencomplexen. We mogen dus niet uitsluiten dat er in het gebouw gebaad kon worden. De auteurs van de Atlas of Ancient Rome opperen een derde mogelijkheid: het gebouw was een cenatio of triclinium, oftewel een eetzaal. We kennen nog een ander voorbeeld van een mogelijke eetzaal uit de vierde eeuw, te weten de tegenwoordige kerk van Santa Balbina. Daar gaat het echter om een rechthoekige zaal met nissen aan de zijkanten.

Nymphaeum, baden of eetzaal, het is allemaal mogelijk. Ook al zijn er veel archeologische vondsten op het terrein en in de omgeving gedaan, zekerheid over de functie van het gebouw zullen we waarschijnlijk nooit krijgen. Voor die archeologische vondsten moet u vooral in het museum Centrale Montemartini aan de Via Ostiense zijn, niet ver van de basiliek van San Paolo fuori le Mura. Het museum behoort tot de Capitolijnse Musea en is, zoals de naam ook al aangeeft, gehuisvest in een oude voormalige elektriciteitscentrale. We vinden hier onder meer twee beelden van magistraten die in of in de nabijheid van de ‘tempel van Minerva Medica’ zijn opgegraven. Volgens een interessante, maar verder niet te bewijzen theorie gaat het bij de beelden om Quintus Aurelius Symmachus en zijn zoon. Symmachus was een beroemde staatsman en redenaar die eind vierde eeuw diverse publieke ambten bekleedde. Zo diende hij als stadsprefect (praefectus urbi) en in 391 als consul. In het laatstgenoemde jaar werd het christendom, dat al sinds 380 staatsgodsdienst was, de enige toegestane religie in het Romeinse Rijk. Alle traditionele culten waren sindsdien verboden. Symmachus, géén christen, had zich hier altijd tegen verzet, maar tevergeefs. De prachtige beelden van de magistraten tonen ons een oude en een jonge man. Beiden houden een mappa vast, een linnen doek die werd gebruikt bij de spelen. Als de consul de doek liet vallen, konden de spelen beginnen.

Jachtscène, vroege vierde eeuw.

Nog fraaier, en eveneens in de Centrale Montemartini, is de mozaïekvloer die in 1904 even ten noordwesten van de vermeende tempel werd gevonden bij de kerk van Santa Bibiana. Op het mozaïek zijn jachttaferelen te zien die sterk doen denken aan die van een bekende Romeinse villa in Piazza Armerina op Sicilië. Volgens het bordje in het museum zien we op de mozaïekvloer twee soorten jachttaferelen: er wordt gejaagd op dieren voor de spelen in de arena en op everzwijnen. Hoe wreed het getoonde spel ook is, de details en kleuren zijn prachtig. Zo probeert een man een beer te vangen door hem met een opgehangen ham in een krat te lokken. De man staat op de krat en is klaar om het luik te sluiten zodra de beer in de val is gelopen.

Jachtscène, vroege vierde eeuw.

De zogenaamde ‘trofeeën van Marius’

De Piazza Vittorio Emanuele II, vernoemd naar de eerste koning van het verenigde Italië, ligt iets te westen van de ‘tempel van Minerva Medica’. Het plein is nu vooral een stadspark waar mensen wandelen en kinderen spelen. De ruïne van een groot gebouw bij de westelijke ingang van het park trekt onmiddellijk de aandacht. In het Italiaans wordt de ruïne de Trofei di Mario genoemd, maar in werkelijkheid gaat het om een nymphaeum of grote fontein opgericht in de derde eeuw door keizer Severus Alexander (222-235). Op deze plek kwamen de oude Via Tiburtina en Via Labicana samen. De bouw van de grote fontein is tamelijk goed te dateren. Severus Alexander kwam in 222 aan de macht, na de moord op zijn neef Elagabalus. Het monument is afgebeeld op een gouden munt uit 226 en moet dus voor die tijd zijn voltooid. Ooit was het helemaal bekleed met marmer, maar dat is al lang geleden geplunderd. Nu zien we uitsluitend nog baksteen.

‘Trofeeën van Marius’.

Het nymphaeum van Severus Alexander is niettemin erg indrukwekkend vanwege zijn immense omvang. Het bestond uit vier bouwlagen en was aan de achterzijde aangesloten op een aftakking van een aquaduct dat de fontein van water voorzag. In de centrale nis stond een beeld van de keizer samen met zijn vrouw Sallustia Orbiana of zijn moeder Julia Mamaea. Voor deze beelden lag een beeld van de zeegod Oceanus. In de nissen aan weerszijden van deze beelden waren trofeeën opgesteld. Een trofee of tropaeum is een monument dat na een overwinning op het slagveld werd opgericht. Het bestond uit een kruis waaraan de uitrustingen van verslagen vijanden werden opgehangen (de spolia: harnassen, helmen, wapens, schilden). Kennelijk legden latere inwoners van Rome een verband tussen deze trofeeën en de overwinningen die de grote veldheer Marius had geboekt in de late tweede eeuw BCE. Zo versloeg hij eerst de Numidische koning Jugurtha en daarna twee Germaanse volkeren, de Cimbri en de Teutones. De trofeeën van het nymphaeum van Severus Alexander hebben echter niets van doen met Marius. Ze dateerden van de tijd van keizer Domitianus (81-96) en werden kennelijk in dit monument hergebruikt. Tegenwoordig vinden we ze op de Piazza del Campidoglio in het hart van Rome, waar ze de balustrade van het plein sieren.

Bronnen

  • Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, deel 1, p. 323, p. 333-337 en p. 341;
  • Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, deel 2, Tab. 126, 129, 133 en a.t. 21;
  • Luc Verhuyck, SPQR. Anekdotische reisgids voor Rome, p. 155-156.

Noten

[1] De Divinatione, Boek 2.123: “sine medico medicinam dabit Minerva”.

[2] Volgens de Vaticaanse Musea is het beeld bij de Santa Maria sopra Minerva gevonden.

[3] Zie voor een overzicht Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, deel 2, Tab. III.

One Comment:

  1. Pingback:Rome: Santa Bibiana – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.