Boekbespreking: Moordenaars van Jan de Witt

jwIk loop bijna dagelijks langs allerhande plekken die een belangrijke rol hebben gespeeld in het leven van Johan de Witt, een van de belangrijkste politici van de zeventiende eeuw. Op mijn wandelingen passeer ik het Binnenhof, waar raadspensionaris De Witt zijn werkkamer had, de Gevangenpoort, waar zijn broer Cornelis werd vastgezet, de Plaats, waar de gebroeders door een woedende menigte heen werden gesleept, de kop van de Lange Vijverberg, waar vroeger op het Groene Zoodje de ‘wip’ (galg) stond, waaraan de lichamen werden vastgebonden, en ten slotte het huis van Johan de Witt aan de Kneuterdijk, op een steenworp afstand van alle andere genoemde plaatsen. Het hier besproken boek van De Ruyter-biograaf Ronald Prud’homme van Reine beschrijft die verschrikkelijke dag – 20 augustus 1672 – waarop de gebroeders De Witt beestachtig werden afgemaakt en gruwelijk werden verminkt. Het boek krijgt terecht de ondertitel ‘De zwartste bladzijde van de Gouden Eeuw’ mee.

Een complot?

Het boek probeert antwoord te geven op de vraag wie de moordenaars van Johan de Witt en zijn broer nu eigenlijk waren. Het Haagse gepeupel speelde geen fraaie rol, maar droeg niet de hoofdverantwoordelijkheid. De schutterij was absoluut medeplichtig, maar op de achtergrond speelde een groepje vooraanstaande, Oranjegezinde figuren een veel belangrijkere rol. Prud’homme van Reine maakt een gedetailleerde reconstructie van de moord, waarin hij ieders aandeel probeert te belichten. Belangrijke bronnen bij het onderzoek zijn verslagen van de klerken en knecht van Johan de Witt, die kort na de moord zijn opgesteld. Deze verslagen werden nog aangevuld met informatie van anderen en omstreeks 1705 gepubliceerd als de Gedenkwaerdige stukken, wegens den moordt der Heeren Cornelis en Johan de Witt. Ook maakt de auteur gebruik van een verslag van de procureur[1] Adriaen Copmoijer, die recht tegenover de Gevangenpoort werkte, en van een ooggetuigenverslag van de dichter Joachim Oudaens, die persoonlijk de lijken heeft zien hangen.

Standbeeld van Johan de Witt of de Plaats.

Standbeeld van Johan de Witt op de Plaats.

Hoewel het boek geen biografie is, gaat het wel eerst uitgebreid in op de persoon Johan de Witt (1625-1672). Het schetst zijn achtergrond, zijn Regime van de Ware Vrijheid en zijn relatie met de in 1650 geboren prins Willem III van Oranje. De Tweede Engelse Zeeoorlog komt langs, waarin Michiel de Ruyter grote roem vergaarde en De Witt belangrijke militaire en diplomatieke inspanningen leverde. De admiraal Cornelis Tromp werd echter na zijn dubieuze optreden in de Tweedaagse Zeeslag door De Witt ontslagen en zou zijn leven lang rancuneus jegens de raadspensionaris blijven. Johan Kievit, getrouwd met de halfzuster van Tromp, wordt geïntroduceerd en beschreven als een ‘manipulator, intrigant en fraudeur zonder weerga’ (p. 41). Hij speelde een hoofdrol in de affaire rond ritmeester Henry Buat, een legerofficier die tijdens de Tweede Engelse Zeeoorlog een geheime correspondentie met de Engelsen onderhield. Buat eindigde hiervoor op het hakblok, Kievit vluchtte naar het buitenland. Met Tromp en Kievit zijn de eerste door de auteur geïdentificeerde complotteurs tegen De Witt genoemd.

Een ‘wettelijke monstruositeit’ en een moord

De Tweede Engelse Zeeoorlog wordt tot een goed einde gebracht, maar dan gaat het helemaal mis in het Rampjaar 1672. De Republiek raakte in oorlog met Engeland, Frankrijk, Munster en Keulen en dreigde volledig onder de voet gelopen te worden. Er werd geschreeuwd om Oranje en de De Witten waren de gebeten hond. Het was een situatie waarin Johan Kievit kon terugkeren, met de zegen van de jonge prins Willem. Johan de Witt werd in juni 1672 overhoop gestoken op weg naar huis – overigens een spontane actie van vier jongeren – en overleefde het maar net. De jichtige en bedlegerige Cornelis de Witt werd vervolgens op basis van – volstrekt onbetrouwbare – verklaringen van de barbier Willem Tichelaer beschuldigd van het bekokstoven van een moordcomplot tegen de prins van Oranje. Cornelis werd gearresteerd, opgesloten in de Gevangenpoort, gemarteld en uiteindelijk veroordeeld tot levenslange verbanning, een ‘wettelijke monstruositeit’ (p. 89).

De Gevangenpoort.

De Gevangenpoort.

Het vijfde hoofdstuk is dan gewijd aan de moord, en hier geeft de auteur een zeer gedetailleerde beschrijving, soms bijna van uur tot uur, van minuut tot minuut. Zeer nuttig daarbij zijn de twee kaartjes op p. 98 en 99, die precies laten zien waar alle Haagse gebouwen zich bevinden (of destijds bevonden), waar de verschillende schuttersvendels waren geplaatst en waar aanvankelijk de ruiters van graaf Tilly zich hadden opgesteld. Johan was naar de Gevangenpoort gekomen om zijn broer op te halen. Die kon als gevolg van zijn verbanning immers vertrekken, maar de toegestroomde menigte verhinderde zijn vertrek. De ruiters van Tilly boden redelijk betrouwbare bescherming tegen ongure elementen binnen de schutters, maar het gros van hen werd uiteindelijk weggeroepen om Den Haag tegen plunderende boeren uit het Westland te beschermen (die overigens nooit kwamen). Het lot van de gebroeders in de Gevangenpoort was nu feitelijk bezegeld.

In de zeventiende eeuw kon je alleen door onder de Gevangenpoort door te lopen van het Buitenhof op de Plaats komen en omgekeerd. Langs de westkant van de Hofvijver stonden toen gebouwen, waaronder de ‘Herberg van Beuckelaer’. Hier bevonden zich op de ochtend van de moord Cornelis Tromp en twee metgezelen: Willem Adriaen van Nassau, heer van Odijck (ca. 1632-1705), en Frederik van Nassau-Zuylestein (ca. 1623-1672). De eerste was een zoon van een bastaardzoon van prins Maurits, de tweede een oom van prins Willem III. Zij worden door de auteur ook tot de complotteurs gerekend, net als de Haagse schepen Johan van Banchem (1615-1694). Vanuit de herberg werden de schutters na het vertrek van de cavalerie met drank opgestookt. Het leidde in de namiddag van die fatale 20e augustus 1672 tot een bestorming van de Gevangenpoort en de moord op twee mannen aan wie, hoe je het ook wendt of keert, de Republiek toch veel te danken had.

Crime pays?

Het zesde en zevende hoofdstuk van het boek gaan in op de moordenaars en de complotteurs, en bespreken de vraag wat er van hen na de moord is geworden. De hoofdconclusie is dat velen er – zeker aanvankelijk – bepaald niet slechter van geworden zijn. Dat prins Willem III een zekere medeplichtigheid aan de moord niet ontzegd kan worden, speelde hierbij zeker een rol. Duidelijk wordt dat de zilversmid en schutter Hendrick Verhoeff, die zichzelf met zijn grote bek zowat tot de hoofdmoordenaar had uitgeroepen, feitelijk helemaal geen grote rol speelde. Dat hij het was die de harten uit de op het Groene Zoodje ophangen lichamen sneed, doet daaraan niet af. Ene Maerten van Valen had een veel groter aandeel in de moord. Deze schoot de (inmiddels oud-)raadspensionaris van achteren door het hoofd. Hij was als zeeofficier geen schutter, en dat gold ook voor Christoffel de Haen, een vleeshouwer die flink op Johan de Witt inhakte.

Buste van Johan de Witt (Eerste Kamer, Den Haag).

Buste van Johan de Witt (Eerste Kamer, Den Haag).

Geen van de moordenaars is ooit gestraft, slechts een enkeling toonde later berouw. De complotteurs verging het aanvankelijk ook helemaal niet slecht na de moord, al sneuvelde Zuylestein nog hetzelfde jaar tegen de Fransen. Later trok Willem III echter zijn handen af van figuren als Van Vaelen, Van Banchem, Tromp, Kievit en Odijck. Willem beëindigde de maritieme carrière van Van Vaelen en stak geen poot uit toen de zwaar corrupte Van Banchem als baljuw – door Willem zelf benoemd – in de problemen kwam. Met de ijdele en eigengereide Tromp kwam het in 1683 tot een breuk. Tromps carrière was daarmee geknakt; hij zou tot aan zijn dood in 1691 nooit meer het commando over de vloot voeren. Johan Kievit hoefde ook niet op steun te rekenen toen hij in 1689 wegens corruptie werd veroordeeld en uit de Republiek werd verbannen. De eveneens corrupte Odijck liet zijn nageslacht achter met grote schulden. Willem had hem een Engelse titel geweigerd en hem verboden om als bastaard het Nassauwapen te gebruiken.

Beoordeling

Moordenaars van Jan de Witt is een uitstekend geschreven boek, dat je bijna ‘spannend’ zou kunnen noemen, ware het niet dat het verhaal vreselijk onrechtvaardig aanvoelt. Het boek is, als gezegd, voorzien van goede kaarten en bevat middenin fraaie kleurenillustraties van onder meer de hoofdpersonen, onder wie de gebroeders De Witt en de complotteurs Tromp en Kievit. Ook vinden we hier een reeks illustraties waarop de moord zelf wordt uitgebeeld. De meest gruwelijke van die afbeeldingen is zonder twijfel De lijken van de gebroeders De Witt van (of naar[1]) Jan de Baen, thans in het Rijksmuseum. Het is deze afbeelding die ook de omslag van het boek (ont)siert. Een blik op de als beesten geslachte gebroeders De Witt is voldoende om in te zien dat de moord op Johan en Cornelis inderdaad een goede kandidaat voor ‘De zwartste bladzijde van de Gouden Eeuw’ is.

Noten

[1] Volgens Prud’homme van Reine is het een kopie van een niet meer bekend origineel.

[1] In oudere literatuur wordt hij wel ‘dominee’ genoemd, en op p. 171 legt de auteur uit hoe dit misverstand in de wereld is gekomen. Inderdaad ken ik Copmoijer als de door zijn luikje loerende predikant uit Geschiedenis van de lage landen van Jaap ter Haar (jaren 70).

One Comment:

  1. Pingback: Filmrecensie: Michiel de Ruyter – Corvinus

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *