Venetië: Santissimo Salvatore (San Salvador)

San Salvador.

De grijze lucht beloofde al weinig goeds, en eenmaal op de vaporetto begon het hard te regenen. Ik zat gelukkig droog op het achterdek en genoot van mijn tochtje met de waterbus over het Canal Grande. Veel mensen waren er niet aan boord. Bij de Piazza San Marco stapte ik uit, want ik had tickets om de beroemde klokkentoren van de basiliek te beklimmen. Het was echter nog vroeg en het regende nog steeds, dus ik besloot eerst een bezoek te brengen aan de kerk van de Santissimo Salvatore, die in het Venetiaanse dialect beter bekend is onder de naam San Salvador. Via de voor Venetië zo kenmerkende kronkelende straatjes kwam ik bij de kerk aan. Ik was net op tijd, want het begon alweer harder te regenen. Een zijingang bood redding, waarna ik in de kerkbanken rustig kon opdrogen. Het was nog vroeg en donker in de kerk, maar gelukkig was er in alle opzichten genoeg te zien.

Geschiedenis

Aan Sint Magnus van Oderzo (ca. 580-670) wordt de stichting van acht kerken in Venetië toegeschreven, en de kerk van San Salvador – uiteraard gewijd aan Jezus Christus de Redder – is er daar een van. Hoewel deze bisschop als een historische figuur kan worden beschouwd, is er te weinig bewijs om het verhaal van de stichting van de kerken voetstoots voor waar aan te nemen. Het klinkt ook heel onaannemelijk, want pas in de vroege negende eeuw begonnen de Venetianen zich in de Rialto-archipel te vestigen. Daarvoor woonden ze verspreid over de lagune. Het reeds in de zevende eeuw stichten van maar liefst acht kerken in het hart van Venetië past daar niet goed bij. Het eerste bewijs voor het bestaan van de San Salvador dateert dan ook van de elfde eeuw. De kerk werd samen met nog 23 andere verwoest tijdens de grote brand die in april 1106 in de stad woedde en zelfs het Canal Grande overstak. Kleinere kerken en particuliere woningen waren in deze tijd vaak nog gebouwd van hout, wat het verspreiden van het vuur versnelde. De brand leidde er mede toe dat voortaan het gebruik van baksteen en natuursteen uit Istrië actief werd gepromoot, zeker voor kerken.[1] De nieuwe versie van de San Salvador verrees dan ook al snel.

San Salvador, gezien vanaf de klokkentoren van de San Marco.

De bouw van de huidige kerk begon in 1507. De architect was aanvankelijk Giorgio Spavento (ca. 1440-1509), maar deze kwam al snel te overlijden. Tullio Lombardo (ca. 1455-1532) zette het werk voort met hulp van zijn vader Pietro (ca. 1435-1515). Tussen 1530 en 1534 werkte ook de grote architect en beeldhouwer Jacopo Sansovino (1486-1570) aan de kerk. De gevel van de San Salvador is nog ruim een eeuw jonger. Deze verrees tussen 1649 en 1663. De architect was Giuseppe Sardi (1624-1699), terwijl de verschillende beelden – waaronder dat van de verrezen Christus met de banier op het driehoekige fronton – door Bernardo Falconi (ca. 1620-1696) werden gemaakt. Beide mannen hadden Zwitserse roots: hun families waren afkomstig uit Ticino. Een opvallend element aan de kerk zijn de drie koepels, die vanaf de straat nauwelijks zichtbaar zijn. Vanaf de genoemde klokkentoren van de San Marco zijn ze echter uitstekend te zien (foto hierboven). Op grote hoogte zie je ook pas goed dat de San Salvador een behoorlijk grote kerk is, die echt staat ingeklemd tussen de andere gebouwen, met slechts een bescheiden pleintje (Campo San Salvador) ervoor.

Grafmonumenten van de familie Cornaro

Interieur van de kerk.

De voornaamste reden voor mij om de San Salvador te bezoeken was de aanwezigheid van het grafmonument van Catherina Cornaro (1454-1510). Dit bevindt zich in het rechter dwarsschip, met ertegenover in het linker dwarsschip het monument voor drie kardinalen van de familie Cornaro, Corner in het Venetiaanse dialect (zie over de familie ook Rome: Santa Maria della Vittoria). Catherina is een interessante, maar tragische persoon. Op haar veertiende trouwde ze met de handschoen met Jacobus (of Jacques) II de Lusignan. Jacobus was een buitenechtelijke zoon van Koning Jan II van Cyprus (1432-1458). Toen zijn vader overleed, schoof Jacobus diens wettige dochter Charlotte opzij en nam zelf de troon over. Jacobus had een sterke bondgenoot nodig en meende die te hebben gevonden in La Serenissima; Venetië was op haar beurt naarstig op zoek naar manieren om het strategisch belangrijke eiland Cyprus in haar macht te krijgen. Een huwelijk tussen Jacobus en een Dochter van de Heilige Marcus – de officiële titel die Catherina na haar huwelijk kreeg – was de perfecte manier om dit doel te bereiken.

Pas eind november 1472 voer Catherina naar Cyprus toe. Enkele maanden later was zij zwanger, maar was Jacobus dood. Er is geen enkel bewijs voor de vaak geuite beschuldiging dat Catherina haar man had vergiftigd, maar ze werd nu wel regentes voor haar zoon, de zuigeling Jacobus III. Deze stierf echter al in augustus 1474. De Dochter van de Heilige Marcus werd nu formeel de Koningin van Cyprus, maar in feite werd het eiland bestuurd door Raadslieden die door de Senaat in Venetië gestuurd waren. Cyprus was daarnaast al sinds 1426 een vazal van de Egyptische Mammelukken. In 1487 waarschuwde de Egyptische sultan Qaitbay de Cyprioten dat zijn vijand, de Ottomaanse sultan Bayezid II, voorbereidingen trof om het eiland te annexeren. Dit bood de Venetianen een kans om een bondgenootschap met de Mammelukken te smeden tegen hun gezamenlijke vijand, de Turken. Toen een plan werd ontdekt dat Catherina zou hertrouwen met een zoon van de Koning van Napels, besloten de Venetianen in te grijpen: Cyprus moest onderdeel worden van het Venetiaanse rijk.

Begin 1489 werd de Koningin van Cyprus gedwongen troonsafstand te doen en werd het eiland formeel overgedragen aan Venetië. Het zou tot aan de Turkse verovering in 1570-1571 in Venetiaanse handen blijven. Catherina keerde naar Venetië terug en werd benoemd tot Signora van het stadje Asolo in de Veneto. In dit lieflijke stadje leefde ze tot 1509 in een gouden kooi. In genoemd jaar werd ze verdreven door de Oostenrijkers en keerde ze terug naar Venetië, waar ze een jaar later overleed. Aanvankelijk werd ze begraven in de familiekapel in de kerk van de Santi Apostoli, zo’n 400 meter noordelijker. Pas rond 1580 werd haar lichaam overgebracht naar de San Salvador. De beeldhouwer Bernardino Contino (ca. 1530-1596) had daar in 1570 al het grafmonument opgeleverd voor de drie Cornaro-kardinalen, te weten Marco (1482-1524), Francesco (1478-1543) en Andrea (1511-1551). Marco en Francesco waren broers van elkaar, en tevens neefjes van Catherina, terwijl Andrea een achterneefje van haar was. Het grafmonument voor Catherina Cornaro is ook van Bernardino Contino en dateert dus van ca. 1580.

Het monument voor Catherina is feitelijk een kopie van dat voor de kardinalen. Beide monumenten zijn tamelijk eenvoudig. Dat voor de kardinalen is nog voorzien van gisanten (liggende gestalten) van de broers Marco en Francesco, terwijl we daaronder reliëfs met hun wapens zien en in het midden een reliëf waarop een man de kardinaalshoed ontvangt van een paus. De man moet Marco Cornaro zijn, die al op achttienjarige leeftijd kardinaal werd gemaakt door Paus Alexander VI (1492-1503). Links van hem is zijn vader Giorgio Cornaro afgebeeld, de broer van Catherina. Haar monument heeft geen gisanten; het interessantste element is een reliëf waarop we zien hoe Catherina de kroon van Cyprus op een kussen overhandigt aan Agostino Barbarigo, doge van Venetië tussen 1486 en 1501 (zie Murano: San Pietro Martire). Haar grafsteen noemt haar drie titels: Koningin van Cyprus, Jeruzalem en Armenië. Het vergeet er helaas eentje: Koningin van Lucht.

Grafmonumenten van doges

Drie Venetiaanse doges werden in deze kerk begraven. Kennelijk kon de San Salvador zich toen in een bepaalde populariteit verheugen, want de drie mannen regeerden direct na elkaar. Het waren Francesco Venier (1554-1556), Lorenzo Priuli (1556-1559) en diens oudere broer Girolamo Priuli (1559-1567). Francesco Venier stond vooral bekend als een geleerde.[2] Tijdens zijn bijna tweejarige regering gebeurde er weinig. Van de drie dogen kreeg hij wel de mooiste graftombe, maar dit monument werd dan ook gemaakt door de al genoemde Jacopo Sansovino. Het dateert van omstreeks 1561. De gisant van de doge wordt geflankeerd door beelden van Naastenliefde en Hoop. Boven de doge zien we in de lunette een reliëf met de Madonna met het Kind, Sint Franciscus van Assisi (de naamgenoot van de doge) en Francesco Venier zelf. Het reliëf is een werk van Alessandro Vittoria (1525-1608) en dateert van 1557-1558. Het is dus ouder dan de graftombe zelf.

Lorenzo Priuli was 67 jaar oud toen hij tot doge werd gekozen. De populair historicus John Julius Norwich schreef over hem als een doge “whose distinction it was, after a long line of widowers and bachelors, to give Venice a dogaressa for the first time since the days of Marco Barbarigo seventy years before”.[3] De naam van zijn vrouw was Zilia Dandolo, een telg uit een roemrijk geslacht dat zelf ook doges had geleverd. Tijdens de regering van Lorenzo Priuli was er sprake van honger en een pestepidemie (misschien mazelen), maar enkele maanden voor zijn overlijden hadden Frankrijk en Spanje vrede met elkaar gesloten. Daarmee was er een einde gekomen aan de schier eindeloze oorlogen in Italië die Koning Karel VIII van Frankrijk met zijn invasie van het schiereiland in 1494 had ontketend. Een serie oorlogen waar Venetië vaak nolens volens aan had deelgenomen.

Bijzonder was dat de doge werd opgevolgd in het ambt door zijn drie jaar oudere broer Girolamo Priuli, wiens portret door Tintoretto we in het dogepaleis kunnen bewonderen. De doge had problemen met de Uskokken, piraten die in Dalmatische wateren opereerden, en vooral met de Ottomaanse Turken. Tussen mei en september 1565 probeerden de Turken het eiland Malta te veroveren, waar het hoofdkwartier van de Johannieter Orde was gevestigd. De aanval mislukte, en Venetië was niet rechtstreeks bij het conflict betrokken, maar enkele jaren later raakte La Serenissma toch in oorlog met de Turkse sultan en raakte zij het zelf van Catherina Cornaro afgepakte Cyprus aan hem kwijt. Doge Girolamo Priuli hoefde dit niet meer mee te maken: hij overleed op 4 november 1567. Het dubbele grafmonument dat de broers in de San Salvador kregen toegewezen is eerder groot (en hoog!) dan mooi. Het is een werk van de relatief onbekende beeldhouwer Cesare Franco, van wie we eigenlijk alleen weten dat hij uit Padova afkomstig was. Lorenzo en Girolamo worden vergezeld door hun heilige naamgenoten, Sint Laurentius en Sint Hieronymus. Deze beelden zijn van Giulio del Moro (ca. 1555-na 1618), een beeldhouwer uit Verona.

Overige bezienswaardigheden

Sinds 1267 worden in de San Salvador de relikwieën bewaard van Sint Theodoor. San Teodoro – of San Todaro in het Venetiaanse dialect – was de beschermheilige van Venetië totdat hij in 828 werd vervangen door de veel prestigieuzere Sint Marcus, van wie de overblijfselen door de Venetianen werden gestolen uit het islamitische Alexandrië (zie Venetië: San Marco voor het hele verhaal). Wie geïnteresseerd is in de relikwieën van Sint Theodoor, vindt ze in de Cappella di San Teodoro, die een altaarstuk heeft van Pietro Mera (ca. 1570-1644), een schilder afkomstig uit het Nederlandse Utrecht (afbeelding hierboven).

Van aanzienlijk hogere kwaliteit zijn de twee werken van Titiaan (ca. 1488-1576) die de kerk bezit. Zijn Annunciatie uit ca. 1564-1565 is geplaatst in een altaar gemaakt door de al genoemde Jacopo Sansovino. Opvallend aan het werk is vooral dat de Maagd Maria lijkt te worden gesandwicht tussen de indrukwekkende aartsengel Gabriel links en de Heilige Geest die van boven komt. De tweede Titiaan in de kerk siert het hoogaltaar en is werkelijk een verhaal apart. Deze Transfiguratie dateert van ca. 1563. Het bijzondere is dat het schilderij doorgaans een ander altaarstuk bedekt, de zogenaamde pala d’argento. Dit altaarscherm van verguld zilver is vergelijkbaar met de bekendere pala d’oro in de San Marco. Het dateert van de veertiende en vijftiende eeuw en is alleen zichtbaar met Kerstmis, Pasen of het Feest van de Transfiguratie (6 augustus). Op die dagen laat een ingenieus systeem het schilderij van Titiaan zakken zodat de pala d’argento zichtbaar wordt.

Tijdens mijn bezoek aan de San Salvador had ik helaas dubbel pech. Ik zag de pala d’argento niet, maar ook niet de Transfiguratie van Titiaan. Het schilderij was met een plaat afgedekt om het te beschermen, wellicht omdat ik de kerk heel vroeg op de dag bezocht en het gebouw nog werd klaargemaakt voor bezoekers (de Transfiguratie is in dit filmpje heel goed te zien). Gelukkig waren er nog veel meer interessante kunstwerken te bewonderen. Op het Altare della Beata Vergine del Rosario vinden we bijvoorbeeld een Madonna met Kind van Girolamo Campagna (ca. 1549-1625), voorzien van kronen en een rozenkrans (afbeelding hierboven). Een ander interessant altaar is het Altare di Sant’Antonio Abate (afbeelding hierboven), met een altaarstuk met Antonius-Abt geschilderd door Palma il Giovane (1548-1628). Mooier dan het altaarstuk zijn de beelden van de al genoemde Alessandro Vittoria. Links zien we Sint Rochus en rechts Sint Sebastiaan. Al met al zijn er genoeg redenen om de kerk van San Salvador nog eens te bezoeken, op een mooiere dag, met beter licht in de kerk én met Titiaans Transfiguratie zichtbaar op het hoogaltaar.

Bronnen: Capitool reisgids Venetië & Veneto (2012), p. 94, John Julius Norwich, ‘A History of Venice’ (2012), The Churches of Venice: San Salvador en de informatieborden in de kerk.

Noten

[1] John Julius Norwich, ‘A History of Venice’ (2012), p. 82-83.

[2] John Julius Norwich, ‘A History of Venice’ (2012), p. 460.

[3] John Julius Norwich, ‘A History of Venice’ (2012), p. 460.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.