Decius: De Jaren 249-251

Buste van Decius (Capitolijnse Musea, Rome).

Na zijn overwinning op Philippus Arabs in september 249 bij Verona was Gaius Messius Quintus Decius de nieuwe heerser over het enorme Romeinse Rijk geworden. De nieuwe keizer liet de thermae Decianae of Baden van Decius op de Aventijn in Rome bouwen en was mogelijk ook verantwoordelijk voor de bouw van de tamelijk obscure Porticus Decii. Zijn beslissing om het Colosseum te laten restaureren, dat door brand beschadigd was geraakt, kan een poging zijn geweest om zijn populariteit bij de bevolking een impuls te geven. Het volk herinnerde zich nog levendig de spectaculaire Ludi Saeculares die Philippus het voorafgaande jaar had georganiseerd. Van Decius verwachtte het volk meer van hetzelfde.

Decius had het vanaf het begin zwaar, en zijn troon werd constant bedreigd door zowel interne als externe factoren. De opstand van Jotapianus in Syrië klapte weliswaar al snel in elkaar en ten bewijze daarvan werd het hoofd van de man Decius op een schaal aangeboden, maar het lijkt erop dat in Germanië de mysterieuze Silbannacus problemen bleef veroorzaken totdat er ook met hem kon worden afgerekend. Een veel ernstigere ontwikkeling was het feit dat een Germaanse stam die bekend kwam te staan als de Franken kort tevoren aan de Rijngrens was verschenen. De Franken rammelden aan de poorten van het Romeinse Rijk en zouden spoedig tot in het hart ervan door weten te dringen. Ook hun Germaanse broeders de Alemanni vormden een bedreiging, en dat gold eveneens voor de Goten, de Carpi, de Sarmaten en de vele andere stammen aan de Donaugrens.

Uitzicht op het Colosseum.

Daarnaast moest Decius de Perzen in de gaten houden. Deze hadden dan wel vrede gesloten met Philippus, maar Philippus was dood en Koning Shapur had maar een klein zetje nodig om een nieuwe invasie te beginnen. Ten slotte moest Decius al snel het hoofd bieden aan een nieuwe vijand, een vijand die niet eens menselijk was. Het is heel goed mogelijk dat al aan het begin van de regeerperiode van Decius de epidemie die we de Pest van Cyprianus noemen zich vanuit Ethiopië naar de Romeinse provincie Egypte verspreidde. Vanuit Egypte zou de ziekte zich verder verspreiden naar de andere provincies en Rome zelf. De Pest van Cyprianus eiste tienduizenden, zo niet honderdduizenden levens. Al met al had de nieuwe keizer in deze precaire omstandigheden alle hulp van de onsterfelijke goden nodig die hij maar kon krijgen.

Het Edict

Al aan het begin van zijn regering vaardigde Decius een Edict uit waarin hij de hele vrije bevolking van het Romeinse Rijk de opdracht gaf voor het welzijn van de keizer te offeren aan de ‘voorouderlijke goden’. Hoewel de tekst van het Edict zelf verloren is gegaan, kunnen we het tamelijk goed reconstrueren. Dat komt omdat we beschikken over zogenaamde libelli die in Egypte zijn gevonden en die van juni en juli van het jaar 250 dateren. Een libellus was in feite een bewijsje dat de houder ervan zich aan het Edict had gehouden en de vereiste offers had gebracht. Provinciale en lokale autoriteiten hadden speciale offercommissies ingesteld en families opgeroepen om vertegenwoordigers te sturen die namens de hele familie konden offeren. Deze vertegenwoordigers moesten dan voor de commissies verschijnen en een plengoffer brengen, wat wierook branden of een dier slachten en van het vlees eten.

Christus de Goede Herder.

De verplichting om aan de ‘voorouderlijke goden’ te offeren was nogal vaag, en wellicht was dit een bewuste formulering. De 50 tot 70 miljoen inwoners van het Romeinse Rijk, van wie de meesten sinds Caracalla’s Constitutio Antoniniana van 212 het Romeinse burgerrecht bezaten, hoefden niet per se aan de traditionele Romeinse goden te offeren. Een offer aan lokale favorieten was ook toegestaan. Joden kregen waarschijnlijk vrijstelling van het Edict, want het was duidelijk dat deze overtuigde monotheïsten nooit aan ‘goden’ (meervoud) zouden offeren. Christenen kregen echter zeker geen vrijstelling, en voor hen zou het Edict buitengewoon problematisch blijken te zijn. Al omstreeks het jaar 112 had de gouverneur van Pontus en Bithynië, Plinius de Jongere, te horen gekregen dat er bepaalde rituelen waren die echte christenen niet zouden willen uitvoeren. Daartoe behoorden het aanroepen van de traditionele goden en het branden van wierook of het plengen van wijn voor de beelden van (vergoddelijkte) keizers.[1] De kerkvader Tertullianus (ca. 155-240) bevestigde dit. In zijn Apologeticus citeert hij de observaties van Plinius en stelt hij meer dan eens dat christenen categorisch weigeren te offeren.[2]

De Apologeticus werd geschreven in 197, en in 249, slechts iets meer dan 50 jaar later, zullen vele christenen er nog hetzelfde over gedacht hebben. Dat zal zeker hebben gegolden voor de kerkelijke autoriteiten, zoals de bisschoppen en de patriarchen. De vraag is dus relevant hoe de christelijke gemeenschappen in het Rijk op het Edict van Decius reageerden. Er zullen zeker christenen zijn geweest die geen moeite hadden met het branden van een beetje wierook voor het welzijn van de keizer, maar bij andere christenen moet het Edict tot een diepe spirituele crisis hebben geleid. Sommigen weigerden openlijk het Edict uit te voeren en werden gelyncht, terechtgesteld of opgesloten, anderen vluchtten en wachtten totdat de storm was overgewaaid. Daarnaast waren er christenen die gewoon de provinciale of lokale autoriteiten omkochten en zo libelli verkregen zonder dat ze ooit een offer hadden gebracht. En dan waren er ook nog christenen die bezweken onder de druk en voor de vorm een offer brachten, zij het met bezwaard gemoed en zonder enige overtuiging. Het is onmogelijk vast te stellen hoeveel mensen zich in elk van deze categorieën bevonden, maar we mogen er redelijkerwijs van uitgaan dat het aantal dodelijke slachtoffers van de vervolgingen van Decius niet meer dan een paar honderd kan zijn geweest.[3] Deze meeste van deze slachtoffers waren waarschijnlijk afkomstig uit de oostelijke provincies, om de simpele reden dat in dat deel van het Rijk de meeste christenen woonden.

Sint Babylas in de kerk van San Babila in Milaan.

Latere christelijke schrijvers hadden de neiging de schaal van de vervolgingen van Decius en het aantal martelaren te overdrijven. Dat neemt niet weg dat we de ernst van deze gebeurtenissen nu ook weer niet moeten bagatelliseren. Het Edict van Decius was uitzonderlijk en het lijkt erop dat zijn vervolging wel degelijk een zware klap uitdeelde aan de bestuurders van de Kerk. Op 20 januari van het jaar 250 werd bijvoorbeeld de bisschop van Rome, Paus Fabianus (236-250), terechtgesteld of stierf hij in zijn cel. In 251 kwam bisschop Alexander van Jeruzalem in zijn cel te overlijden. Sint Babylas, de patriarch van Antiochië, werd gearresteerd en stierf in 253 in gevangenschap. De bisschop van Carthago, zijnde dezelfde Cyprianus naar wie de genoemde Pest van Cyprianus is genoemd, dook onder (hij zou in 258 de marteldood sterven), en patriarch Dionysius van Alexandrië vluchtte naar de Libische woestijn. Rome, Jeruzalem, Antiochië, Carthago en Alexandrië waren allemaal steden met een flinke christelijke bevolkingsgroep. Hoewel er geen bewijs is dat het Edict van Decius specifiek op christenen was gericht, is het niet onmogelijk dat de kennelijke jacht van de provinciale en lokale autoriteiten op bisschoppen en patriarchen een bewuste poging was om zogezegd de kop van de slang af te bijten.

De lotgevallen van Fabianus, Alexander, Babylas, Cyprianus en Dionysius kunnen als historische gebeurtenissen worden beschouwd, en dat geldt zeker voor hun dood, gevangenneming of vlucht. Een ander beroemd slachtoffer van de vervolgingen was de christelijke leraar Origenes, die mogelijk nog met Decius’ voorganger Philippus had gecorrespondeerd. Er is echter ook een groot aantal verhalen over vermeende martelaren die we gerust met een korreltje zout mogen nemen. De historiciteit van heiligen als Minias, Reparata, Fusca en Maura is bijvoorbeeld problematisch, terwijl het verhaal van de Zevenslapers van Efeze compleet verzonnen is.

Oorlog tegen de Goten

Keizer Trajanus steekt de Donau over (gipsen afgietsel van de zuil van Trajanus).

In de zomer van 250 benoemde Decius zijn oudste zoon Herennius Etruscus tot Caesar. Uit een groot aantal munten blijkt dat hij zichzelf Trajanus begon te noemen, naar de beroemde Romeinse keizer (98-117) die Dacië had veroverd. Decius had daar een specifieke reden voor, want vijandige stammen waren weer eens de Donau overgestoken. Ze hadden een inval in de provincie Moesia Inferior gedaan en plunderden zich een weg richting het zuiden, naar Thracië. De indringers waren hoogstwaarschijnlijk Goten (‘Skythen’ in het verslag van Zosimus), al is het zeker mogelijk dat groepen Carpi en Sarmaten zich bij hen aangesloten hadden. Decius en zijn zoon haastten zich naar de regio om de plunderaars te onderscheppen. Met zijn veldtocht zou de keizer in de voetsporen van Trajanus treden, want ook zijn illustere voorganger had in deze streken operaties te velde geleid.

Het meest gedetailleerde verslag van de Gotische en Romeinse manoeuvres vinden we bij de zesde-eeuwse geschiedschrijver Jordanes, die zelf van Gotische afkomst was. Weliswaar schreef hij zo’n 300 jaar ná de gebeurtenissen, maar er is geen goede reden waarom we niet op de grote lijnen van zijn relaas af zouden mogen gaan. De Goten werden geleid door hun koning Cniva, die besloot zijn leger in twee kleinere eenheden op te splitsen. De eerste eenheid viel waarschijnlijk Marcianopolis (tegenwoordig Devnya in Bulgarije) aan, een stad die nog was vernoemd naar de zuster van Trajanus. Deze aanval mislukte. Volgens Jordanes bestond de tweede eenheid uit 70.000 manschappen, maar dat aantal is ongetwijfeld overdreven. De koning leidde persoonlijk dit deel van zijn leger. Allereerst viel Cniva de stad Novae aan, die werd verdedigd door de gouverneur van Moesia Inferior, Trebonianus Gallus (de stad was tevens de standplaats van Legio I Italica). Omdat Gallus erin slaagde de Gotische aanval af te slaan, besloot Cniva om verder te trekken richting het zuiden. Zijn nieuwe doel was Nicopolis, een stad die nog door de grote Trajanus zelf was gesticht.

Kaart van Moesia Inferior en Thracië (bron: Ancient World Mapping Center. “À-la-carte”; CC BY 4.0).

Ondertussen was de keizer in Moesië gearriveerd, samen met zijn zoon en zijn leger. Cniva trok zich daarom terug in het Balkangebergte (Haemus Mons) en rukte op naar Philippopolis, een stad die werd verdedigd door de gouverneur van Thracië, Titus Julius Priscus. Decius zette de achtervolging in, maar in de buurt van Beroea werd zijn leger in een hinderlaag gelokt en bijna vernietigd. Samen met de weinige overlevenden vluchtte de keizer naar het noorden. Hij vond onderdak bij Gallus en begon een nieuw leger op te bouwen. In de tussentijd kon Cniva zich richten op de inname van Philippopolis. De stad werd veroverd en geplunderd, en de vierde-eeuwse geschiedschrijver Ammianus Marcellinus suggereert dat er na de inname 100.000 mensen vermoord werden. Dat aantal is natuurlijk veel te hoog, en het lijkt erop dat ook Ammianus zelf tamelijk sceptisch was over deze bewering, maar dat de stad grondig leeggeroofd werd, staat niet ter discussie. Titus Julius Priscus was er op de een of andere manier in geslaagd een deal te sluiten met Cniva. Hij werd niet gedood en riep zichzelf – waarschijnlijk met Gotische steun – tot keizer uit. Misschien hoopte Cniva op deze wijze met zijn buit te kunnen ontsnappen terwijl Decius zijn energie zou steken in het verslaan van de troonpretendent. Priscus werd echter al snel vermoord, waarschijnlijk door zijn eigen manschappen.

Nu Priscus geen bedreiging meer vormde, kon Decius zich volledig op de Goten richten. Hij slaagde erin hun terugtocht af te snijden, waarna in 251 bij Abritus de beslissende confrontatie plaatsvond. De veldslag werd waarschijnlijk in juni uitgevochten en bestond – als we af mogen gaan op het verslag van Zosimus – uit een reeks grote schermutselingen. De keizer wist twee Gotische divisies te verslaan, maar realiseerde zich niet dat hij de moerassen in werd gelokt. Daar werd Decius vervolgens verslagen en gedood, samen met Herennius Etruscus en de meeste van zijn soldaten. Het lichaam van de keizer werd nooit teruggevonden. Zijn Gotische veldtocht was op een ramp uitgelopen en Decius had de dubieuze eer de eerste Romeinse keizer te zijn die sneuvelde in de strijd tegen een buitenlandse vijand. Volgens sommige bronnen was hij verraden door Trebonianus Gallus, die zou hebben geweigerd de keizer te hulp te schieten. Het verhaal klinkt als roddel en achterklap, maar het was gemakkelijk om Gallus de schuld te geven omdat de troepen in de regio hem spoedig tot nieuwe Augustus zouden uitroepen.

Terwijl Decius in het Donaugebied tegen de Goten vocht, was in Rome een zekere Julius Valens Licinianus tegen hem in opstand gekomen. Deze opstand vond plaats in 250 of 251, maar ze werd al snel onderdrukt, en nu Decius dood was, had de Senaat geen andere keuze dat Gallus als nieuwe keizer te erkennen, samen met Decius’ andere zoon Hostilianus. Gallus’ zoon Volusianus werd tot Caesar benoemd. De dood van een keizer op het slagveld was voorlopig de zwartste bladzijde in de geschiedenis van de Crisis van de Derde Eeuw. Spoedig zouden er echter nog veel zwartere bladzijden aan die geschiedenis worden toegevoegd.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of the West, p. 94-100 en 103-104;
  • Henk Singor, Constantijn, p. 97-99.

Noten

[1] Plinius’ brief aan Trajanus.

[2] Zie uit deze Engelse vertaling bijvoorbeeld Chapter 2: “an obstinate disinclination to offer sacrifices”; Chapter 9: “their refusal to offer sacrifice”; Chapter 10: “”You do not worship the gods,” you say; “and you do not offer sacrifices for the emperors.” Well, we do not offer sacrifice for others, for the same reason that we do not for ourselves — namely, that your gods are not at all the objects of our worship.”; Chapter 27: “When we are called therefore to sacrifice, we resolutely refuse”.

[3] Henk Singor, Constantijn, p. 98.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.