Rome: Santa Maria in Via Lata

Santa Maria in Via Lata.

Deze bijdrage gaat niet alleen over de bovengenoemde kerk in de Via del Corso, de moderne naam van de oude Via Lata. Het stuk gaat tevens over de zes kamers onder de kerk die gezamenlijk bekendstaan als het ‘Huis van Paulus’. Aangezien de meeste kunstschatten die ooit de muren van dit ‘huis’ sierden zijn verplaatst naar een museum in de buurt, komt ook dit museum, de Crypta Balbi in de Via delle Botteghe Oscure, in deze bijdrage aan de orde.

De kerk

In 220 BCE begon de Romeinse censor Gaius Flaminius met de aanleg van de Via Flaminia, de weg die Rome verbond met haar kolonie Ariminum (het huidige Rimini) aan de Adriatische Zee. Het gedeelte van deze weg dat door de stad liep, werd de Via Lata of Brede Weg genoemd. In de eerste eeuw BCE werd langs deze weg een enorm gebouw neergezet. Het is nog steeds niet duidelijk wat voor gebouw dit was, maar het lijdt geen twijfel dat het erg groot was. In dit gebouw (of wat er nog van over was) werd veel later, mogelijk in de late zevende of vroege achtste eeuw, een diaconia gevestigd. Dat was een kerkinstelling die zich bezighield met armenzorg en de verdeling van voedsel en andere goederen onder de behoeftigen. In feite ging het bij een diaconia om een vorm van sociale zekerheid in de Middeleeuwen. De stichting van deze specifieke instelling wordt doorgaans toegeschreven aan Paus Sergius I (687-701). Aan het gebouw was een kleine kapel voor religieuze activiteiten verbonden. Dit is nu Kamer II van de ondergrondse ruimte (zie hieronder).

Interieur van de kerk.

In de elfde eeuw hadden grote delen van Rome te kampen met overstromingen. Tijdens het pontificaat van Paus Leo IX (1049-1054) werd daarom besloten een kerk over de diaconia heen te bouwen. Dat was in die tijd niet ongebruikelijk in Rome; soortgelijke ontwikkelingen vonden plaats bij kerken als de San Clemente. De oude kapel van de diaconia en nog een kamer (nu Kamer I) bleven behouden als crypte. De overige kamers werden opgevuld met aarde. De kerk uit de elfde eeuw werd in de late vijftiende eeuw herbouwd. De opdracht voor deze nieuwbouw kwam van Paus Innocentius VIII (1484-1492) en het werk ging in 1491 van start. De leiding van het project berustte bij Rodrigo de Borja, de kardinaal-diaken van de kerk. Hij zou in 1492 Innocentius opvolgen als Paus Alexander VI en geniet wellicht de meeste bekendheid vanwege zijn beruchte kinderen, Cesare en Lucrezia Borgia.

De nieuwe kerk werd in 1506 voltooid. Op dat moment was de kerk al zo’n 100 jaar lang gewijd aan de Maagd Maria, in dit geval de Madonna Advocata; kennelijk was zij hier in 1408 op wonderbaarlijke wijze verschenen. In 1594 werden de Kamers V en VI van de ondergrondse ruimte uitgegraven en zo’n halve eeuw daarna was het blijkbaar weer eens tijd om de kerk te herbouwen. De verantwoordelijk architect was Cosimo Fanzago (1591-1678). Deze was afkomstig uit het stadje Clusone in Lombardije, maar het grootste gedeelte van zijn leven werkte hij in Napels, waar hij tot de belangrijkste Barokarchitecten van zijn tijd behoorde. Hij werd ter dood veroordeeld omdat hij sympathiseerde met een opstand tegen het Habsburgse gezag die in 1647 in Napels was uitgebroken. Het gevolg was dat de architect naar Rome moest vluchten. Daar werkte hij eerst aan de buitenkant van de Santa Maria in Via Lata en vervolgens ook aan het interieur van de kerk. In de jaren 1650 werd het project afgerond.

Kamers II en V van het ‘Huis van Paulus’, met daarin Cosimo Fancelli’s bas-reliëf en een foto van een fresco.

De huidige gevel van de kerk werd tijdens het pontificaat van Paus Alexander VII (1655-1667) toegevoegd door Pietro da Cortona (1596-1669). Deze gevel is enorm en veel hoger dan de kerk zelf, die slechts een bescheiden hoogte heeft. Da Cortona begon in 1658 aan zijn project en voltooide het in 1662, een jaar dat ook in Romeinse cijfers wordt vermeld op de gevel (MDCLXII). In 1661 liet Paus Alexander ook de crypte restaureren en Kamer III uitgraven. In Kamer V werd een bas-reliëf van Cosimo Fancelli (1618-1688) geplaatst (zie de afbeelding rechts en de tekst hieronder).

Samenvattend, de kerk die we vandaag de dag zien, dateert voornamelijk uit de zeventiende eeuw. Haar Barokinterieur is kleurrijk en indrukwekkend. Boven het hoogaltaar zien we een icoon uit de late twaalfde eeuw van de Maagd als de Madonna Advocata. Helaas zorgt het sierlijke frame waarin het icoon is geplaatst ervoor dat de tekst erop niet meer leesbaar is. Er zou FONS LVCIS STELA MARIS en PETRVS PICTOR moeten staan. De eerste tekst betekent “Bron van Licht, Ster van de Zee’, de tweede noemt de naam van de kunstenaar die het icoon schilderde. Soortgelijke iconen treffen we in een groot aantal andere kerken aan; zie bijvoorbeeld de iconen in de San Lorenzo in Damaso, de Santa Maria in Aracoeli of de Santi Bonifacio e Alessio. De Santa Maria in Via Lata beweert verder in het bezit te zijn van de overblijfselen van Sint Agapitus, een tamelijk obscure martelaar uit de derde eeuw van wie we een afbeelding kunnen vinden op het apsismozaïek in de nabijgelegen kerk van San Marco.

Fresco van San Giovanni van de Caelius (eind 8e eeuw; Crypta Balbi).

Huis van Paulus

De ondergrondse ruimte beslaat zes Kamers, waarvan de meeste hierboven al genoemd zijn. De traditionele naam van de ruimte is het Huis van Paulus. De Handelingen van de Apostelen schrijven het volgende over de aankomst van Paulus in Rome:

“Paulus verbleef twee jaar in het huis dat hij gehuurd had en ontving daar iedereen die naar hem toe kwam. Hij verkondigde het koninkrijk van God en onderrichtte vrijmoedig over de Heer Jezus Christus, zonder dat hem iets in de weg werd gelegd. (Handelingen 28:30-31)”

De suggestie is dat Paulus onder een soort niet al te strak huisarrest stond. Uiteindelijk werd hij omstreeks het jaar 67 onthoofd en te ruste gelegd in een graf aan de Via Ostiense (zie Rome: San Paolo fuori le Mura). Maar zelfs als we aannemen dat Paulus inderdaad heeft Rome bezocht, dan nog is er eigenlijk geen bewijs dat hij ook echt hier in het ‘Huis van Paulus’ heeft gewoond. In sommige versies van het verhaal wordt beweerd dat ook Petrus en Sint Martialis hier enige tijd woonden. Die bewering is nog minder aannemelijk, want Sint Martialis, de Apostel van de Galliërs, was niet eens een tijdgenoot van Petrus en Paulus. Als hij al bestaan heeft, dan leefde hij in het midden van de derde eeuw.

Zuil uit de Oudheid met kruis.

En om het allemaal nog wat ongeloofwaardiger te maken: er is ook nog een traditie dat de Evangelist Lucas hier samen met Paulus woonde, er zijn Evangelie en de Handelingen van de Apostelen schreef én het hiervoor genoemde icoon van de Madonna Advocata schilderde! Het moge duidelijk zijn dat we het nu over de wereld van de religieuze overtuigingen hebben, niet over de wereld van de historische feiten. Wat wel interessant is, is dat het bas-reliëf van Cosimo Fancelli in Kamer V al deze overleveringen combineert: op het reliëf zien we Paulus (met een zwaard), Petrus (met de sleutels van de Hemel) en Lucas (schrijvend aan zijn Evangelie). Op de achtergrond zijn Sint Martialis en een os afgebeeld, het gebruikelijke symbool van Lucas.

Een bezoek aan het Huis van Paulus kost twee euro. Sommige mensen zullen na een bezoek teleurgesteld zijn omdat de meeste, zo niet alle fresco’s van de muren zijn gehaald en zijn verplaatst naar het Crypta Balbi-museum, een van de vier locaties van het Museo Nazionale Romano. Daar kunnen ze onder betere klimatologische omstandigheden worden bewaard. Een bezoek aan dit museum kost tien euro. De originele fresco’s in het ‘Huis’ zijn vervangen door fotografische reproducties. Deze geven wel een indruk van wat hier beneden allemaal is ontdekt, maar ze halen het niet bij de originelen. De foto’s van de fresco’s die ik voor deze bijdrage heb gebruikt zijn allemaal gemaakt in het museum.

Laten we nu een blik werpen op de zes Kamers. Kamer I wordt van oudsher aangeduid als de kamer waarin Paulus verbleef tijdens zijn huisarrest. Hier treffen we een put aan die Petrus zou hebben gebruikt om te dopen. Ook staat er een zuil die vermoedelijk uit de Oudheid dateert. Op de zuil staat een urn met een christogram (chi-rho-teken) en in de zuil zelf is een kruis gekerfd. Ook staat er een Latijnse tekst op uit de tweede brief van Paulus aan Timoteüs, VERBUM DEI NON EST ALLIGATUM, “Het woord van God laat zich niet gevangenzetten” (NBV; overigens was de oorspronkelijke brief in het Grieks). Kamer II is de voormalige kapel van de diaconia die hierboven werd besproken en Kamer III is de plek waar men de ondergrondse ruimte binnenkomt, en wel via een trap uit de zeventiende eeuw die vanuit de loggia van de kerk naar de crypte voert.

Fresco over de Zevenslapers van Efeze.

Kamer IV is misschien wel de interessantste van de zes kamers. Begin twintigste eeuw vonden archeologen die de ondergrondse ruimte verkenden hier verschillende lagen fresco’s. Een frescocyclus over de Legende van de Zevenslapers van Efeze, mogelijk uit de zevende eeuw, werd in de achtste eeuw overgeschilderd en vervangen door een soortgelijke cyclus over het martelaarschap van Sint Erasmus. Het verhaal over de Zevenslapers is erg bekend: zeven jonge christenen die op de vlucht zijn voor de christenvervolgingen van keizer Decius (249-251) gaan een grot binnen en vallen daar in slaap. Zo’n 200 jaar later, tijdens de regering van Theodosius II (408-450), worden ze weer wakker en stellen tot hun verbijstering vast dat de wereld om hen heen christelijk is geworden. Het fragmentarische en beschadigde fresco uit Kamer IV toont een overheidsfunctionaris en een bisschop die de Zevenslapers in hun grot bezoeken.

Verhalen over Sint Erasmus.

Sint Erasmus is een tamelijk obscure heilige uit de late derde of vroege vierde eeuw. Volgens sommige bronnen was hij de bisschop van Formia in Italië, volgens andere een bisschop van Antiochië in Syrië. Misschien waren er wel twee afzonderlijke heiligen die Erasmus heetten, maar het is net zo goed mogelijk dat geen van beiden ooit bestaan heeft. Het doet er ook niet toe. De frescoserie laat zien hoe Erasmus voor de troon van Keizer Diocletianus (284-305) wordt gesleept en vervolgens wordt uitgekleed en gemarteld. Een ander, zeer fragmentarisch fresco laat zien hoe hij getuige is van een komeet of vallende ster.

Kamer VI.

De opgravingen in de vroege twintigste eeuw in Kamer IV legden ook twee fresco’s uit de achtste eeuw bloot. Deze stellen de Heilige Johannes en Paulus voor, Giovanni en Paolo in het Italiaans. Men vindt hun kerk in Rome op de heuvel de Caelius; hun kerk in Venetië is de grootste van de stad. In deze kamer treft men eveneens de overblijfselen aan van wat vermoedelijk ooit een altaar was. De Cosmatenversieringen op het voorwerp zijn erg mooi.

In Kamer V zien we Cosimo Fancelli’s beeldhouwwerk, hierboven reeds besproken, en in Kamer VI staat een altaar met nog meer Cosmatenversieringen. Op de muur treffen we een fresco aan van de Madonna met het Kind en voorts met Petrus en Paulus en een knielende smekeling. Ook in dit geval is het origineel naar de Crypta Balbi verplaatst, al moet daarbij wel aangetekend worden dat het woord ‘origineel’ misplaatst is. Het lijkt erop dat de muur eerst een middeleeuws fresco had, dat in de zeventiende eeuw werd bijgewerkt, vermoedelijk tijdens de restauratie van Paus Alexander VII. De schilder – of ‘retoucheur’ – was waarschijnlijk een medewerker van Pietro da Cortona.

Bronnen

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.