Rome: Sant’Anastasia

Kerk van Sant’Anastasia.

Wie voor de kerk van Sant’Anastasia staat, kan nauwelijks vermoeden dat het om een van de oudste kerken van de stad gaat. De geschiedenis van de kerk gaat mogelijk terug tot het eerste kwart van de vierde eeuw, toen het christendom net weer een toegestane religie (religio licita) was geworden. Helaas is er uit die tijd vrijwel niets bewaard gebleven. Zelf ontdekte ik de kerk min of meer bij toeval, toen ik na een lange wandeling op een koude winterdag een plekje zocht om even uit te rusten. Ik kwam terecht op het pleintje voor de kerk, waar enkele bankjes staan. In die tijd – het was 2017 – was de kerk nog 24 uur per dag en zeven dagen per week open. Dat had ermee te maken dat de dienstdoende priester in 2001 de doorlopende aanbidding van het heilig sacrament had ingesteld. Recent is daar helaas een einde aan gekomen. In 2020 werd de kerk namelijk ter beschikking gesteld aan de Syro-Malabar-Katholieke Kerk, die haar wortels heeft in India (Syro slaat op de liturgische taal die gebruikt wordt, het Syrisch). Tijdens mijn bezoek in januari 2022, dat ook nog eens plaatsvond tijdens de coronapandemie, was de kerk alleen op zondagen open. Van een doorlopende aanbidding is nu bepaald geen sprake meer: het bordje met de woorden Adorazione Perpetua was gedumpt in een steegje naast de kerk.

Vroege geschiedenis

De kerk staat net ten noorden van het beroemde Circus Maximus en onder aan de Palatijnse heuvel. Ten tijde van de Romeinse keizer Augustus (27 BCE-14 CE) stond op de heuvel diens domus of paleis. Het domus Augusti was in feite een heel complex, bestaande uit een publiek gedeelte (domus publica), een privé gedeelte (domus privata), een tempel van Apollo, een bibliotheek of curia en vele andere vertrekken, galerijen en binnenplaatsen. Een groot deel van het complex rustte op een onderbouw die tegen de Palatijnse heuvel was aangebouwd. De zuidelijkste binnenplaats had waarschijnlijk een balkon of maenianum, dat later zou dienen als de onderbouw van de Sant’Anastasia. Vanaf dit balkon konden Augustus en zijn opvolgers de wagenrennen in het Circus Maximus zien. Diep in de onderbouw, tegen de helling van de Palatijn aan, bevond zich mogelijk de Lupercal, de grot waarin de wolvin de tweeling Romulus en Remus zou hebben gezoogd.[1] Het domus Augusti moet overigens niet verward worden met het domus Augustana, zijnde het veel grotere paleis dat werd gebouwd door keizer Domitianus (81-96).

De kerk gezien vanuit het Circus Maximus.

Tegen het genoemde maenianum werd in de tijd van de Severijnse keizers (193-235) een appartementencomplex of insula aangebouwd. Op de begane grond van de insula bevonden zich tabernae of winkeltjes, waar mogelijk etenswaren en andere spullen werden verkocht aan bezoekers van het aangrenzende Circus, dat plaats bood aan zo’n 250.000 toeschouwers. Waarschijnlijk was het complex eigendom van de keizer, want via een trap in de insula kon het maenianum worden bereikt. Begin vierde eeuw werd op dit balkon een christelijke kapel of kleine kerk gebouwd, mogelijk door een vrouw die Anastasia heette. Keizer Constantijn (312-337) had een halfzuster die Anastasia heette.[2] Zij was zeker een christen, wat alleen al blijkt uit haar naam: Anastasia verwijst naar de anastasis of wederopstanding van Christus. Mogelijk was deze halfzuster degene die de kapel stichtte, al ontbreekt direct bewijs voor deze aanname. De plek van de kapel was opmerkelijk. Het gebouwtje, vermoedelijk in de vorm van een Grieks kruis met een ronde apsis, stond vlak bij het keizerlijk paleis. De titulus Anastasiae gaf daarmee duidelijk aan dat een nieuw tijdperk was aangebroken, een christelijk tijdperk.

Geen ‘Adorazione Perpetua’ meer.

Volgens de Atlas of Ancient Rome werd in deze kerk voor het eerst kerstmis op 25 december gevierd, waarschijnlijk in 326. Hoe men aan het jaar 326 komt, is niet duidelijk. Wellicht is het jaartal ontleend aan de aanname dat keizer Constantijn zelf bij de stichting van de titulus Anastasiae betrokken was en deze kerstviering bijwoonde. Na 326 is Constantijn nooit meer in Rome geweest. 25 december was volgens de zogenaamde Chronograaf van 354 de geboortedag van Sol Invictus, de Onoverwonnen Zon. Hetzelfde document meldt voor 25 december NATVS CHRISTVS IN BETLEEM IVDEAE, oftewel ‘Christus geboren in Bethlehem in Judea’. Dit is de oudste bekende verwijzing naar de geboorte van Christus op 25 december en tegelijkertijd een sterke aanwijzing dat omstreeks het midden van de vierde eeuw deze datum algemeen aanvaard werd door christenen als de datum voor het kerstfeest. Meer over deze datum hier. Eerder was de geboorte van Christus op 6 januari gevierd[3], tegenwoordig Driekoningen.

Latere geschiedenis

Paus Damasus I (366-384) liet een fresco in de apsis schilderen, dat door Paus Hilarius (461-468) werd vervangen door een mozaïek. Eind vijfde eeuw kwamen vervolgens de overblijfselen van een andere Anastasia naar Rome. Aan deze Sint Anastasia is de kerk gewijd, dus niet aan de halfzuster van Constantijn, die ook nooit als een heilige is vereerd. Over Sint Anastasia is weinig bekend, maar ze kwam van de Balkan, mogelijk uit Sirmium, en stierf de marteldood tijdens de christenvervolgingen van keizer Diocletianus (284-306). Haar feestdag is, opmerkelijk genoeg, 25 december. Ten tijde van de aankomst van de relikwieën werden Rome en het grootste deel van Italië bestuurd door de Ostrogotische koning Theoderik (489-526). Mogelijk werd in zijn tijd het kleine, bijna vierkante kerkje uitgebouwd tot een rechthoekige basilica met een middenschip en zijbeuken. Overigens kan dit ook pas gebeurd zijn tijdens het pontificaat van Paus Leo III (795-816), die een verbouwing lanceerde die werd voorgezet door Paus Gregorius IV (827-844). Hoe dit ook zij, door de vergroting van de kerk verdween de insula uit de derde eeuw. De linker zijbeuk rustte op de restanten van dit complex, maar de rechter zijbeuk werd over een straatje (vicus) heen gebouwd. Hier moesten bogen en pilaren een nieuw fundament bieden.

Interieur van de kerk.

De nieuwe en vergrote kerk bevond zich nog steeds feitelijk op de eerste verdieping van het appartementencomplex. Waar de eerdere kapel via een trap in de insula kon worden betreden, gold dit ook voor het nieuwe gebouw, dat een trap aan de voorkant had gekregen. Op de begane grond bleven de tabernae nog enkele eeuwen in bedrijf. De Sant’Anastasia was nog lang een zeer belangrijke kerk vanwege haar connectie met het keizerlijk paleis. Bovendien werd hier de as voor Aswoensdag uitgedeeld. Een probleem was echter dat de overblijfselen van Sint Anastasia al in de achtste eeuw naar Zadar in het huidige Kroatië verdwenen. Zonder relikwieën stelde de kerk niet veel meer voor. Later kwamen er overige wel tamelijk dubieuze nieuwe relikwieën voor terug, maar die slaagden er niet in hordes pelgrims naar de Sant’Anastasia te lokken. De kerk werd niettemin gerestaureerd onder de pausen Innocentius III (1198-1216) en Sixtus IV (1471-1484). Tussen 1598 en 1618 kreeg ze een nieuwe gevel. Bij deze gelegenheid werd ook het plein voor de kerk verhoogd en verdwenen de inmiddels gesloten winkeltjes en de toegangstrap ondergronds. Een klimpartij om de kerk te betreden is sindsdien niet meer nodig.

De nieuwe gevel had een portiek, die helaas al in 1634 door een tornado werd verwoest. Paus Urbanus VIII (1623-1644) huurde daarop de architect Luigi Arrigucci (1575-na 1652) uit Florence in om een nieuwe gevel te bouwen. Wat we vandaag de dag zien, is de gevel van Arrigucci. Onder leiding van de architect Carlo Gimach (1651-1730) werd vervolgens ook het interieur van de kerk onder handen genomen. Gimach was afkomstig van het eiland Malta en had Maltese, Franse en Palestijnse wortels. Hij ligt in de kerk begraven. Na hem werden er in de negentiende eeuw nog restauraties uitgevoerd onder de pausen Pius VII (1800-1823) en Pius IX (1846-1878), terwijl in de twintigste eeuw de Amerikaanse kardinaal  James Francis McIntyre (1886-1979) veel werk liet verrichten. Toch bleek de kerk niet stabiel te zijn. Als gezegd was ze gebouwd op een balkon, op de resten van een insula en over een straatje. Na vele honderden jaren bleek dit onvoldoende te zijn en moest de kerk twintig jaar dicht. Pas in 2000 gingen de deuren weer open en een jaar later werd – als goedmakertje? – de Adorazione Perpetua ingesteld.

Bezienswaardigheden

Hoe interessant de geschiedenis van de Sant’Anastasia ook is, voor kunst met een hoofdletter K moet u niet in deze kerk zijn. De gevel van het gebouw is tamelijk eenvoudig. Hij bestaat hoofdzakelijk uit baksteen en decoraties van kalksteen. In het grote driehoekige fronton zien we het wapen van Paus Urbanus VIII, met de drie bijen van de familie Barberini (zijn echte naam was Maffeo Barberini). De kerk heeft twee klokkentorens, maar alleen in de linker hangen klokken. Boven de ingang staat uitnodigend het woord ADOREMUS – ‘laten wij aanbidden’ – maar dat is tegenwoordig gemakkelijker gezegd dan gedaan.

Plafond van de kerk.

In het Barokke interieur contrasteren de witgekalkte muren scherp met het kleurrijke plafond en met de vloer. Helaas is de middeleeuwse Cosmatenvloer bij de verbouwing in de achttiende eeuw verloren gegaan. De opdracht voor deze verbouwing kwam van de Portugese kardinaal Nuno da Cunha e Ataíde (1664-1750), wiens wapenschild we op de triomfboog zien, gedragen door twee engelen en een putto. Op de rol die de engelen vasthouden, staat de naam van de kardinaal en het jaar 1722. Onder de rode kardinaalshoed zijn de letters IHS te lezen, hetgeen suggereert dat de kardinaal een Jezuïet was. Het wapenschild dat we op de vloer zien, is dat van James Francis McIntyre. Langs de wanden staan nog Romeinse zuilen die ooit een dragende functie moeten hebben gehad, maar nu alleen ter decoratie dienen. De zuilen zijn niet identiek en moeten dus als spolia uit verschillende andere gebouwen zijn weggenomen.

Het prachtige plafond in blauw, rood en goud is voorzien van ingewikkelde patronen. De tekst op het plafond verwijst naar het zeventiende jaar van het pontificaat van Paus Pius VII (dus 1817) en de centrale voorstelling stelt het martelaarschap van Sint Anastasia voor. De voorstelling werd geschilderd door Michelangelo Cerruti (1663-1749).

Onorio Longhi (1568-1619) ontwierp het hoogaltaar van de kerk. Eronder ligt een beeld van Sint Anastasia van de hand van Ercole Ferrata (1610-1686). Een foto van het beeld vindt u hier. Aangenomen wordt dat de beeldhouwer zich liet inspireren door het beeld van de Zalige Ludovica Albertoni van Bernini in de kerk van San Francesco a Ripa. Het altaarstuk werd geschilderd door Lazzaro Baldi (ca. 1624-1703), van wie we ook elders in de kerk werk aantreffen. Andere kunstenaars die in de kerk actief waren, waren de Fransman Étienne Parrocel (1696-1775/1776), Pier Francesco Mola (1612-1666) en Domenichino (1581-1641).

Bronnen

  • Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, deel 1, p. 261-262 en ill.10;
  • Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, deel 2, Tab. 71-72 en 88b;
  • Henk Singor, Constantijn, p. 114;
  • Luc Verhuyck, SPQR. Anekdotische reisgids voor Rome, p. 183-184;
  • Sant’Anastasia op Churches of Rome Wiki.

Noten

[1] Zie voor een reconstructie Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome, deel 1, ill. 10 en deel 2, Tab. 72.

[2] Constantijn liet haar man, een zekere Bassianus, in 316 vermoorden. Hij zou betrokken zijn geweest bij een samenzwering tegen de keizer.

[3] Henk Singor, Constantijn, p. 114.

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.