Caracalla: Het Jaar 215

Pharos-mozaïek (Capitolijnse Musea, Rome).

Caracalla verliet Nicomedia in april, nadat hij ter ere van zijn verjaardag (die op 4 april viel) gladiatorenspelen had gehouden. Hij reisde door naar Antiochië, waar hij volgens Cassius Dio een luxeleventje leidde. Aan het einde van de zomer bereikte de keizer Alexandrië. Dat was op dat moment waarschijnlijk de tweede of derde stad van het Rijk. Ooit was ze gesticht door Alexander de Grote zelf. De keizer nam zijn intrek in de wijk waar het Serapaeum stond, het heiligdom gewijd aan de Hellenistische godheid Serapis. Een van de doelen van zijn tocht naar Alexandrië was ook om de tempel van deze god te zien. Een ander doel was een bezoek aan de graftombe van Alexander, die zo’n 15 jaar daarvoor door Caracalla’s vader Septimius Severus was gesloten.

De burgers van Alexandrië verwelkomden hun keizer met open armen, maar kennelijk hadden ze hem om de een of andere reden ook heel boos gemaakt. Het is moeilijk vast te stellen wat ze precies verkeerd hadden gedaan, maar blijkbaar ging het om grappen over de betrokkenheid van de keizer bij de moord op Geta. Herodianus beweert dat ze tevens zijn moeder Julia Domna ‘Iokaste’ noemden, een verwijzing naar de moeder van Oidipous en de geruchten dat Caracalla een incestueuze relatie zou hebben met zijn moeder. Deze verhalen over Julia – die ook in de Historia Augusta genoemd worden – waren hoogstwaarschijnlijk een verzinsel. Niettemin was de keizer woedend.

Volgens Herodianus vaardigde hij een edict uit op basis waarvan alle jongemannen van de stad zich moesten verzamelen op een aangewezen plein. Daar wilde hij ze als Macedonische falanx opstellen om Alexander de Grote te eren. Herodianus schrijft hierover het volgende:

“Allemaal daar opstellen in rij en gelid, was het bevel, dan zou hij hen man voor man kunnen monsteren op leeftijd, lichaamslengte en geschiktheid voor militaire dienst. De mannen hadden vertrouwen in zijn beloften, het leek hun allemaal aannemelijk gezien zijn eerdere eerbetoon aan de stad. Zo kwamen ze dan bijeen, samen met hun ouders en broers, die zich met hen verheugden over de perspectieven. Zodra ze in het gelid stonden ging Antoninus [Caracalla] naar hen toe. Ieder sprak hij aan, met een bemoedigend woord links en rechts, totdat zijn hele leger hen ongemerkt en onverwacht had omsingeld. Ze waren ingesloten door gewapenden, constateerde hij, en zaten als het ware in een net. Daarop trekt hij zich terug samen met zijn lijfwacht. Op één teken vallen de soldaten van alle kanten aan op de jongemannen in het midden en wie zich daar verder ophouden.”[1]

Kaart van Alexandrië.

Het was een bloedbad. Met gemak doodden de soldaten hun ongewapende slachtoffers en begroeven die in massagraven. Bij Cassius Dio vinden we een andere, minder gedetailleerde versie van het verhaal, waarin Caracalla de belangrijkste burgers van Alexandrië voor een banket uitnodigt en vervolgens laat vermoorden. Na deze moorden stuurt hij zijn soldaten de straten in om iedereen af te slachten die ze maar tegenkomen. Hoewel het zeker aannemelijk is dat Caracalla veel Alexandrijnen liet doden, is het simpelweg niet plausibel dat hij de hele stad liet uitmoorden. Alexandrië bleef ook na de moordpartij een van de belangrijkste steden van het Rijk.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of the West, p. 74.

Noot

[1] Herodianus IV.9 (vertaling: M.F.A. Brok / Vincent Hunink).

One Comment:

  1. Pingback:Caracalla: Het Jaar 216 – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.