We parkeerden onze auto vlak bij het ziekenhuis van Fano, op een gratis parkeerterrein dat de naam Parcheggio ex Foro Boario heeft meegekregen. Het was een tip van een vriendin die eerder Fano had bezocht, en dan met name het ziekenhuis. Zo negatief als ze over dat ziekenhuis was, zo positief oordeelde ze over Fano. Na zelf een dag door het stadje te hebben gewandeld en de meeste kerken, musea en andere attracties te hebben bekeken, kwamen wij tot hetzelfde oordeel. Fano is absoluut de moeite waard, of je nu komt voor de mooie stranden of de Romeinse geschiedenis.
Als je voor het eerst een stad bezoekt, is het altijd verstandig bij het lokale VVV langs te gaan. Dat van Fano bevindt zich aan het centrale plein, de Piazza XX Settembre, dus dat werd onze eerste bestemming. Op het plein zien we een fontein met een beeld van de Romeinse godin Fortuna. Het beeld herinnert aan de tijd dat Fano nog Fanum Fortunae (‘heiligdom van Fortuna’) heette en een Romeinse nederzetting was. Het beeld is een werk van Donnino Ambrosi, althans het originele beeld. Dat originele beeld is verplaatst naar het Museo Civico, waar het een beetje zielig in het trappenhuis staat. Op de fontein staat tegenwoordig een kopie. Een ander gebouw aan het plein is het voormalige Palazzo della Ragione, dat van 1299 dateert maar thans als theater in gebruik is, het Teatro della Fortuna. Het theater werd ontworpen door de architect Luigi Poletti (1792-1869). In drie nissen aan de buitenzijde van het gebouw zijn beelden geplaatst van drie heiligen. De belangrijkste zien we in het midden: Sint Paternianus (gestorven 360), volgens de overlevering de eerste bisschop van Fano. Zijn beeld is veertiende-eeuws. De andere twee beelden werden in de zestiende eeuw gemaakt en stellen Sint Fortunatus van Todi (gestorven 565) en Sint Eusebius van Vercelli (ca. 283-371) voor.
Liefhebbers vinden aan de Piazza XX Settembre ook nog een kleine kerk of chiesetta. Deze San Silvestro Papa of Madonna di Piazza dateert oorspronkelijk van de dertiende eeuw. De kerk is gewijd aan Paus Silvester I, die tussen 314 en 335 op de troon van Petrus zat en een groot deel van de regering van keizer Constantijn, de eerste christelijke Romeinse keizer, meemaakte. Volgens een historisch volstrekt onjuiste traditie heeft deze Silvester Constantijn zelfs gedoopt. Aanvankelijk verkeerde ik in de veronderstelling dat de kerk was gewijd aan Paus Silvester II (999-1003), die Fano ten geschenke kreeg van de Duitse keizer Otto III. De tweede Silvester is echter geen heilige. San Silvestro Papa behoort tot de oudste kerken van Fano. De Romeinse zuilen in het interieur zijn spolia, hergebruikte materialen uit de Oudheid. De muurschilderingen over de Via Crucis (kruisweg) zijn daarentegen modern. Ze werden na de Tweede Wereldoorlog gemaakt door Augusto Ranocchi (1931-2011). En dan is er nog de gevel, waarvan het onderste gedeelte werd ontworpen en gebouwd door Filippo Terzi (1520-1597), die later ook werk in Portugal zou achterlaten. Dit gedeelte dateert van 1565, het gedeelte erboven van 1606.
Het was nu tijd om het centrale plein te verlaten en een bezoek te brengen aan de voormalige kerk van San Francesco. De in 1336 gewijde kerk verloor in 1930 haar dak en wordt thans niet meer voor de eredienst gebruikt. In plaats daarvan worden er in de zomer, als de kans op regen het kleinst is, openluchtconcerten gehouden. De kerk zelf is afgesloten voor het publiek en er is ook niets meer te zien. We waren echter gekomen voor de graftombes in de portiek van de San Francesco, de zogenaamde Tombe Malatestiane. Rechts zien we die van Pandolfo III Malatesta (1370-1427), condottiero en heer van Fano tussen 1385 en zijn dood. Pandolfo’s grafmonument werd ontworpen door Leon Battista Alberti (1404-1472) en dateert van 1460. Maar hoe beroemd Alberti is ook, het grafmonument is tamelijk saai. Veel interessanter is dat van Pandolfo’s eerste vrouw – en nicht – Paola Bianca Malatesta (ca. 1366-1398). Haar grafmonument werd in 1413 voltooid en wordt doorgaans toegeschreven aan de Venetiaanse beeldhouwer Filippo di Domenico. Boven de gisant van de overledene zien we een voorstelling van de Kruisiging met Sint Lodewijk van Toulouse, de Maagd Maria, Johannes de Evangelist en Franciscus van Assisi, terwijl op de hoeken kleinere beelden staan van de aartsengel Gabriel en wederom Maria. De sarcofaag is versierd met de beeltenissen van nog eens vijf heiligen. Het derde grafmonument in de loggia is dat van Bonetto da Castelfranco. Hij was de lijfarts van Sigismondo Pandolfo Malatesta, heer van Fano tussen 1432 en 1468.
Na de grafmonumenten bekeken te hebben, wandelden we in vijf minuten naar een andere kerk, die nog wel een dak heeft: Santa Maria Nuova. Deze van oorsprong middeleeuwse kerk heette aanvankelijk San Salvatore. Ze werd in 1518 toegewezen aan een groep Observante Franciscanen, die de kerk herbouwden en in 1557 inwijdden. Opmerkelijk is dat de Franciscanen het portaal van hun eerdere kerk meenamen en aan hun nieuwe kerk toevoegden. Dit portaal is een werk van Bernardino di Pietro da Carona en dateert van 1498. De broeders namen ook verschillende kunstwerken uit hun oude kerk mee en gebruikten deze om de altaren in hun nieuwe onderkomen te decoreren. Aan de linkerzijde vinden we een Visitatie van Giovanni Santi (ca. 1435-1494) en een Annunciatie van Perugino (ca. 1446-1523).
Giovanni Santi uit Urbino was zelf een tamelijk gemiddelde schilder, maar hij had het geluk ook de vader te zijn van de briljante Rafaël (1483-1520). Deze ging in de leer bij de beroemde Perugino (Pietro Vannucci) en zou hem ook hebben geassisteerd bij zijn Pala di Fano, een werk dat we aan de rechterzijde vinden. De Madonna en het Kind worden op deze paneelschildering links geflankeerd door Johannes de Doper en de Franciscaanse heiligen Lodewijk van Toulouse en Franciscus van Assisi, en rechts door Petrus, Paulus en Maria Magdalena. Rafaël zou hebben bijgedragen aan de predella, die ons gebeurtenissen uit het leven van Maria toont. Toen wij de Santa Maria Nuova bezochten, was de Pala di Fano helaas verplaatst naar het gemeentemuseum vanwege een tentoonstelling over Perugino. We moesten het doen met een kopie en de troostvolle gedachte dat we het originele werk wel zouden zien bij ons bezoek aan het Museo Civico later die dag. Dat zou alleen een klein beetje anders lopen.
Het was nu tijd om nader kennis te maken met het Romeinse verleden van Fano. Daarvoor wandelden we naar de Arco d’Augusto, een boog die in het jaar 2 BCE werd gebouwd op de plek waar de beroemde Romeinse weg de Via Flaminia de stad bereikte. Fano heette als gezegd oorspronkelijk Fanum Fortunae en werd mogelijk gesticht na de Romeinse overwinning op de Carthager Hasdrubal in de slag bij de Metaurus in 207 BCE. Keizer Augustus (27 BCE-14 CE) maakte van de nederzetting een Romeinse kolonie die hij Colonia Julia Fanestris noemde. Hij schonk de stad ook de stadsmuren en de naar hem genoemde Arco d’Augusto. Van de boog is alleen het onderste gedeelte bewaard gebleven. Het bovenste gedeelte – een galerij – sneuvelde tijdens een conflict tussen Paus Pius II (1458-1464) en Sigismondo Pandolfo Malatesta. Het leger van de paus belegerde Fano en beschoot de stad met kanonnen. Daarbij werd ook de Arco d’Augusto geraakt en werd de bovenkant ervan onherstelbaar beschadigd. Meer over Romeins Fano leest u in een aparte bijdrage.
Ik wijd tevens een aparte bijdrage aan de Duomo van Fano. Deze kathedraal is niet – zoals men wellicht zou verwachten – aan Sint Paternianus gewijd, maar aan de Maagd Maria (Santa Maria Assunta). De Duomo dateert van ca. 1140, maar is vaak en ook zeer recent nog verbouwd. Zo dateert de gevel van 1925 en de klokkentoren zelfs van na de Tweede Wereldoorlog. Artistieke hoogtepunten van het gebouw zijn een Romaans portaal met Cosmatendecoraties en een Romaanse preekstoel met voorstellingen uit de levens van Maria en Jezus. Intrigerend is het grafmonument van bisschop Vincenzo del Signore (1881-1967), waarin een reliëf uit de twaalfde eeuw is geïncorporeerd. Bijzonder fraai is ten slotte de barokke Cappella Nolfi, die toebehoorde aan een plaatselijke adellijke familie. De meeste fresco’s in de kapel zijn van Domenichino (1581-1641), het altaarstuk werd geschilderd door Andrea Lilli en de borstbeelden van de broers Cesare en Guido Nolfi werden gemaakt door Francesco Caporale.
Onze volgende bestemming was het Museo Civico, gehuisvest in het Palazzo Malatestiano. Op de begane grond vinden we het archeologisch museum, dat het verhaal van Romeins Fano vertelt. Het kleine museum bezit vooral beeldhouwwerk en heeft daarnaast een mooi mozaïek van Neptunus in zijn wagen. Een verdieping hoger kunnen we in de Pinacoteca schilderijen bekijken van de al genoemde Giovanni Santi en Domenichino, maar ook van Giovanni Francesco Guerrieri (1589-1657), Mattia Preti (1613-1699) en Guercino (1591-1666). Het mooiste werk vond ik persoonlijk een vijftiende-eeuws veelluik van de Venetiaanse schilder Michele Giambono, terwijl de stad Fano vertegenwoordigd wordt door de lokale schilders Bartolomeo en Pompeo Morganti, een vader en zoon. In een aparte bijdrage leest u meer over de werken. En Perugino’s Pala di Fano? Dat kregen we spijtig genoeg niet te zien. De tentoonstelling Pietro Perugino a Fano. “Primus pictor in orbe” was weliswaar wegens succes verlengd, maar kon alleen in de avond bezocht worden. Leuk voor Italianen die na hun diner nog even wat kunst willen snuiven, maar ongeschikt voor twee toeristen die nog een stuk terug moeten reizen naar hun agriturismo.
Het was nu wel tijd geworden voor de lunch, maar eerst gingen we nog even langs de Rocca Malatestiana, de voormalige burcht van Fano. Deze werd in de vijftiende eeuw gebouwd voor de familie Malatesta. De burcht werd in de Tweede Wereldoorlog zwaar beschadigd, maar in de naoorlogse periode grondig gerestaureerd. Thans wordt de Rocca Malatestiana voor evenementen in de open lucht gebruikt, maar als die er niet zijn, valt er niet veel te zien en te beleven. We waren dus snel klaar met ons bezoek, staken de spoorweg over en wandelden over de Viale Colombo richting het strand. Hier zijn vele goede restaurants te vinden die – uiteraard – gespecialiseerd zijn in vis en zeevruchten. Onze reisgids raadde Trattoria La Quinta aan, maar die bleek gesloten te zijn wegens vakantie. We besloten het daarom te proberen bij de buren van La Rustita. Daar zat nog niemand, maar de vele briefjes op de tafels met reserveringen voor “Pietro x 4” en “Alessandra x 6” verraadden dat La Rustita een populair restaurant is. Gelukkig was er nog plek voor ons en konden we genieten van een prima lunch. Een keuzemenu was er niet, je at wat de pot schaftte.
Fano heeft echt een prachtig strand. We hadden er beslist een bedje gehuurd als we zwemspullen hadden meegenomen. Omdat we dat niet hadden gedaan, maakten we een wandeling over de pier, waar we helemaal aan het einde een kopie aantreffen van een beeld dat bekendstaat als de Atleet van Fano, de Zegevierende Jongeling of de Lysippos van Fano. Het bronzen beeld, toegeschreven aan de Griekse beeldhouwer Lysippos (vierde eeuw BCE) of – steeds vaker – een navolger, werd in 1964 door Italiaanse vissers uit de Adriatische zee gevist. Ze verkochten het op de zwarte markt, waarna het via de Duitse kunsthandelaar Herman Heinz in 1977 werd verkocht aan het J. Paul Getty Museum in Los Angeles. Daar bevindt het zich nog steeds, want het museum heeft de Italiaanse claim op de Atleet van Fano steeds afgewezen.
We sloten ons bezoek aan Fano af met een bezichtiging van twee kerken. Als eerste kwamen we langs de achthoekige kerk van Sant’Antonio Abate, waarvan geschiedenis teruggaat tot de dertiende eeuw, maar die in 1749 geheel herbouwd werd. Het exterieur van het gebouw is grotendeels het resultaat van een verbouwing in 1922. Het ziet er allemaal een beetje nep uit. We zien dan ook geen marmer, maar beschilderd beton. Tegenwoordig wordt de kerk gebruikt door een orthodoxe gemeenschap, hetgeen de aanwezigheid van een iconostase verklaart. De kunstwerken in de Sant’Antonio Abate zijn niet echt bijzonder, al is een vijftiende-eeuws beeld van bisschop Orso (zevende eeuw) boven de hoofdingang wel de moeite waard.
We hadden aanzienlijk hogere verwachtingen van de kerk gewijd aan de beschermheilige van Fano, San Paterniano. Helaas bleek deze kerk gesloten te zijn, dus we moesten ons beperken tot het bekijken van de weinig spectaculaire gevel van het gebouw. De oorspronkelijke kerk gewijd aan Sint Paternianus verrees langs de Via Flaminia en werd gebouwd voor het jaar 1000. In 1547 begon de bouw van een nieuwe kerk, die in 1558 werd gewijd. De betrokkenheid architect zou Jacopo Sansovino (1486-1570) zijn geweest, maar bewijs voor deze stelling schijnt er niet te zijn. Binnen in de kerk vinden we onder meer werk van de al genoemde lokale schilder Bartolomeo Morganti, alsook van Claudio Ridolfi (ca. 1570-1644) en Giuseppe Cesari (1568-1640), beter bekend als de Cavalier d’Arpino. Naast de kerk bevindt zich een klooster, sinds 1922 in gebruik bij Kapucijners.
Bron: Bradt travel guide Umbria & the Marche (2021), p. 281-283.





Pingback:Fano: Museo Civico en Pinacoteca – – Corvinus –
Pingback:A walk in Fano – – Corvinus –