Grado: Santa Eufemia en het Schisma van de Drie Hoofdstukken

De Santa Eufemia.

De schitterende kerk van Santa Eufemia in het historische stadscentrum van Grado is in feite een voormalige patriarchale basiliek. De kerk was tot 1451 de formele zetel van de Patriarch van Grado. In dat jaar werd het Patriarchaat van Grado opgeheven en verplaatst naar Venetië. De Patriarch van Grado oefende toen feitelijk al eeuwenlang vanuit Venetië zijn gezag uit, dus de opheffing was in de praktijk slechts een formaliteit en hield niet meer in dan het aannemen van een andere titel. Ook al heeft ze dan haar status verloren, de kerk van Santa Eufemia heeft haar charme behouden en het is zeker de moeite waard om haar een bezoek te brengen. De voornaamste reden daarvoor is de originele mozaïekvloer uit de zesde eeuw, die echt fantastisch is.

De eerste kerk op deze plek wordt met de nodige slagen om de arm toegeschreven aan bisschop Nicetas (ca. 454-485), de man die na de invasie van de Hunnen onder hun beruchte koning Attila in 452 zijn kudde van Aquileia naar Grado had geleid. Deze migratie had oorspronkelijk tijdelijk moeten zijn. Als de rovende barbaren weer waren vertrokken, zouden de mensen terugkeren naar Aquileia. Nieuwe indringers bleven echter Italië binnenvallen en mensen bleven naar de relatieve veiligheid van de lagune vluchten, met als gevolg dat de migratie uiteindelijk een permanent karakter kreeg. Toen de Longobarden in 568 Italië binnenvielen, besloot de Patriarch van Aquileia[1], een zekere Paulinus (ca. 557-569), het verwoeste vasteland voorgoed te verlaten, de heilige relikwieën met zich mee te nemen en zich definitief in Grado te vestigen. Elia of Helias (ca. 569-586), de opvolger van Paulinus, was verantwoordelijk voor de bouw van de huidige kerk. Hij wijzigde of voltooide het bouwwerk dat door Nicetas was begonnen en op 3 september 579 wijdde hij de kerk aan Sint Eufemia.

De Santa Eufemia bezien van de zijkant.

De natuur van Christus

Interieur van de kerk.

Deze wijding aan Eufemia is veelzeggend en ze is nauw verbonden met een religieus geschil dat in de zesde eeuw de christelijke kerk in Italië verscheurde. Dit geschil staat bekend als het Schisma van de Drie Hoofdstukken (ook bekend als de Drie Hoofdstukken-strijd). Om het geschil goed te begrijpen is enige achtergrondinformatie nodig. Een van de heetste hangijzers van het Vroege Christendom was het vraagstuk van de natuur, aard of persoon van Christus en zijn verhouding tot God de Vader. Ariaanse christenen geloofden bijvoorbeeld niet in de zogenaamde consubstantialiteit van God de Vader en Zijn Zoon Jezus. Volgens deze Arianen waren God en Christus niet “van dezelfde substantie”, zoals het Orthodoxe standpunt luidde. Christus was een sterfelijk mens geweest en als zodanig was hij ondergeschikt aan God. Hoewel de Ariaanse doctrine al tijdens het Concilie van Nicea van 325 als ketterij was veroordeeld, bleef ze tamelijk populair onder de Germaanse stammen die buiten het Romeinse Rijk woonden. De Ostrogoten die in 489 Italië binnenvielen en over het grootste gedeelte ervan regeerden tot aan de herovering door het Oost-Romeinse Rijk waren bijvoorbeeld overtuigde Arianen. Dat gold eveneens voor de Longobarden, die na hun inval in 568 het grootste gedeelte van het Italiaanse schiereiland bezetten.

13e-eeuwse preekstoel of ambo.

En dat is nog niet alles. Nestoriaanse christenen – vernoemd naar Nestorius, de Aartsbisschop van Constantinopel (gestorven in 435) – geloofden dat Christus twee afzonderlijke naturen had, de een menselijk, de ander goddelijk. Als gevolg hiervan kon de Maagd Maria alleen als de moeder van Christus worden gezien, niet als de Theotokos, de Moeder van God. De Nestoriaanse doctrine werd al snel populair in het Oost-Romeinse Rijk, niet in de laatste plaats bij het hof in Constantinopel. De leer werd echter heftig bestreden door de Patriarch Cyrillus van Alexandrië in Egypte. Het was ook deze Cyrillus die het Concilie van Efese in 431 voorzat. Het Nestoriaanse standpunt werd op dit concilie als ketterij bestempeld. Nestorius werd daarop afgezet en later verbannen. De meeste van zijn volgelingen verlieten het Rijk en vluchtten naar het oosten, waar ze uiteindelijk terecht zouden komen in Perzië, China en zelfs Mongolië. Een Nestoriaans-christelijke vrouw uit de stam van de Keiraïten genaamd Sorghaghtani zou uiteindelijk trouwen met Tolui, een zoon van Genghis Khan. Zij zou de moeder worden van twee grote Mongoolse keizers, Möngke en Kublai Khan.

Er waren echter ook mensen die geloofden dat Christus slechts één natuur had, die in alle opzichten goddelijk moest zijn. Deze doctrine wordt van oudsher Monofysitisme genoemd, en hoewel wel bezwaar is gemaakt tegen deze term, zal ik hem omwille van de eenvoud toch voor deze bijdrage gebruiken. Het Monofysitisme werd in 451 tijdens het Concilie van Chalcedon als ketterij veroordeeld. Dit concilie legde de Orthodoxe leer over de natuur van Christus vast. Deze kan een ongelovige als zowel onlogisch als onbegrijpelijk in de oren klinken. Door de bank genomen verklaarde het concilie dat Christus één persoon is met twee onscheidbare naturen en sprak het uit dat “onze Heer Jezus Christus één en dezelfde Zoon is, volmaakt in zijn Godheid en volmaakt in zijn mensheid, waarlijk God en waarlijk mens”. Dit standpunt komt in feite dicht in de buurt van het Nestorianisme, maar het verschil is kennelijk dat er in de laatstgenoemde doctrine twee afzonderlijke naturen zijn (zoals water en olie, die niet vermengd kunnen worden), terwijl volgens het Orthodoxe standpunt de naturen onscheidbaar zijn (zoals water vermengd met wijn).

De Drie Hoofdstukken-strijd

Keizerin Theodora.

In de praktijk hadden al deze theologische discussies maar weinig effect. Goten en Longobarden trokken zich niets aan van de veroordeling van het Arianisme door het Concilie van Nicea en de Monofysieten van Egypte en Syrië negeerden de Chalcedonische geloofsbelijdenis. Deze laatsten waren een groep waar de autoriteiten niet omheen konden. Zelfs de machtige Oost-Romeinse keizerin Theodora (zie Ravenna: San Vitale) was een niet-Chalcedonische christen. Keizer Justinianus (527-565), haar Orthodoxe echtgenoot, kon niet het risico lopen dat de christenen die Chalcedon verwierpen zich tegen hem zouden keren. In 544 deed hij een wanhopige poging om de eenheid van de Kerk te behouden. Hij vaardigde een decreet uit waarin de banvloek werd uitgesproken over de persoon en geschriften van Theodorus van Mopsuestia – een voorganger van Nestorius –, alsook over bepaalde geschriften van de obscure en allang vergeten Theodoretus van Cyrus en Ibas van Edessa. Al deze geschriften hielden verband met het Nestorianisme, en aangezien zowel Chalcedonische als niet-Chalcedonische christenen de leer van Nestorius verafschuwden, hoopte Justinianus kennelijk dat hij een verzoening teweeg kon brengen door de banvloek uit te spreken over de voornoemde Drie Hoofdstukken.

Apsismozaïek.

Het decreet had niet het gewenste effect. Alleen Orthodoxe christenen in het Oosten spraken er zonder erg veel enthousiasme hun steun voor uit. De niet-Chalcedonische christenen van Egypte en Syrië – die hadden gehoopt op serieuze concessies – waren echter teleurgesteld, terwijl de christenen in het Westen – in Italië, maar ook in Afrika – ronduit woedend reageerden. De Paus in Rome, een overtuigde Chalcedonische christen, weigerde de Drie Hoofdstukken te veroordelen. Hij meende dat het decreet slechts een rookgordijn was dat moest verhullen dat de keizer nog geen enkele actie had ondernomen tegen de Monofysieten, wier denkbeelden al in 451 als ketterij waren veroordeeld. Deze Paus Vigilius (537-555) moest zijn koppige opstelling in 545 bekopen met een ontvoering in opdracht van de keizer. Na het lezen van de mis in de kerk van Santa Cecilia werd hij opgewacht door soldaten van de keizer en meegenomen aan boord van een schip dat hem van Rome naar Sicilië bracht en vervolgens naar Constantinopel. Daar werd de Paus door Justinianus en Theodora onder enorme druk gezet om de Drie Hoofdstukken te veroordelen, hetgeen hij uiteindelijk ook deed. Toen Theodora echter in 548 stierf, kwam Vigilius tot inkeer en trok hij zijn veroordeling, die in het Westen vrijwel unaniem was bekritiseerd, weer in.

Dit was evenwel niet het einde van alle ellende voor Vigilius, die feitelijk nog steeds een gevangene van de keizer was. In 553 leed hij een nieuwe nederlaag. Een nieuw Concilie van Constantinopel, waaraan voornamelijk bisschoppen uit het Oosten deelnamen en dat in de Hagia Sophia werd gehouden, bevestigde het decreet van Justinianus uit 544 en veroordeelde opnieuw de Drie Hoofdstukken. Vigilius was nu een gebroken man die ernstig last had van galstenen. In 554 tekende hij, vrijwel zeker onder enorme druk, een verklaring waarin hij zijn eerdere fouten formeel toegaf en de Drie Hoofdstukken alsnog veroordeelde. De Paus kreeg nu toestemming Constantinopel te verlaten, maar hij stierf op de terugweg naar Rome in Syracuse. Zijn capitulatie kon in Italië op weinig waardering rekenen, en dat is nog zacht uitgedrukt. Belangrijke bisdommen als Milaan en Aquileia verbraken alle banden met Rome. De aartsbisschop van Aquileia noemde zichzelf voortaan “patriarch” in plaats van gewoon aartsbisschop. Het Schisma van de Drie Hoofdstukken was geboren.

Santa Eufemia

Baptisterium naast de kerk.

Patriarch Elia wijdde zijn nieuwe kathedraal niet zonder reden aan Sint Eufemia. Volgens een kerkelijke overlevering was Eufemia in de vroege vierde eeuw in Chalcedon de marteldood gestorven. Dat de basiliek aan haar werd gewijd was daarmee een duidelijke verwijzing naar het Concilie van Chalcedon van 451 en het bewijs dat de patriarch een overtuigde Chalcedonische christen was.[2] Door een kerk aan een Chalcedonische heilige te wijden toonde de patriarch zijn middelvinger aan de Paus in Rome en benadrukte hij het schisma dat was ontstaan tussen Rome en het immens belangrijke bisdom Aquileia. Uiteraard was de situatie in de praktijk nog veel gecompliceerder, want de Patriarch van Aquileia zetelde nu in Grado omdat Aquileia zelf door de Longobarden was bezet. In 606 werd het allemaal nog veel erger toen op het vasteland met steun van de Longobarden een concurrerende Patriarch van Aquileia werd benoemd. De Longobarden waren namelijk bezig hun Ariaanse geloof in te ruilen voor het Orthodoxe Christendom. Pas in 698 zou het schisma tussen Rome, Aquileia en Grado eindelijk beëindigd worden. De eenheid tussen Rome en Aquileia werd hersteld en Aquileia en Grado werden twee aparte patriarchaten.

Hoewel de Santa Eufemia in essentie een basiliek uit de zesde eeuw is, dateert haar klokkentoren van 1455. Deze is 42 meter hoog en werd gebouwd vier jaar nadat het Patriarchaat van Grado was opgeheven, c.q. verplaatst naar Venetië (zie hierboven). Misschien wilden de Venetianen hiermee Grado compenseren voor het statusverlies van hun Santa Eufemia. Boven op de toren staat het beeld van een aartsengel die als windvaan fungeert. Dit werd in 1462 toegevoegd. Aangezien hij twee lelies vasthoudt, lijkt het erop dat de aartsengel Gabriel moet voorstellen, de engel van de Annunciatie, maar de meeste bronnen stellen dat hij Michael is. Het beeld is zo’n beetje de enige versiering die de kerk aan de buitenkant heeft. De gevel is heel eenvoudig en volledig van baksteen gemaakt. Achter de kerk treffen we nog een interessant lapidarium aan met vondsten van de opgravingen die vanaf het begin van de twintigste eeuw zijn uitgevoerd. Vergeet niet het eenvoudige, maar elegante baptisterium naast de Santa Eufemia te bezoeken.

Mozaïekvloer in het middenschip. Let op de pala d’oro op de achtergrond.

Interieur

De muren van de Santa Eufemia zijn nauwelijks versierd. Daardoor valt ons oog direct op twee interessante objecten, te weten de merkwaardige preekstoel (zie de afbeelding hierboven) en het gouden scherm (pala d’oro) achter het altaar. De achthoekige preekstoel dateert klaarblijkelijk van de dertiende eeuw. Hij is versierd met reliëfs van de symbolen van de evangelisten en overdekt met een kap in Moorse stijl. De schitterende pala d’oro telt drie stroken en werd in 1372 aan de kerk geschonken door een Venetiaanse edelman. Tot de bezienswaardigheden behoort ook het middeleeuwse Gotische apsisfresco (zie de afbeelding hierboven), mogelijk uit de late dertiende of vroege veertiende eeuw. Helaas is het wel hier en daar wat beschadigd en vervaagd. Het fresco toont ons Christus die in een mandorla op zijn troon zit. Aan weerszijden zien we de symbolen van de vier evangelisten en diverse heiligen. De heilige naast de Leeuw (het symbool van de Heilige Marcus, de beschermheilige van Venetië) moet Sint Eufemia zelf zijn en de heilige met de kamelenharen mantel en de boekrol die naast de stier staat, moet Johannes de Doper zijn. De twee heiligen uiterst links en rechts zijn Hermagoras en Fortunatus, althans dat neem ik aan. Zij zijn de beschermheiligen van Grado. De woorden in het boek op de schoot van Christus komen uit het Evangelie volgens Johannes (“Ego sum lux mundi etc.”).

De mozaïekvloer uit de zesde eeuw is evident het hoogtepunt van de kerk. Niet alle mozaïeken zijn zichtbaar; veel ervan zijn bedekt met tapijten of kerkbanken. Dat is ook niet verrassend, want de Santa Eufemia is natuurlijk een kerk, geen museum. Twee mozaïeken zal ik specifiek benoemen. De eerste is een mozaïek dat men aan de rechterzijde van het schip vindt, net voor het koor (zie de afbeelding links). Het toont ons verschillende geometrische vormen en afbeeldingen van vogels, alsook diverse teksten die de burgers noemen die het mozaïek hebben gesponsord. Zoals ook het geval is in andere kerken in Grado geven de teksten aan hoeveel pedes aan mozaïek iedere burger of groep burgers heeft gesponsord. De namen die we hier aantreffen, zijn die van Martinianus en Simplicia, Honoratus, Vigilius en Hanna.

In een kapel aan de rechterzijde van de kerk vinden we een uitzonderlijk groot mozaïek met de naam van de patriarch Elia in de centrale tondo (zie de afbeelding hieronder).

Groot vloermozaïek.

De volledige tekst in het Latijn luidt:

SERVVS IHU XRI HELIAS EPSSC AEAQVIL ECCL TIBI SERVIENS FEC
(“De dienaar van Jezus Christus, Helias, Bisschop van Aquileia, bouwde deze kerk terwijl hij U diende”)

Doopvont.

De andere teksten op het mozaïek zijn eveneens interessant, vooral omdat ze verwijzen naar mensen die geen leken waren, maar die specifieke ambten binnen de Kerk bekleedden. Allemaal volbrachten ze hun gelofte door een deel van de vloer te sponsoren (VOTVM SOLVIT). Een zekere Lautus was een lector, een voorlezer, terwijl ene Laurentius diende als diaconus, een diaken (net zoals zijn naamgenoot, Sint Laurentius van Rome). Petrus, Dominicus, Justinus en Irenianus waren notarii, secretarissen die officiële documenten opstelden. Merk op dat alle sponsors hier mannen zijn: vrouwen konden mozaïeken sponsoren, maar geen functies in de Kerk bekleden. Al met al geeft de mozaïekvloer van de Santa Eufemia een uitstekende impressie van het religieuze leven in Grado in de late zesde eeuw.

Een belangrijke bron voor deze bijdrage is het lemma over Grado op de Treccani website. Voor de gebeurtenissen die leidden tot het Schisma van de Drie Hoofdstukken maakte ik voornamelijk gebruik van John Julius Norwich, ‘The Popes’, Chapter III. Aanvullende informatie over de kerk vindt men op het Italiaanse Wikipedia.

Noten

[1] De (aarts)bisschop van Aquileia nam in 557 de titel van patriarch aan.

[2] Daar komt nog bij dat tijdens zijn gevangenschap in Constantinopel Paus Vigilius uit zijn cel in het paleis was ontsnapt en naar de kerk van Sint Eufemia in Chalcedon was gevlucht.

Leave a Reply

Your e-mail address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.