Padova: Cappella della Reggia Carrarese

Loggia dei Carraresi.

De Reggia Carrarese is het complex van gebouwen van waaruit de familie Da Carrara in de veertiende eeuw de stad Padova bestuurde. Van dit complex is helaas vrijwel niets bewaard gebleven. In 1405 namen Venetiaanse troepen Padova in en de Carraresi raakten daarop hun macht (en in een aantal gevallen ook hun leven) kwijt. De Venetiaanse machthebbers namen het paleiscomplex over, maar in de loop der eeuwen werd het verwaarloosd en uiteindelijk grotendeels afgebroken. Wat wel bewaard is gebleven, is de Loggia dei Carraresi, waarin zich de voormalige privékapel van de familie bevindt. De kapel heeft prachtige fresco’s van de hand van Guariento di Arpo (1310-1370), die vaak beschouwd wordt als de hofschilder van de Carraresi. Deze fresco’s zijn in 2021 als UNESCO-werelderfgoed aangemerkt, samen met andere veertiende-eeuwse fresco’s in Padova. De Cappella della Reggia Carrarese is gratis te bezoeken onder begeleiding van een gids (een donatie wordt natuurlijk op prijs gesteld). Let er wel op dat de openingstijden van de kapel beperkt zijn.

De Reggia Carrarese

De familie Da Carrara heerste tussen 1318 en 1405 over Padova, zij het met tussenpozen, zeker in het begin. De eerste signore uit de familie, Jacopo I da Carrara, verwierf weliswaar de bijnaam Il Grande (‘de Grote’), maar hij moest al na een jaar formeel terugtreden onder druk van het vijandige Verona. Zijn neef en opvolger Marsilio da Carrara (1324-1338) oefende aanvankelijk het gezag over de stad uit als vicarius van Cangrande I (1311-1329) en Mastino II della Scala (1329-1351), heren van Verona. Dankzij een verdrag met Florence en Venetië wist Padova zich in 1337 aan de greep van Verona te ontworstelen. Een jaar later stierf Marsilio en werd hij opgevolgd door zijn neef Ubertino I da Carrara (1338-1345). Padova heeft veel aan Ubertino te danken. Hij bevorderde de relatie met Venetië, ontplooide veel bouwactiviteiten, verbeterde de verbindingen over de weg en over het water, en stimuleerde handel en industrie. Onder zijn bewind bloeiden de wol- en papierindustrie van de stad. Tegenwoordig kan men Ubertino’s graftombe nog bewonderen in de kerk van de Eremitani.

God met Adam en Eva.

Het was ook Ubertino die verantwoordelijk was voor de bouw van de Reggia Carrarese ten noorden van de kathedraal van de stad. In 1343 werd het eerste paleis voltooid, het zogenaamde Palazzo di Ponente (‘westelijk paleis’). Nog tijdens zijn leven werd begonnen met de bouw van een aangrenzend paleis, het Palazzo di Levante (‘oostelijk paleis’), maar dit was pas klaar tijdens de regering van Francesco I da Carrara (1350-1388). Aanvankelijk was het tweede paleis bedoeld voor de ontvangst van hoffunctionarissen, maar later werd het de vrouwenvleugel van de Reggia. De beide paleizen waren met elkaar verbonden door een grote binnenplaats met zuilengang. Ubertino liet bovendien een gang bouwen, traghetto genaamd, die het Palazzo di Ponente verbond met de stadsmuren. Zo kon in tijden van nood het Castello Carrarese in het zuidwesten van de stad worden bereikt. Het traghetto – de naam betekent letterlijk ‘veerboot’ – was 186 meter lang, tussen de 7 en 9 meter hoog en zo’n 3 meter breed. Een man kon er dus te paard doorheen rijden. In 1777 werd de gang, die toen al in vervallen staat verkeerde, afgebroken.

Waar het Castello Carrarese het militaire centrum van Padova was, gericht op verdediging van de stad, was de Reggia Carrarese het hart van het civiele bestuur. Dit bestuur werd na de dood van Ubertino slechts iets meer dan een maand uitgeoefend door zijn verre familielid Marsilietto Papafava da Carrara, die toen vermoord werd in opdracht van Jacopo II da Carrara. Jacopo II heerste vervolgens van 1345 tot 1350 over Padova, en werd in het laatstgenoemde jaar zelf ook vermoord. Zijn graftombe is eveneens te vinden in de kerk van de Eremitani, compleet met een gedicht van de beroemde dichter Francesco Petrarca. Jacopo’s zoon, de al genoemde Francesco I da Carrara, had de langste regeerperiode van alle Carraresi. Hij was van 1350 tot 1388 aan de macht. Zijn vrouw Fina Buzzaccarini (1328-1378) was verantwoordelijk voor een van de belangrijkste kunstwerken van de stad: ze gaf de schilder Giusto de’ Menabuoi uit Florence de opdracht een spectaculaire frescocyclus te schilderen voor het Baptisterium van Padova. Het was de bedoeling van dit gebouw het familiemausoleum van de Carraresi maken, maar helaas liep het allemaal anders.

Jozef legt de farao een droom uit.

Het buitenlandbeleid van Francesco I was gericht op expansie, en dit leidde tot spanningen met Venetië en Milaan. Uiteindelijk trad hij in 1388 af ten faveure van zijn zoon Francesco II. Om vader en zoon te onderscheiden wordt de eerste ook wel Il Vecchio (‘de oude’) en de tweede Il Novello (‘de nieuwe’ genoemd). Francesco Novello werd in 1389 verdreven door de Visconti van Milaan, maar wist in 1390 Padova te heroveren met slechts een handjevol soldaten. Daarna heerste hij nog over de stad totdat de Venetianen Padova in 1405 innamen. Begin 1406 werden Francesco Novello en zijn zonen in een Venetiaanse kerker gewurgd. De laatste der Carraresi probeerde zichzelf nog manhaftig te verdedigen met een houten kruk, maar werd al snel overweldigd.[1] Daarmee was de heerschappij van zijn familie over Padova ten einde. De Reggia Carrarese kwijnde langzaamaan weg en vandaag de dag is de Loggia dei Carraresi eigenlijk het enige tastbare bewijs dat er ooit een paleiscomplex is geweest.[2]

De Cappella della Reggia Carrarese

Het enige wat van het Palazzo di Ponente over is, is de Loggia dei Carraresi, een dubbele zuilengang die men bereikt vanuit de Via Accademia. Op de eerste verdieping bevindt zich de Cappella della Reggia Carrarese, de voormalige privékapel die werd gebouwd tijdens het bewind van Jacopo II, dus ergens tussen 1345 en 1350. De kapel werd gebruikt door de familie zelf, maar ook door belangrijke gasten. In dit verband wordt vaak het bezoek in 1354 genoemd van Karel IV, koning van Bohemen en later keizer van het Heilige Roomse Rijk. Of de inwoners van Padova erg blij waren met het bezoek valt te betwijfelen, want ze moesten het hoofd van de evangelist Lucas aan Karel afstaan, een belangrijk relikwie dat nu naar Praag verdween. Het is niet helemaal duidelijk of Guariento zijn fresco’s al had geschilderd toen Karel de kapel bezocht, maar ze worden doorgaans op de jaren 1355-1360 gedateerd. Voor het plafond vervaardigde Guariento daarnaast een aantal paneelschilderingen met de Madonna en het Kind, de evangelisten en (aarts)engelen. Deze zijn gedeeltelijk bewaard gebleven en bevinden zich thans in de Musei Civici Eremitani.

Interieur van de voormalige Cappella della Reggia Carrarese.

In 1779 kwamen de Loggia dei Carraresi en de kapel in handen van de Accademia Galileiana di Scienze, Leterre ed Arti. De geschiedenis van dit genootschap gaat terug tot 1599, al werd het pas in 1997 vernoemd naar Galileo Galilei, het beroemdste lid. Eind achttiende eeuw besloot het bestuur van de academie een grotere vergaderzaal te creëren door de oostelijke muur van de kapel neer te halen. Daardoor ging bijna de helft van Guariento’s fresco’s verloren. Slechts twee fragmenten zijn bewaard gebleven, namelijk Adam en Eva voor God de Vader en Jozef die een droom uitlegt aan de farao van Egypte (zie de afbeeldingen hierboven). Onze gids vestigde terecht de aandacht op het feit dat de farao totaal niet lijkt op een Egyptenaar. Guariento beschikte natuurlijk over weinig kennis van het oude Egypte, laat staan dat hij een expert op het gebied van faraonische klederdracht was. Dus wat deed hij? Hij schilderde de man als een Europese vorst, compleet met kroon en hermelijnen mantel.

Fresco’s van Guariento

De fresco’s op de westelijke muur zijn gelukkig wel grotendeels bewaard gebleven, al heeft het plaatsen van ramen ook hier voor het verlies van een aantal voorstellingen geleid. De fresco’s werden gerestaureerd in de jaren zestig en negentig van de vorige eeuw. Ongetwijfeld zullen ze in de toekomst opnieuw onderhoud nodig hebben, want anders dan bijvoorbeeld de beroemde fresco’s van Giotto in de Cappela degli Scrovegni worden ze niet in een speciale ruimte met klimaatbeheersing bewaard. Guariento schilderde op de westelijke muur twee lange stroken met verhalen uit het Oude Testament. Een noviteit is dat de verschillende verhalen niet ingekaderd zijn: in feite kijken we naar een doorlopende voorstelling waarin de verhalen in elkaar overvloeien. Doorgaans zijn het gebouwen of rotspartijen die aangeven dat we van het ene naar het andere verhaal gaan.

Noach gezegend door God en dronkenschap van Noach.

Op de bovenste strook zien we eerst uiterst links hoe Noach en zijn zonen de zegen van God ontvangen (Genesis 9:1 v.). De drie zonen, Sem, Cham en Jafet, zijn vervolgens getuige van de dronkenschap van hun vader (Genesis 9:20 v.). Helaas is Noach zelf grotendeels verdwenen. Alleen twee benen en een deel van zijn kleding zijn nog zichtbaar. Het is echter beslist Noach die we zien, want de kleuren van de kleding zijn identiek aan die van Noach op het linker fresco. Bovendien zijn de drie zonen op beide fresco’s aanwezig. Na een korte onderbreking vanwege een raam gaat de voorstelling verder met Abraham en drie engelen (Genesis 18:1 v.). In het midden zien we vervolgens een dramatische scène met de verwoesting van Sodom en Gomorra (Genesis 19:24-25), gevolgd door de vrouw van Lot die in een zoutpilaar verandert omdat ze tegen de waarschuwingen in achterom kijkt (Genesis 19:26). Het laatste verhaal voor het tweede raam is dat van Abraham die zijn zoon Isaak wil offeren (Genesis 22:1 v.). Een engel grijpt Abrahams hand vast en wijst naar een ram. Die kan in plaats van Isaak geofferd worden.

Na het tweede raam zien we verhalen over Jozef, de zoon van Jakob. Eerst legt hij zijn vader een droom uit, vervolgens begeeft hij zich naar zijn broers die hun vee aan het weiden zijn. De jaloerse broers nemen hem zijn prachtige mantel af en gooien hem in een put. Als er een karavaan van Ismaëlieten passeert op weg naar Egypte, halen ze Jozef weer uit de put en verkopen hem. Helemaal rechts zien we de koopman uit Midjan die twintig sjekel betaalt voor de jongeman (Genesis 37:28). Jozef kijkt erg angstig bij de hele transactie. Onderaan slacht een van de broers een bokje. Het bloed van het dier druppelt op de mantel van Jozef. Zo kunnen de broers hun vader wijsmaken dat Jozef door een roofdier is verslonden. Het verhaal ging ongetwijfeld verder op de tegenoverliggende muur, maar helaas is alleen het fragment met de farao dat hiervoor al genoemd is bewaard gebleven. Uit Genesis weten we dat Jozef het tot onderkoning van Egypte zou schoppen en uiteindelijk met Jakob werd herenigd.

Abraham en drie engelen, Sodom en Gomorra, de vrouw van Lot, en Abraham en Isaak.

Jozef verkocht door zijn broers.

De onderste strook begint met een fresco van een krijger die gewond is, vermoedelijk Goliath die door David met een slingersteen is getroffen (1 Samuel 17:48-49). Daarna volgt een onduidelijke en helaas beschadigde scène, die mogelijk het Salomonsoordeel uit 1 Koningen voorstelt. Na het raam zien we vervolgens nog net de profeet Elia in zijn wagen van vuur (2 Koningen 2:11). De grote scène op dit deel van de muur komt uit het Bijbelboek Daniël. Centrale figuren zijn de Babylonische koning Nebuchadnezzar II (605-562 BCE) en de Joodse mannen Sadrach, Mesach en Abednego. De mannen weigeren een gouden beeld te vereren en worden door de koning in een brandende oven gegooid. Een engel (uiterst rechts afgebeeld) redt ze echter uit de vlammen. Daarentegen worden de soldaten van de koning zelf door het vuur verteerd. Onze gids legde uit dat de vlammen die de soldaten omgaven grotendeels verdwenen zijn omdat Guariento deze op droge pleisterkalk (a secco) had geschilderd. Er zal wel meer op deze wijze geschilderd en verdwenen zijn. Zo mist Nebuchadnezzar links zijn kroon, terwijl hij hem rechts weer op heeft.

Elia in zijn wagen van vuur en voorstellingen uit het Bijbelboek Daniël.

Daniël in de leeuwenkuil en Judit en Holofernes.

Na het tweede raam vervolgt de cyclus met Daniël in de leeuwenkuil, een verhaal dat eveneens afkomstig is uit het Bijbelboek Daniël. Daniël zelf is niet meer zichtbaar, maar een groot deel van een leeuw nog wel. De koning boven de leeuw zou Darius de Mediër moeten zijn, een fictief persoon. De laatste scène is de dramatische onthoofding van de Assyrische veldheer Holofernes door de dappere Judit. De weduwe redt hiermee haar thuisstad Bethulia, die zichtbaar is op de achtergrond. Het verhaal is afkomstig uit het deuterocanonieke Bijbelboek Judit. Met echte geschiedenis heeft dit boek weinig te maken, maar het is een aansprekend en boeiend verhaal, dat door Guariento tamelijk gruwelijk in beeld wordt gebracht. Het fraaiste detail is misschien wel de jurk die de heldin Judit draagt. Vrouwen aan het hof van de Carraresi zullen ook zo gekleed zijn geweest.

Bronnen 

Noten

[1] John Julius Norwich, A History of Venice, p. 268.

[2] Ook de zogenaamde Sala dei Giganti, thans onderdeel van het Palazzo Liviano, maakte deel uit van de Reggia. Ik betwijfel echter of deze zaal te bezoeken is.

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.