Rome: San Marcello al Corso

De San Marcello al Corso.

Het is nauwelijks verrassend te noemen dat ik al heel vaak langs de San Marcello al Corso ben gelopen. Het ‘Corso’ in de naam van de kerk verwijst naar de Via del Corso, een van de drukste straten van de stad en de straat die de Piazza Venezia verbindt met de Piazza del Popolo. In de Oudheid heette de Via del Corso de Via Lata (‘brede weg’), het gedeelte van de beroemdere Via Flaminia dat door de stad liep. Aan de andere kant van de straat treffen we dan ook een kerk genaamd de Santa Maria in Via Lata aan. De San Marcello is gewijd aan Paus Sint Marcellus. Hij was minder dan een jaar paus in 308-309. De aan hem gewijde kerk werd waarschijnlijk al in de vierde eeuw gebouwd, maar deze werd compleet verwoest door een brand in 1519. De San Marcello al Corso die we vandaag de dag zien is een gebouw uit de zestiende eeuw met een gevel uit de zeventiende.

Geschiedenis

Marcellus werd bisschop van Rome – het heeft iets anachronistisch om hem paus te noemen – in een tijd dat de kerk in zwaar weer verkeerde. De vorige bisschop was in 304 onder enigszins mysterieuze omstandigheden overleden. Pas in mei 308 trad Marcellus aan als diens opvolger. Er deden geruchten de ronde dat de vorige bisschop tijdens de christenvervolgingen van keizer Diocletianus (284-305) zijn geloof de rug had toegekeerd en aan de traditionele goden had geofferd. Met andere woorden, hij zou een lapsus zijn geweest. Of dit nu waar is of niet, Marcellus trad tijdens zijn korte pontificaat hard op tegen de lapsi. Aan hem wordt ook de creatie van de 25 tituli in de stad toegeschreven. In feite waren dit de eerste parochiekerken in Rome. Het is echter best mogelijk dat dit verhaal later werd verzonnen.

San Marcello al Corso.

Na minder dan een jaar op de Troon van Sint Pieter kwam Marcellus te overlijden. De precieze omstandigheden van zijn dood zijn niet bekend, maar volgens een overlevering uit de vijfde eeuw, die werd vastgelegd in de zogenaamde Passio Marcelli, liet keizer Maxentius de Paus arresteren en dwangarbeid verrichten in de stallen van het catabulum, het kantoor van de postdienst. De postdienst gebruikte veel paarden en de toekomstige heilige moest daarom de stallen uitmesten. Het verhaal kan heel goed flauwekul zijn, maar het is zeker mogelijk dat het catabulum aan de Via Lata stond en dat de kerk van San Marcello over een gedeelte ervan heen gebouwd werd.[1] Het probleem is dat volgens een rivaliserende traditie de kerk werd ingebouwd in het huis van een zekere Lucina, een vrouw die Marcellus onderdak verleend zou hebben. Zij moet wel dezelfde vrouw zijn die nauw verbonden is met de kerk van San Lorenzo in Lucina, die ongeveer een halve kilometer noordelijker staat.[2]

De San Marcello wordt in 418 voor het eerst genoemd als de titulus Marcelli, en wel in een brief van de praetoriaanse prefect  Symmachus aan keizer Honorius.[3] Die naam komt in 499 en 595 terug. We hebben dus met een zeer oude kerk te maken. Opgravingen hebben uitgewezen dat de oriëntatie van de kerk oost-west was, met de apsis gericht op de Via Lata. Anders gezegd, de eerste kerk was in tegenstelling tot de huidige kerk niet correct georiënteerd (i.e. op het oosten gericht). In latere eeuwen werd de kerk veelvuldig gerenoveerd en verbouwd. Paus Adrianus I (772-795) was daarbij verantwoordelijk voor een belangrijke interventie die wellicht op een herbouw neerkwam. In 1354 werd het lichaam van de zelfverklaarde Romeinse ‘volkstribuun’ Cola di Rienzo drie dagen lang bij deze kerk opgehangen, nadat hij eerder op de trap van de Santa Maria in Aracoeli was terechtgesteld. Voordat het lichaam werd verbrand mochten de mensen het bekogelen met stukken groente en stenen.

Binnengevel met een fresco van de Kruisiging door Giovanni Battista Ricci.

Cola’s lichaam werd verteerd door de vlammen, dus het is nogal ironisch dat 165 jaar later hetzelfde lot de San Marcello trof. In de nacht van 22 mei 1519 brak er een grote brand uit die de kerk reduceerde tot een smeulende hoop as. Toen het vuur was gedoofd bleek dat alleen een crucifix uit de veertiende eeuw de vuurzee had overleefd. Dit crucifix is ook in de huidige kerk nog te bewonderen. De San Marcello werd al sinds 1375 beheerd door broeders van de Orde van de Servieten, en deze broeders begonnen nu met het inzamelen van geld om de herbouw van hun kerk te bekostigen. Als architect werd Jacopo Sansovino (1486-1570) ingehuurd, een Florentijn die beroemd werd vanwege zijn werk in Venetië. Sansovino besloot de oriëntatie van de kerk te wijzigen zodat nu de gevel in plaats van de apsis was gericht op de Via del Corso. Helaas werd het werk onderbroken door de beruchte Sacco di Roma van 1527. Al het beschikbare geld moest worden gebruikt om de plunderende troepen van Karel V af te kopen. Kunstenaars die in de kerk aan het werk waren, ontvluchtten de stad. Onder hen was ook Perino del Vaga (1501-1547), een leerling van Rafaël.

Na een pauze van twee jaar werd het herbouwproject voortgezet onder leiding van een nieuwe architect, Antonio Sangallo de Jongere (1484-1546). In 1529 werd er dus weer gewerkt, maar in 1530 lag het werk weer stil vanwege een ernstige overstroming van de Tiber. In 1536 werd Sangallo vervangen door Giovanni Mangone (gestorven 1543), de man die ook het monument voor kardinaal Van Enckevoirt in de kerk van Santa Maria dell’Anima maakte. De nauwelijks bekende architect Annibale Lippi voltooide in 1569 de apsis. Omstreeks 1590 moet de hele kerk klaar zijn geweest. Nou ja, bijna dan: er ontbrak nog een gevel. Die werd pas in de jaren 1680 toegevoegd door de architect Carlo Fontana (1634/38-1714). Tussen 1861 en 1867 werden belangrijke restauratiewerkzaamheden uitgevoerd. De verantwoordelijk architect was toen Virginio Vespignani (1808-1882).

Tondo door Antonio Raggi.

Artistieke hoogtepunten

De gebogen gevel van Fontana kan zeker tot de artistieke hoogtepunten van de kerk worden gerekend. De gevel is een schoolvoorbeeld van de Late Barok in Rome. Het mooiste gedeelte vind ik de grote tondo boven de hoofdingang, met daarin San Filippo Benizzi die de pauselijke tiara weigert. Filippo Benizzi (1233-1285) was een generaal-overste van de Servieten. Hij werd in 1516 zalig verklaard en daarna in 1671 heilig. Zijn band met de Orde van de Servieten verklaart waarom hij in de tondo werd afgebeeld, maar het verhaal dat hij tot paus was verkozen, maar zich daarvoor niet waardig achtte, is volkomen onhistorisch. De tondo is het werk van de beeldhouwer Antonio Raggi (1624-1686). De andere beeldhouwwerken van de gevel worden doorgaans toegeschreven aan de wat obscure kunstenaar Francesco Cavallini. De beelden van het onderste gedeelte van de gevel stellen Paus Marcellus en nogmaals San Filippo Benizzi voor, die van het bovenste gedeelte Gioacchino Piccolomini en Francesco Patrizi van Siena, beiden leden van de Orde van de Servieten die in de dertiende en veertiende eeuw leefden.

Bekering van Paulus – Federico Zuccari.

Het interieur van de kerk werd voorzien van decoraties door diverse bekende Italiaanse kunstenaars uit de zestiende en zeventiende eeuw. Onder hen waren de reeds genoemde Perino del Vaga en Jacopo Sansovino, maar ook Giovanni Battista Ricci (1537-1627), Francesco Salviati (1510-1563), Daniele da Volterra (1509-1566) en de broers Federico (ca. 1540-1609) en Taddeo (1529-1566) Zuccari. Vooral het enorme fresco van de Kruisiging op de binnengevel, in 1613 gemaakt door Ricci, is zeer indrukwekkend (zie de afbeelding hierboven). Ricci was tevens verantwoordelijk voor de fresco’s op de triomfboog en op de muren van het middenschip, aan weerszijden van de ramen van de lichtbeuk.

Van de andere genoemde kunstenaars vond ik in elk geval de fresco’s van Salviati in de Cappella della Madonna delle Grazie erg mooi. De kapel heeft ook een veertiende-eeuws icoon van de Madonna met het Kind, geplaatst in een frame uit de vijftiende eeuw. Perino del Vaga werkte in de Kapel van het Crucifix, waar men het kruisbeeld aantreft dat op miraculeuze wijze de brand van 1519 overleefde. Het plafondfresco van de Schepping van Eva wordt aan hem toegeschreven (zie de afbeelding hieronder). De andere fresco’s stellen de vier Evangelisten voor en helaas verkeren deze in abominabele staat. Toen Del Vaga in 1527 Rome ontvluchtte, moesten ze worden voltooid door Daniele da Volterra. De gebroeders Zuccari werkten op hun beurt samen in de Cappella Frangipani. Federico’s altaarstuk van de Bekering van Paulus is hier het hoogtepunt. Hij zou later roem verwerven door zijn aandeel in het beroemde fresco van het Laatste Oordeel in de Duomo van Florence.

De Schepping van Eva – Perino del Vaga.

Dubbele graftombe van Giovanni Michiel en Antonio Orso – Jacopo Sansovino.

Tegen de binnengevel zijn twee interessante grafmonumenten geplaatst. Vooral het monument aan de rechterkant (links voor wie binnenkomt) verdient onze aandacht. Het gaat hier om een dubbele graftombe voor kardinaal Giovanni Michiel en bisschop Antonio Orso die in 1520 werd besteld bij Jacopo Sansovino en niet lang daarna werd gemaakt. Uit de namen van de twee overledenen kan worden afgeleid dat ze Venetianen waren. Beiden waren verwanten van Paus Paulus II (1464-1471), die oorspronkelijk Pietro Barbo heette en eveneens van geboorte Venetiaan was. Giovanni Michiel (ca. 1446-1503) was de neef van de Paus (zijn moeder was de zuster van Barbo). Hij diende sinds 1484 als kardinaal-priester van de San Marcello al Corso. Antonio Orso was weer een neef van Giovanni Michiel. Hij stierf in 1511. De bovenste beeltenis van het monument is die van de kardinaal, de onderste die van de bisschop.

Als u de San Marcello al Corso bezoekt, vergeet dan niet omhoog te kijken. Anders zou u het spectaculaire houten cassetteplafond van Carlo Francesco Lambardi (1545-1619) uit Arezzo kunnen missen. Het werd gemaakt tussen 1592 en 1594.

Bronnen

  • Andrea Carandini (ed.), The Atlas of Ancient Rome;
  • Capitool Reisgidsen Rome, 2009, p. 159;
  • Luc Verhuyck, SPQR. Anekdotische reisgids voor Rome, p. 296-297;
  • San Marcello al Corso op Churches of Rome Wiki.

Noten

[1] The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 477 en p. 483.

[2] The Atlas of Ancient Rome verwijst naar de kerk als de “Domus Lucinae, after titulus S. Marcelli” (part 2, tab. a.t. 14).

[3] The Atlas of Ancient Rome, part 1, p. 488.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.