Parma: Galleria Nazionale

Marie Louise van Oostenrijk – Antonio Canova

De Galleria Nazionale is het grootste en belangrijkste museum in het Palazzo della Pilotta in Parma. We bezochten het museum in de zomer van 2020 voor het eerst, maar hadden toen pech dat vanwege de coronamaatregelen veel van de zalen gesloten waren. Zo misten we de werken van de lokale beroemdheid Correggio (1489-1534) en konden we ook geen blik werpen op de vele prachtige middeleeuwse schilderijen die het museum bezit. Ik herinner me dat van de middeleeuwse galerij alleen een paneel van Niccolò di Pietro Gerini te zien was, van grote afstand welteverstaan. Ik nam er met maximale zoom een foto van en werd toen door een toezichthouder de andere kant op gedirigeerd.

In de zomer van 2021 was ik terug. Gelukkig waren er nu veel meer zalen open, maar de ontvangst was niet echt hartelijk. De dame die mijn coronapas (green pass) inspecteerde, was nogal nors en wekte de indruk dat ze me liever niet zou hebben toegelaten. Na de check kocht ik een kaartje en kreeg ik een aantal folders mee. Met een telefoon (voor de green pass), een portemonnee, een cameratas en de folders had ik mijn handen nogal vol. Ik legde alles dus even op een lege stoel om de boel te ordenen en weg te stoppen. U raadt het al: het was de stoel van de norse controleur, die mij nu nog vernietigender aankeek.

Geschiedenis

Gelukkig werd de weinig vriendelijke ontvangst gevolgd door een buitengewoon interessante tocht door het museum. De oorsprong van het museum gaat terug tot de privécollectie van de familie Farnese, die tussen 1545 en 1731 over het hertogdom Parma en Piacenza heerste. Die privécollectie omvatte verdeeld over Rome en Parma zo’n 3.000 kunstwerken, vooral schilderijen, maar ook andere voorwerpen en antiquiteiten. Toen de Spaanse kroonprins Karel van Bourbon na de dood van de laatste Farnese in 1731 de nieuwe hertog werd, verdwenen veel kunstwerken naar Napels, waarvan Karel in 1734 de koning werd. Alleen een werk van El Greco (1541-1614) met Jezus die een blinde man geneest en een portret van Paus Paulus III van de hand van Sebastiano del Piombo (ca. 1485-1547) bleven achter in Parma.

Paus Paulus III – Sebastiano del Piombo.

Sebastiano del Piombo heette eigenlijk Sebastiano Luciani. Hij werd ‘Del Piombo’ – ‘van het lood’ – genoemd omdat hij in 1531 tot grootzegelbewaarder van Paus Clemens VII (1523-1534) was benoemd; het pauselijke zegel was kennelijk van lood gemaakt. Del Piombo bleef de functie uitoefenen onder Clemens’ opvolger Paus Paulus III (1534-1549). Diens echte naam was Alessandro Farnese. In 1545 creëerde hij het hertogdom Parma en Piacenza voor zijn buitenechtelijke zoon Pier Luigi. Del Piombo schilderde omstreeks 1534 een dubbelportret van de paus met een jongeman. De jongeman is mogelijk Ottavio Farnese, een kleinzoon van Paulus III. Het portret is tamelijk evident nooit afgemaakt. Van de jongeman zien we bijvoorbeeld alleen een hoofd, geen lichaam. Het schilderij had een dusdanig nauwe band met Parma dat het kennelijk misstond in Napels en daarom achterbleef.

Tussen 1735 en 1748 was Parma in Oostenrijkse handen, maar in het laatstgenoemde jaar kregen de Bourbons het terug. De nieuwe hertog werd Karels jongere broer Filips. Die richtte vier jaar later een Academie voor Schone Kunsten op en begon met een nieuwe hertogelijke kunstgalerij. Gemakkelijk was dat niet, want in feite moest hij helemaal opnieuw beginnen. Niettemin slaagde Filips erin zijn galerij weer gevuld te krijgen. Het was vervolgens Marie Louise van Oostenrijk, vooral bekend vanwege haar huwelijk met Napoleon Bonaparte maar tevens hertogin van Parma (1814-1847­), die deze Galleria omvormde van een privécollectie tot een museum toegankelijk voor het grote publiek. Het beeld dat de Venetiaanse beeldhouwer Antonio Canova (1757-1822) van de hertogin maakte (zie de afbeelding hierboven), kan zeker tot de hoogtepunten van het museum worden gerekend. Canova vereeuwigde Marie Lousie als Concordia, de Romeinse godin van de eendracht.

Enkele hoogtepunten

Ranuccio II Farnese als veertigjarige – atelier Bernini.

Twee belangrijke bronnen voor de kunstwerken van de Galleria Nazionale waren de (geseculariseerde) kerken van Parma en de verschillende privécollecties die in de achttiende en negentiende eeuw werden opgekocht. Na de eenwording van Italië in 1861 kwam het museum in handen van de staat. Het aantal museumzalen werd uitgebreid en de collectie bleef groeien. Het is dan ook volstrekt onmogelijk om in één enkele bijdrage deze gehele collectie te bespreken. De lezer zal het moeten doen met een bespreking van een aantal topstukken en een paar van mijn persoonlijke favorieten. Bij mijn bezoek in 2021 was de gehele noordvleugel van de Galleria nog gesloten, en ook dat draagt eraan bij dat deze bespreking van het museum geenszins volledig mag worden genoemd.

Doorgaans gaat de bezoeker de Galleria Nazionale binnen via het Teatro Farnese, het in 1617-1618 gebouwde Baroktheater dat ik eerder al heb besproken. Een zijuitgang van het theater leidt naar een gang waar twee prachtige borstbeelden van Ranuccio II Farnese zijn geplaatst, de man die tussen 1646 en 1694 over het hertogdom heerste. Hij liet een groot deel van de omvangrijke kunstcollectie van de familie Farnese van Rome naar Parma overbrengen. De borstbeelden tonen de hertog eerst als veertigjarige en vervolgens als vijftigjarige. Ze worden toegeschreven aan medewerkers van de grote beeldhouwer Gian Lorenzo Bernini (1598-1680).

Vanuit de genoemde gang bereikt men de zalen waar de werken hangen van twee van de grootste schilders die uit Parma zelf kwamen. Het gaat om Antonio Allegri, beter bekend als Correggio (1489-1534), en Girolamo Francesco Maria Mazzola, oftewel Parmigianino (1503-1540). Parmigianino’s ‘Turkse slavin’ (Schiava Turca) heeft een ereplaats gekregen in dit deel van het museum. Het kwam in 1928 in de Galleria Nazionale na een ruil met de Uffizi in Florence. Opmerkelijk is dat de benaming ‘Turkse slavin’ altijd is gehandhaafd, hoewel het inmiddels wel duidelijk is dat de geportretteerde een adellijke dame met een Italiaans hoofddeksel is en niets met het Ottomaanse Rijk te maken heeft. Het schilderij hangt – begrijpelijkerwijs – achter glas en is daarom notoir moeilijk te fotograferen. Aan het werk zijn Wikipedia-pagina’s in verschillende talen gewijd, waarnaar ik de geïnteresseerde lezer graag verwijs.

Kroning van de Maagd – Correggio.

Van Correggio vinden we in de hier besproken zalen onder meer een deel van een fresco van de Kroning van de Maagd (zie hierboven). Het fresco sierde oorspronkelijk de schelp van de apsis van de kerk van San Giovanni Evangelista elders in Parma. Toen in 1587 het koor van deze kerk werd verlengd, ging het fresco helaas grotendeels verloren. De centrale voorstelling met de Maagd Maria, Christus, de kroon en de duif van de Heilige Geest is gelukkig bewaard gebleven. Elders in het museumcomplex zijn de grote altaarstukken tentoongesteld die Correggio schilderde voor verschillende kerken in Parma. Zeer indrukwekkend is een Kruisafneming uit ca. 1524. Ook dit werk komt uit de genoemde kerk van San Giovanni.

Kruisafneming – Correggio.

Voordat we onze tocht door de Galleria Nazionale voortzetten, werpen we nog even een blik op de Genezing van de blinde man, een werk geschilderd door de Kretenzische meester El Greco. Het schilderij dateert van 1573 en aangenomen wordt dat in het groepje mensen links van Christus en de blinde man twee leden van de familie Farnese te zien zijn. Het gaat om Alessandro Farnese (1545-1592), de man die in 1585 Antwerpen veroverde, en kardinaal Ranuccio Farnese (1530-1565). Als gezegd bleef het schilderij van El Greco in 1734 in Parma, vermoedelijk juist vanwege het feit dat er Farneses op stonden.

Christus geneest een blinde man – El Greco.

De volgende grote zaal in het museum is de Sala del Trionfo. Veel ruimte wordt hier ingenomen door een curieus werk van de Spaanse beeldhouwer Damià Campeny (1771-1855) die lange tijd voor het Vaticaan werkte. Het werk, Trionfo da tavola genaamd, bestaat uit verschillende beeldjes van al dan niet verguld brons. Centraal staan Apollo en Diana. Andere elementen van het kunstwerk zijn gemaakt van marmer en andere kostbare steensoorten. De Trionfo da tavola werd in 1803 gemaakt voor de Spaanse ambassade bij de Heilige Stoel. Op enig moment kwam het werk in Parma terecht, maar hoe dat gebeurde, is niet precies bekend. Persoonlijk vond ik Campeny’s creatie maar een typisch voorbeeld van neoclassicistische overdaad, maar smaken kunnen natuurlijk verschillen. In de grote zaal staan naar mijn mening in elk geval interessantere werken. Bijzonder is een Kruisafneming uit de zestiende eeuw van een anonieme Vlaamse kunstenaar. Deze werd gemaakt van nijlpaardtand. Verder staan er in de Sala del Trionfo koorbanken met prachtig laatmiddeleeuws houtsnijwerk.

Trionfo da tavola (detail).

Kruisafneming van nijlpaardtand / laatmiddeleeuwse koorbank.

Middeleeuwse schilderkunst

Tot mijn grote vreugde bleek de lange gang met middeleeuwse schilderkunst in de zomer van 2021 geopend te zijn. Het gaat om schilderijen van meesters uit Toscane, de Veneto en de Emilia-Romagna die werden gemaakt in de periode 1200-1500. Aan het einde van de gang vindt men ook nog kunst – vooral beeldhouwwerk – uit Lombardije uit de periode 1400-1500. De zaal met werk van Vlaamse meesters was dicht, en dat gold als gezegd ook voor de noordvleugel met nog een stuk of twaalf extra zalen. In de aan de Late Middeleeuwen gewijde gang was gelukkig genoeg te zien, om te beginnen een fraai altaarstuk van Agnolo Gaddi (ca. 1350-1396). Op het schilderij zijn naast de Madonna met het Kind drie Dominicanen te zien, duidelijk herkenbaar aan hun zwart-witte habijt. Het zijn Dominicus zelf, Petrus de Martelaar en Thomas van Aquino. De andere heiligen zijn Johannes de Doper, Paulus en Laurentius. Achter Petrus de Martelaar zit nog een kleine knielende non, een opvallend element. Het altaarstuk werd in 1375 geschilderd en komt uit de kerk van Santa Maria Novella in Florence, niet toevallig de kerk van de Dominicanen in die stad.

Altaarstuk Agnolo Gaddi.

Vergeleken met Gaddi’s uitbundige werk is het drieluik dat Bernardo Daddi (ca. 1280/90-1348) schilderde een stuk eenvoudiger. Het gaat dan ook om een veel ouder werk, vervaardigd omstreeks 1320-1330. De Madonna met het Kind wordt geflankeerd door de heiligen Petrus en Paulus, beiden duidelijk herkenbaar aan hun attributen, de sleutels en het zwaard. Oorspronkelijk maakten ook Johannes de Doper en Franciscus van Assisi deel uit van het schilderij, maar Johannes bevindt zich tegenwoordig in La Spezia, terwijl Franciscus spoorloos is verdwenen.

Madonna met Kind – Bernardo Daddi.

In de inleiding noemde ik al een paneel van Niccolò di Pietro Gerini (gestorven ca. 1415). Zijn Dormitio Virginis – Ontslapenis van de Maagd – is een bijzonder mooi schilderij, waarvan alleen het bovenste puntje is verdwenen. Het schilderij bestaat uit twee delen. Bovenin overhandigt de Maagd haar gordel aan de altijd twijfelende apostel Thomas. De gordel zou zich nu in de kathedraal van Prato in Toscane bevinden. Onderin staan de apostelen rondom het sterfbed van de inmiddels ontslapen Maagd. Centraal achter het sterfbed staat Christus met zijn moeder als klein kind in de armen. Niccolò di Pietro Gerini liet zich duidelijk inspireren door de grote Florentijnse schilder Giotto di Bondone (ca. 1266-1337), en het werk werd in de negentiende eeuw dan ook nog wel eens ten onrechte aan de laatstgenoemde toegeschreven.

Dormitio Virginis – Niccolò di Pietro Gerini.

Veel van de Toscaanse schilderijen komen uit de collectie van de markies Alfonso Tacoli Canacci. Ferdinand van Bourbon-Parma, de zoon van de reeds genoemde Filips van Bourbon, kocht in 1786 en 1787 een groot aantal werken uit deze collectie op. Zo kwam werk van meesters als Spinello Aretino (ca. 1350-1410), Bicci di Lorenzo (1373-1452) en diens zoon Neri di Bicci (ca. 1419-1491) in Parma terecht. Erg mooi is een klein paneel dat aan Fra Angelico (ca. 1395-1455) wordt toegeschreven. De Madonna en het Kind staan centraal. Of beter gezegd: ze zitten centraal. Het gaat namelijk om een voorstelling die als Madonna dell’Umiltà bekendstaat, dat wil zeggen een Madonna die heel nederig met het Christuskind op de grond zit. Daaronder zien we nog vier heiligen: Johannes de Doper, Dominicus, Franciscus van Assisi en Paulus. Dominicus en Franciscus omhelzen elkaar, vermoedelijk een verwijzing naar een (fictieve) ontmoeting tussen de twee in Rome (zie deze bijdrage). Van de schilders uit de Venetiaanse school noem ik nog een werk van Cima da Conegliano (ca. 1460-1518). Het komt uit de Duomo van Parma. Een opvallend element van het schilderij is het imitatie-apsismozaïek boven de voorstelling van de Madonna met het Kind en zes heiligen.

Madonna dell’Umiltà – Fra Angelico / Tronende Madonna – Cima da Conegliano.

Tot de beroemdste werken in de Galleria behoort een houten paneeltje met een gezicht van een meisje. Het wordt La Scapigliata genoemd, ‘het meisje met het loshangende haar’. Dat het werk zo beroemd is, heeft alles te maken met de maker ervan: de grote Leonardo da Vinci (1452-1519). Zoals bij zoveel werken van Leonardo is ook La Scapigliata onvoltooid gebleken, en zelfs de toeschrijving aan de grote meester zelf is niet helemaal onomstreden. Eigenlijk is er geen zinnig woord over dit schilderij te zeggen. We weten niet wie er is afgebeeld, of ze überhaupt heeft bestaan, waarom ze is afgebeeld, wat het doel van het schilderij was, wanneer het werd geschilderd (het museum houdt het op 1492-1501, maar je leest ook 1506-1508) en waarom het niet werd voltooid. Niettemin kunnen we met recht concluderen dat het schilderij mooi en mysterieus is.

La Scapigliata – Leonardo da Vinci.

Overige zalen

Apelles schildert Campaspe – Sebastiano Ricci.

Vanuit de middeleeuwse galerij lopen we naar een aantal zalen waar vooral mythologische werken en werken met een thema uit de Oudheid hangen. De Galleria Nazionale bezit verschillende werken van de schilder Sebastiano Ricci (1659-1734). Hij had een nauwe band met de familie Farnese. Voor het Palazzo Farnese in Piancenza vervaardigde hij namelijk 19 schilderijen over het leven van Paus Paulus III, die dus eigenlijk Alessandro Farnese heette. Samen met Giovanni Evangelista Draghi schilderde hij vervolgens ook nog een aantal panelen over de daden van een andere Alessandro Farnese, te weten de veldheer die Antwerpen veroverde (zie hierboven). In de zalen van de Galleria Nazionale hangen schilderijen van Ricci met klassieke thema’s. We zien de Grootmoedigheid van de Romeinse generaal Scipio, de schilder Apelles die Campaspe (minnares van Alexander de Grote) vereeuwigt en de ontmoeting tussen Alexander en de cynicus Diogenes, die in een ton woont.

Tot slot van deze bijdrage noem ik nog de twee enorme beelden die in de ovale zaal niet ver van de uitgang staan. Ze worden ook wel de ‘Kolossen van de Palatijn’ genoemd en komen van de gelijknamige heuvel in het hart van Rome. De familie Farnese bezat een tuinencomplex op deze heuvel en liet daar in het eerste kwart van de achttiende eeuw opgravingen uitvoeren. De beelden stonden oorspronkelijk in het paleis van de Romeinse keizer (Domus Flavia), net ten zuiden van de tuinen. Ze zijn tegen het einde van de eerste of het begin van de tweede eeuw van onze jaartelling gemaakt van grijs basaniet uit Egypte. Het ene beeld stelt Dionysius voor met een sater aan zijn zijde, het andere Hercules. Beide mannen zijn zonen van Zeus. Spijtig genoeg missen de beelden wat ledematen, maar dat maakt ze niet minder indrukwekkend.

De Palatijnse Kolossen, links Hercules, rechts Dionysius.

Meer lezen: website Palazzo della Pilotta.

One Comment:

  1. Pingback:Parma: San Giovanni Evangelista – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.