Constantijn de Grote: De Jaren 313-315

San Lorenzo Maggiore in Milaan, met een standbeeld van Constantijn ervoor.

In februari van het jaar 313 ontmoetten Constantijn en Licinius elkaar in Mediolanum (Milaan) in Noord-Italië. Daar bezegelden beide mannen hun bondgenootschap, dat feitelijk al sinds 311 bestond. Licinius trad in het huwelijk met Constantia, de christelijke halfzuster van Constantijn. Verder spraken de keizers af dat Constantijn over het westelijke deel van het Romeinse Rijk zou heersen en Licinius over het oostelijke deel. Dat laatste deel was overigens nog grotendeels in handen van Maximinus Daza, dus daar zou Licinius eerst mee moeten afrekenen. De grens tussen het rijksdeel van Constantijn en dat van Licinius bleef vaag, en daar zouden later conflicten over ontstaan. De beide keizers maakten ook een afspraak over godsdienstvrijheid in het Rijk en de teruggave van in beslag genomen kerkgoederen aan de christenen, wat vooral voor de gebieden die nog onder controle stonden van de christenvervolger Daza van belang was. De afspraak wordt doorgaans het ‘Edict van Milaan’ genoemd, al was het strikt genomen geen edict en zou Licinius het afkondigen in Nicomedia, na zijn overwinning op Daza (zie hieronder).

Licinius verslaat Daza

Na de afspraken in Mediolanum was Constantijn naar zijn oude hoofdstad Augusta Treverorum (Trier) vertrokken en Licinius naar de Balkan. De laatstgenoemde moest zich haasten, want Maximinus Daza was de Bosporus overgestoken in een poging zich meester te maken van de gebieden van Licinius. In december van 312 had Daza met een nieuw edict een einde gemaakt aan de christenvervolgingen in zijn gebieden. Waarschijnlijk had hij daar louter een praktische reden voor gehad. Zijn bondgenoot Maxentius was verslagen en gedood door Constantijn en hij stond er nu alleen voor. Het risico was reëel dat Constantijn en Licinius spoedig hun krachten zouden bundelen en hem zouden aanvallen. Toen hem echter ter ore kwam dat beide tegenstanders zich in Mediolanum bevonden, besloot hij snel te handelen. Zich realiserende dat de aanval de beste verdediging was, had Daza een enorm leger verzameld, dat volgens Lactantius uit 70.000 manschappen bestond.[1] Dat aantal is ongetwijfeld te hoog, maar het moet zeker een groot leger zijn geweest.

Na het oversteken van de Bosporus belegerde Daza Byzantium, dat zich na een beleg van elf dagen moest overgeven. De inname van deze belangrijke stad was een prestatie van formaat, want eind tweede eeuw had keizer Septimius Severus er nog bijna drie jaar voor nodig gehad. Daza’s volgende doelwit was Perinthus (ook wel Heraclea), dat hij eveneens in handen kreeg. Licinius had inmiddels Hadrianopolis bereikt, een stad die nog was vernoemd naar keizer Hadrianus en die tegenwoordig Edirne heet. Licinius volgde met zijn legermacht van 30.000 soldaten de weg naar het oosten terwijl Daza oprukte naar het westen. Volgens Lactantius beloofde Daza aan Jupiter dat hij bij een overwinning de naam van de christenen geheel en al zou wegvagen. Licinius zou op zijn beurt in zijn slaap bezoek hebben gehad van een engel van de Heer, die hem opdroeg met zijn leger tot de ‘hoogste god’ (summus deus) te bidden.[2] Nu had Licinius als gezegd een christelijke vrouw, maar zelf was de Dacische Romein beslist geen christen. Het verhaal van Lactantius is dan ook tamelijk dubieus, waarbij kan worden opgemerkt dat de ‘hoogste god’ helemaal niet naar de God van de christenen hoeft te verwijzen. Die was immers de ‘enige god’, terwijl een ‘hoogste god’ suggereert dat er ook andere goden zijn.

Standbeeld van Constantijn in Milaan.

Hoe dit alles ook zij, op 30 april troffen de legers van Licinius en Daza elkaar op een vlakte in Thracië die door Lactantius de Campus Serenus wordt genoemd. Daza beschikte over veel meer soldaten, maar zijn manschappen waren uitgeput van de lange tocht door koud winterweer en de gevechten bij Byzantium en Perinthus. Licinius’ soldaten waren daarentegen nog fris en hakten zich met een gemak een weg door de gelederen van de tegenstander. De helft van het leger van Daza werd afgeslacht, de rest gaf zich over of vluchtte. Daza zelf gooide zijn keizerlijke gewaad af en verkleedde zich als een slaaf. Vervolgens vluchtte hij naar Nicomedia. Daar kon hij niet blijven, want Licinius zat hem op de hielen. Met zijn vrouw en kinderen vluchtte hij daarom verder naar Cappadocië. Licinius rukte ondertussen met zijn versterkte leger op naar Bithynië en in juni kon hij zonder problemen Nicomedia innemen. Daar liet hij op 13 juni het al genoemde ‘Edict van Milaan’ afkondigen. De aanzienlijke christelijke gemeenschap van de stad, die nog maar kort tevoren haar kerkgebouw en bisschop was kwijtgeraakt, moet hier blij op gereageerd hebben.

Daza had zich met zijn uitgedunde strijdmacht geprobeerd te verschansen in de Cilicische passen in het Taurusgebergte, zoals 120 jaar eerder Pescennius Niger had gedaan toen hij werd belaagd door Septimius Severus. Licinius’ troepen braken echter door de verschansingen van hun tegenstanders heen en Daza vluchtte naar Tarsus. Daar stierf hij in juli of augustus onder onduidelijke omstandigheden. De keizer moet ongeveer halverwege de veertig zijn geweest. Mogelijk was er sprake van zelfmoord door vergif of van een natuurlijke dood.[3] In elk geval was de oorlog nu voorbij en was Licinius heer en meester geworden over het oostelijke deel van het Romeinse Rijk, een deel waar zeer veel christenen woonden. In sommige gebieden zullen ze zelfs al de meerderheid van de bevolking hebben gevormd. Het ‘Edict van Milaan’ leidde ertoe dat er in het oosten al snel op grote schaal kerken werden gebouwd.[4] Deze projecten werden overigens niet begunstigd door Licinius, die andere zaken aan zijn hoofd had.

Tot die andere zaken behoorde in elk geval het uit de weg ruimen van concurrenten, iets wat vele Romeinse keizers voor Licinius ook hadden gedaan. Nogal wat van die concurrenten hadden in eerdere jaren hun toevlucht gezocht tot het hof van Daza. Onder hen bevonden zich Candidianus, de adoptiefzoon van keizer Galerius, en Severianus, de zoon van de in 307 gedode keizer Severus. Licinius liet beide mannen nog in 313 terechtstellen. Candidianus was verloofd met de zevenjarige dochter van Daza, die samen met haar achtjarige broertje Maximus eveneens uit de weg werden geruimd. Hun moeder, de vrouw van Daza, werd verdronken in de rivier de Orontes. Ten slotte rekende Licinius voor de zekerheid ook af met Valeria, de dochter van keizer Diocletianus en de weduwe van Galerius. Samen met haar moeder Prisca, de weduwe van Diocletianus, wist Valeria nog vijftien maanden uit handen van Licinius te blijven. Uiteindelijk werden de vrouwen in 315 in Thessalonica in Macedonië gearresteerd en onthoofd.[5] Licinius had nu nog maar één concurrent: zijn zwager Constantijn.

Constantijn in Trier

De Porta Nigra in Trier (foto: Berthold Werner).

Eenmaal terug in de vertrouwde omgeving van Augusta Treverorum stak Constantijn opnieuw de Rijn over voor een expeditie tegen de Franken. Na de succesvolle afronding van de veldtocht vierde de keizer zijn overwinning met spelen in het plaatselijke amfitheater. De bevolking van de stad was getuige van het afslachten van talrijke Frankische gevangenen. In Augusta Treverorum moet Constantijn gezelschap hebben gekregen van zijn christelijke moeder Helena. Zij was na haar verstoting door Constantijns vader omstreeks 288 teruggekeerd naar haar geboortestreek in de buurt van Nicomedia, maar meldde zich nu, 25 jaar later, weer aan het keizerlijke hof. Rond dezelfde tijd maakte daar ook de christelijke redenaar Lactantius zijn opwachting. De Afrikaanse Romein Lactantius – hij was van Berberse of Punische afkomst – was oorspronkelijk geen christen geweest, maar had zich in Nicomedia tot het christendom bekeerd. Constantijn stelde hem spoedig aan als tutor voor zijn puberzoon Crispus, die nu een jaar of 12-13 was. Lactantius zou een belangrijke, maar bepaald niet onbevooroordeelde bron voor het leven van Constantijn worden.

Constantijn moet in die tijd al geregeld contact hebben gehad met de bisschoppen in zijn rijksdeel. Dat gold zeker voor de bisschop van Rome, Paus Melchiades (311-314), maar ook met een man als bisschop Ossius van Corduba, die niet alleen een belangrijke christelijke gemeenschap in Spanje vertegenwoordigde, maar Constantijn mogelijk zelfs had vergezeld op zijn veldtocht in Italië in 312.[6] Hoewel in Spanje, Gallië en Germanië de christenen nog ver in de minderheid waren, waren ze veel beter georganiseerd dan de ‘heidenen’, een parapluterm die verhult dat het hier om een zeer heterogene groep ging. De bisschoppen in het westen van het Rijk stonden bijvoorbeeld in contact met elkaar via uitgebreide briefwisselingen. Omstreeks deze tijd moet, als het al niet eerder was, Constantijn ook in contact zijn gekomen met bisschop Marinus van Arelate (Arles), bisschop Reticius van Augustodunum (Autun) en bisschop Maternus van Colonia Claudia Ara Agrippinensium (Keulen) en Augusta Treverorum (Trier). De meerderheid van de keizerlijke entourage moge nog niet-christelijk zijn geweest, de christenen rammelden hard aan de poort.

Standbeeld van Constantijn op het Capitool in Rome.

De Donatisten

De aandacht van Constantijn werd nu opgeëist door een religieus geschil in de provincie Africa. In 311 was een zekere Caecilianus tot bisschop van Carthago gekozen. Net als zijn voorganger Mensurius behoorde hij tot de gematigden, die begrip hadden voor hen die tijdens de christenvervolgingen tot offeren of het uitleveren van heilige geschriften waren overgegaan. Van martelaren en martelarenverering moesten beide bisschoppen weinig hebben. Radicale bisschoppen zetten Caecilianus echter af en vervingen hem door Majorinus, die spoedig stierf en werd opgevolgd door de al even radicale Donatus. Constantijn had al in 312 de kant van Caecilianus gekozen en verleende financiële steunde aan hem en aan de bisschoppen die aan zijn kant stonden. De Donatisten, de aanhangers van Donatus, richtten zich vervolgens met een petitie tot de keizer, mogelijk in het najaar van 313, terwijl de keizer in Augusta Treverorum verbleef. De strekking van de petitie was dat Constantijn Caecilianus af moest zetten, iets waartoe hij als keizer gerechtigd was. Ruim veertig jaar eerder had keizer Aurelianus, zelf bepaald geen christen, immers nog de patriarch van Antiochië afgezet.

Constantijn pakte de zaken echter anders aan. Hij droeg de zaak over aan een synode onder voorzitterschap van Paus Melchiades. Ook de genoemde bisschoppen Marinus, Reticius en Maternus namen aan de synode deel, net als twintig bisschoppen uit Noord-Afrika, waarvan de helft medestanders van Donatus. Ondanks dit gegeven oordeelde de synode in oktober 313 in het Lateraan in het voordeel van Caecilianus. Een veel grote kerkvergadering, een concilie, werd belast met het beroep tegen deze beslissing. Op 1 augustus 314 kwam het concilie bijeen in Arelate. Paus Melchiades had deze vergadering van meer dan vijftig bisschoppen moeten leiden, maar hij was intussen overleden. Zijn opvolger Sylvester (314-335) liet verstek gaan en stuurde alleen twee priesters en twee diakenen. Logischerwijs nam Marinus het voorzitterschap op zich. Een belangrijke beslissing van het concilie was dat Pasen in het hele Romeinse Rijk op de eerste zondag na de eerste volle maan in de lente moest worden gevierd, een belangrijk twistpunt in het vroege christendom.[7] Uiteraard werd ook het beroep van de Donatisten behandeld. Wederom werden alle klachten tegen Caecilianus afgewezen, een beslissing die ten slotte door Constantijn zelf werd bevestigd. Ondanks dit alles bleef het Donatisme tot ver in de zesde eeuw in Noord-Afrika bestaan.

De San Giovanni in Laterano en het Lateraans Paleis.

Terug naar Rome

Constantijn had in 314 zijn campagnes in het Rijngebied voortgezet en streed in 315 samen met Licinius in het Donaugebied tegen andere Germaanse stammen. Op 25 juli van het laatstgenoemde jaar werd hij in Rome verwacht voor de viering van zijn Decennalia, zijn tiende regeringsjaar. Opvallend is dat Constantijn een andere belangrijke gebeurtenis had overgeslagen, namelijk de Ludi Saeculares, waarbij gevierd werd dat er een eeuw verstreken was. De laatste officiële Ludi Saeculares waren in mei en juni van het jaar 204 gevierd tijdens de regering van Septimius Severus. Een saeculum was oorspronkelijk een periode van 110 jaar, waardoor de volgende viering in mei/juni 313 – het 110e jaar na 204 – zou moeten plaatsvinden. Nu was de eeuw regelmatig ingekort tot 100 jaar om aan te sluiten bij de achthonderdste, negenhonderdste en duizendste verjaardag van Rome. Claudius (in 48), Antoninus Pius (in 148) en laatstelijk Philippus Arabs in het jaar 248 hadden dat allemaal gedaan. Constantijn had weer bij Septimius Severus kunnen aansluiten, maar koos ervoor de Ludi Saeculares geheel over te slaan. In mei/juni 313 bevond hij zich aan de Rijn.

Basilica Nova of Basilica van Maxentius en Constantijn.

Basilica Nova of Basilica van Maxentius en Constantijn.

Hand van het gigantische beeld van Constantijn in zijn basilica.

Voor zijn Decennalia was de keizer wel bereid naar de Eeuwige Stad te komen. Het was bij deze gelegenheid dat de keizer een reeks gebouwen en monumenten inwijdde. Allereerst was daar de gigantische Basilica Nova op het Forum Romanum. Tegenwoordig kennen we deze basilica als de Basilica van Maxentius en Constantijn, maar in feite was het gebouw een werk van de eerstgenoemde. Constantijn hoefde alleen maar de finishing touch te verzorgen, en dat deed hij door de ingang te maken in de lange zuidelijke zijde in plaats van de korte oostelijke zijde. In de basilica werd een gigantisch zittend beeld van de keizer geplaatst, misschien wel twaalf meter hoog, waarvan delen bewaard zijn gebleven.[8] Tevens opende Constantijn een groot complex van openbare baden op de Quirinaal. Ook dit project was door Maxentius begonnen. Verder had Constantijn het Circus Maximus laten restaureren en verfraaien.[9] Veel Romeinen zullen zich nog herinnerd hebben hoe tijdens festiviteiten van keizer Diocletianus een deel van het Circus was ingestort, met vele doden tot gevolg.

In aanvulling op deze gebouwen hadden de Senaat en het volk van Rome Constantijn een triomfboog naast het Colosseum geschonken. Ondanks dat het een geschenk was, had de keizer zelf de decoraties ervan bepaald. Het merkwaardige monument is een mengelmoes van oude en nieuwe elementen. Er was kennelijk geen tijd om alles nieuw te maken, en dus liet Constantijn in zijn triomfboog reliëfs en medaillons van oudere monumenten van de keizers Trajanus (98-117), Hadrianus (117-138) en Marcus Aurelius (161-180) verwerken. Wel origineel waren de zes friezen met voorstellingen die de overwinning van Constantijn op Maxentius gedenken. Ze worden doorgaans geïnterpreteerd als het vertrek uit Mediolanum, het beleg van Verona, de slag bij de Milvische brug, de intocht in Rome, een toespraak op het Forum Romanum en de uitdeling van geld in het Circus Maximus. Alle decoraties moeten beschilderd zijn geweest, maar hiervan is niets bewaard gebleven. Bovenop stond een vierspan met de keizer zelf, die op de boog liberator urbis en fundator quietis wordt genoemd. Christelijke elementen heeft de triomfboog niet, of het moet de vage frase instinctu divinitatis – ‘aangezet door de godheid’ – zijn. Daar staat tegenover dat op het reliëf met het vertrek uit Mediolanum duidelijk godenbeelden op de twee legerstandaards te zien zijn, doorgaans geïdentificeerd als Sol en Victoria. De eerstgenoemde is elders op de boog in zijn wagen afgebeeld, en de laatste zweeft ook door de lucht op het reliëf met het beleg van Verona.

Tekst op de Boog van Constantijn, met in de derde regel de frase instinctu divinitatis.

Vertrek uit Mediolanum.

Vermoedelijk in september keerde Constantijn terug naar Augusta Treverorum. Hij zou er niet lang blijven. Spoedig zou de keizer zich op zijn zwager Licinius richten. Het lijkt er niet op dat de twee mannen elkaar erg mochten. Constantijn zal vanaf zijn aantreden in 306 zijn zinnen hebben gezet op het gehele Romeinse Rijk en we mogen gerust aannemen dat Licinius niet minder ambitieus was. Ooit moest het tot een geweldsuitbarsting komen. Hierbij speelde een Romeinse senator genaamd Bassianus een nogal schimmige rol. Hij was getrouwd met Constantijns christelijke halfzuster Anastasia. Vermoedelijk was het huwelijk met instemming van Constantijn tot stand gekomen, een poging van de keizer om na zijn intrede in Rome in 312 banden met de Romeinse aristocratie aan te gaan. Constantijn had plannen met Bassianus, maar ook Licinius had plannen.

Boven: Sol in zijn wagen. Onder: intocht in Rome.

Het Colosseum met daarnaast de Boog van Constantijn.

Bronnen

Primaire bronnen

Secundaire bronnen

  • Adrian Goldsworthy, The Fall of the West, p. 178 en 186-189;
  • Henk Singor, Constantijn, p. 293-312;
  • Timothy Venning, A Chronology of the Roman Empire, p. 645-649.

Noten

[1] Lactantius, De mortibus persecutorum, hoofdstuk XLV.

[2] De mortibus persecutorum, hoofdstuk XLVI.

[3] Lactantius spreekt van zelfmoord door vergif, Eutropius suggereert dat sprake was van toeval (fortuita morte), Eusebius beweert dat de keizer met blindheid werd geslagen en Zosimus en Aurelius Victor stellen simpelweg dat Daza in Tarsus stierf.

[4] Henk Singor, Constantijn, p. 313.

[5] De mortibus persecutorum, hoofdstukken L-LI.

[6] Henk Singor, Constantijn, p. 261.

[7] Henk Singor, Constantijn, p. 300-301.

[8] Mogelijk ging het om een beeld van Jupiter of Hadrianus dat was omgewerkt tot een beeld van Maxentius. Constantijn liet het vervolgens weer omwerken tot een beeld van zichzelf. Zie Henk Singor, Constantijn, p. 278.

[9] Genoemd in Aurelius Victor, De Caesaribus 40.

One Comment:

  1. Pingback:Constantijn de Grote: De Jaren 324-325 – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.