Palermo: De Duomo

Kathedraal van Palermo.

De meningen over de kathedraal van Palermo zijn nogal verdeeld. De een vindt het gebouw schitterend en de mengeling van bouwstijlen een intrigerend overzicht van de verschillende fasen in de Siciliaanse geschiedenis. De ander vindt de kathedraal juist spuuglelijk en betreurt wat latere architecten het oorspronkelijke Normandisch-Siciliaanse bouwwerk hebben aangedaan. De eminente historicus van Normandisch Sicilië John Julius Norwich kan tot de laatste categorie gerekend worden. Al in 1970 noemde hij de kathedraal van Palermo een “sad travesty”.[1] Die kwalificatie gaat mij toch iets te ver. Zeker, lang niet iedere architectonische ingreep in de kathedraal kan geslaagd genoemd worden, maar het gebouw heeft toch nog een hoop te bieden, variërend van de graftombe van een van de grootste vorsten van de Middeleeuwen tot de kroon van diens echtgenote. De kathedraal zelf kan gratis bezocht worden. Voor een bezoek aan de koninklijke graftomben, de daken, de crypte en de schatkamer is echter een toegangskaartje nodig.

Vroege geschiedenis

Volgens de overlevering heeft Palermo al vanaf de tweede eeuw een bisschop. In het midden van de vijfde eeuw was dat een zekere Mamilianus, die samen met een aantal anderen door binnenvallende Vandalen gevangen werd genomen en naar Noord-Afrika werd meegenomen. Via Sardinië kwam hij uiteindelijk op de eilanden Montecristo en Giglio terecht, waar hij stierf. Als bisschop moet Mamilius over een kathedraal hebben beschikt, maar van dit gebouw is voor zover bekend niets bewaard gebleven. De geschiedenis van de kathedraal van Palermo begint daarom tijdens het pontificaat van Paus Gregorius de Grote (590-604). De kathedraal zou zijn gebouwd toen een zekere Johannes aartsbisschop van Palermo was en in 604 zijn voltooid. Het gebouw was gewijd aan de Maagd Maria en de crypte van de huidige kathedraal zou er volgens sommige historici een overblijfsel ervan zijn (al trekken andere historici dat weer in twijfel). Een ander mogelijk overblijfsel is het vreemde gebouwtje dat we ten noorden van de kathedraal vinden en dat als de Cappella dell’Incoronata bekendstaat.

De kathedraal gezien vanuit het Museo Diocesano.

Tekst uit Soera 7 van de Koran.

In 831 veroverden de islamitische Aghlabiden uit Noord-Afrika Palermo. De kathedraal van de stad werd afgepakt van de christenen, van wie het merendeel overigens Grieks-orthodox in plaats van katholiek was, en zich dus eerder richtte op de patriarch van Constantinopel dan op de bisschop van Rome (i.e. de Paus). De voormalige kathedraal werd omgevormd tot moskee, een van de 300 moskeeën[2] die er in Balarm (de Arabische naam van Palermo) zouden hebben gestaan. Het gebouw stond bekend als de Gami, een naam die ongetwijfeld is afgeleid van het Arabische jami masjid, een verwijzing naar de Grote Moskee van de stad waar het vrijdaggebed werd gehouden (vgl. het Turkse camii en het Griekse τζαμί). Een herinnering dat het gebouw ooit een islamitisch gebedshuis was, is een inscriptie op een van de zuilen (de meest linker) van de portiek aan de zuidzijde van de kathedraal. Volgens deze bron gaat het om een vers uit Soera 7 van de Koran. Waarom is de tekst nooit weggebeiteld? Was dat vanwege eerbied voor het heilige boek van een andere religie of juist om aan te geven dat het christendom uiteindelijk had getriomfeerd over de islam?

Ondertussen had de overname van de kathedraal gevolgen voor de christenen van Palermo. Zij konden hun geloof blijven belijden, maar waren onderworpen aan beperkingen en dienden de gebruikelijke jizya te betalen, de belasting voor niet-moslims. De orthodoxe aartsbisschop verliet de stad en vestigde zich met zijn hof op de Monte Caputo, waar de kleine kapel van Hagia Kyriake de nieuwe “kathedraal” werd. Op de genoemde berg verrees later het stadje Monreale, en de status van de kapel werd in de twaalfde eeuw handig gebruikt om de immense kerk die koning Willem II van Sicilië (1166-1189) daar tussen 1174 en 1189 bouwde direct de rang van kathedraal te geven. Meer over de kathedraal van Monreale en de relatie van het gebouw tot de kathedraal van Palermo volgt hieronder.

Op 10 januari 1072 namen de Normandiërs onder leiding van Robert Guiscard (1015-1085) en zijn jongere broer Rogier de Hauteville (1031-1101) Palermo in. De Normandiërs waren katholieke of Latijnse christenen, maar droegen de Gami-moskee niettemin graag over aan de Grieks-orthodoxe aartsbisschop Nicodemus, die het gebouw weer inwijdde als christelijke kathedraal en er een dankmis volgens de Byzantijnse rite hield. Na Nicodemus zouden er alleen nog maar katholieke aartsbisschoppen benoemd worden, en door de immigratie van katholieken uit Zuid-Italië nam de katholieke invloed op Sicilië steeds verder toe. Waar Rogier de Hauteville slechts de titel van Grootgraaf van Sicilië voerde, dacht zijn zoon Rogier II groter. In 1127-1128 annexeerde hij Zuid-Italië (voorheen het bezit van zijn neef Willem van Apulië) en in 1130 liet hij zich in de kathedraal van Palermo door een legaat van tegenpaus Anacletus II zalven tot Koning van Sicilië. De ceremonie vond vermoedelijk plaats in de genoemde Cappella dell’Incoronata, door Rogier II verbouwd en vervolgens ook gebruikt voor de kroning van de andere Normandisch-Siciliaanse koningen.

Robert Guiscard en Rogier de Hauteville schenken de kathedraal van Palermo aan aartsbisschop Nicodemus. Fresco in de apsis van Mariano Rossi uit 1803.

De al genoemde koning Willem II van Sicilië, een kleinzoon van Rogier II, had een moeizame relatie met de aartsbisschop van Palermo, Walter of the Mill. Walter was een Engelsman die zijn carrière was begonnen als leraar van Willem en zijn broers toen die nog kinderen waren. Vervolgens was hij benoemd tot aartsdiaken van Cefalù en kanunnik van de Cappella Palatina in Palermo. In 1168 volgde de benoeming tot aartsbisschop van Palermo. In dat jaar werd de favoriet van Willems moeder Margaretha van Navarra, haar neef Stephen du Perche, gedwongen het ambt van aartsbisschop neer te leggen. Tot aan zijn dood begin 1191 oefende Walter vervolgens de functie uit, waarbij hij ergens in de jaren 1170 begon aan de herbouw van de kathedraal. Vaak wordt deze herbouw gezien als onderdeel van de strijd tussen Walter en Willem, en tussen Palermo en Monreale. De redenering is dan dat Willem met de bouw van de kathedraal van Monreale (ca. 6-7 kilometer buiten Palermo) begon om de macht van aartsbisschop Walter te beknotten. Inderdaad raakte de laatstgenoemde diverse parochies kwijt aan het nieuwe aartsbisdom. In reactie zou Walter de herbouw van zijn eigen kathedraal in gang hebben gezet.

Zijaanzicht van de kathedraal.

Achterzijde van de kathedraal.

Het lastige is dat we niet precies weten wanneer Walter begon met zijn project. Dat kan al rond 1170 zijn geweest (wat een reactie op het project van koning Willem onaannemelijk maakt), maar misschien was het pas in 1179.[3] Het is ook niet uitgesloten dat bij de aartsbisschop andere motieven voor de herbouw hebben meegespeeld. De kathedraal was al enkele eeuwen oud, mogelijk toe aan groot onderhoud en bovendien waarschijnlijk niet wezenlijk gewijzigd sinds het gebouw van de moslims was afgenomen. Dit was het moment om Palermo een grootse nieuwe kathedraal in Normandisch-Siciliaanse stijl te geven. Op 6 april 1185 werd de nieuwe kathedraal door de aartsbisschop gewijd. In de Normandische stijl had het gebouw een middenschip en zijbeuken, met een enigszins verhoogd koor. Luchtbogen over de straat – thans de Via Matteo Bonello – verbonden het gebouw met de klokkentoren, die tegen het aartsbisschoppelijk paleis aan stond. Over het interieur van de nieuwe kathedraal weten we eigenlijk heel weinig. Als er fresco’s werden geschilderd en mozaïeken werden gelegd, dan is daarvan niets bewaard gebleven. De originele houten dakconstructie is bij latere verbouwingen grotendeels vervangen. De vier kenmerkende hoektorens van de kathedraal werden pas in de veertiende eeuw toegevoegd.

Latere geschiedenis

Aan de kathedraal van Walter of the Mill is in de loop der eeuwen heel wat verbouwd. Het meest originele gedeelte van het gebouw is misschien wel de achterzijde met de drie apsissen. Deze zijn goed zichtbaar vanaf de Piazza Sett’Angeli. De fraaie geometrische patronen op de apsissen lijken sterk op die van de kathedraal van Monreale. Ook de kantelen van het gebouw zijn origineel Normandisch-Siciliaans. Het grote plein voor de kathedraal (een voormalige begraafplaats) kwam in 1195 gereed. De balustrade eromheen werd in de zestiende eeuw toegevoegd en een eeuw later van beelden van heiligen voorzien. In de achttiende eeuw werd de balustrade vervangen door een nieuwe. Dat is de balustrade die we vandaag de dag zien.

Madonna met Kind en engelen.

Bezoekers komen de kathedraal doorgaans binnen via een portaal aan de zuidzijde van het gebouw dat tussen 1423 en 1426 werd toegevoegd. Het portaal is een voorbeeld van de Catalaans-Gotische stijl en is een werk van de architect Antonio (of Antonino) Gambara (gestorven rond 1442). De reden voor de bouw van het portaal was de kroning van koning Alfonso V van Aragon, die tussen 1416 en 1458 koning van Sicilië was en de bijnaam ‘de Grootmoedige’ kreeg. Alfonso was bovendien tussen 1442 en 1458 koning van Napels (als Alfonso I), waarmee voor het eerst sinds de dertiende eeuw het eiland en Zuid-Italië weer door dezelfde vorst geregeerd werden. In het bovenste gedeelte van het portaal werd een dertiende-eeuws mozaïek van de Madonna met het kind geflankeerd door engelen bevestigd. De kathedraal is immers aan de Maagd Maria (en haar Tenhemelopneming) gewijd. De deuren in het portaal werden gemaakt door Francesco Miranda en in 1432 geïnstalleerd.

Enkele decennia later werd de grote portiek aan de zuidzijde van de kathedraal gebouwd, eveneens in de Catalaans-Gotische stijl. De portiek heeft een prachtig timpaan, met als centrale voorstelling God de Vader te midden van een Annunciatie. God is hier weergegeven als een paus, met een tiara op zijn hoofd en zittend op een troon. Onder het timpaan zien we twee dozijn kleinere figuurtjes afgebeeld, allemaal heiligen, apostelen, evangelisten of profeten. Ondertussen heeft de kathedraal aan de westzijde, in de Via Matteo Bonello, ook nog een officiële hoofdingang, die echter zelden gebruikt wordt. Deze ingang bestaat uit een veertiende-eeuws Gotisch portaal met moderne bronzen deuren. De deuren zijn een werk van Filippo Sgarlata (1901-1979) uit 1961. Ook aan de noordzijde, in de Via Incoronazione, bevindt zich nog een ingang. De oorspronkelijke portiek aan deze zijde werd gemaakt door de broers Fazio (1520-1567) en Vincenzo Gagini (1527-1595), beiden zoons van de beroemde Antonello Gagini (1478-1536). De portiek werd in de achttiende eeuw verbouwd, als onderdeel van een groter project dat het aanzien van de kathedraal drastisch veranderde.

Portiek aan de zuidzijde.

Timpaan; God de Vader te midden van de Annunciatie.

Aanvankelijk werden in de achttiende eeuw enkele tamelijk bescheiden restauraties uitgevoerd. Zo moest de klokkentoren herbouwd worden na een aardbeving in 1726 en voerde de architect Ferdinando Fuga (1699-1782) in 1767 een conserverende restauratie uit. Fuga plande ook een veel grotere verbouwing die uiteindelijk tussen 1781 en 1801 zou worden uitgevoerd. De architect was toen al begin tachtig en zou in 1782 komen te overlijden, zodat we de verbouwing grotendeels op het conto van Giuseppe Venanzio Marvuglia (1729-1814) uit Palermo mogen schrijven. De al in de inleiding genoemde Lord Norwich oordeelde vernietigend over het resultaat:

“T]he crowning desecration, literally and figuratively, on the outside and within, took place in the eighteenth century when the Florentine architect Ferdinando Fuga clapped on a ludicrous and totally unrelated dome, hacked away the side walls to make fourteen chapels, removed the wooden roof and replaced it with inferior vaulting, then whitewashed the whole thing – the apse mosaics had already been torn down two centuries earlier – and baroqued it up beyond recognition. Today the kindest thing to do about Palermo Cathedral would be to ignore it – were it not for the Royal Tombs.”[4]

Beelden van Antonello Gagini en zonen in de kathedraal.

Nu kon niemand zo eloquent tekeergaan als wijlen Lord Norwich (hij overleed in 2018), maar toch is zijn kritiek niet helemaal terecht. Allereerst had Fuga als gezegd uiteindelijk weinig met de verbouwing te maken en het is nog maar de vraag of Marvuglia en consorten zich aan zijn plannen hebben gehouden. Het vervangen van de houten dakconstructies, in elk geval in de zijbeuken, had bovendien al in 1709 plaatsgevonden en het interieur van de kathedraal is eerder Neoclassicistisch dan Barok. Toch kan niet ontkend worden dat de verbouwing van de achttiende eeuw onnodig veel vernietigd heeft. Dat geldt in de eerste plaats voor de zogenaamde tribuna van Antonello Gagini in de centrale apsis. Deze bestond uit drie rijen boven elkaar geplaatste heiligen, veertig in totaal, aangevuld met reliëfs van de Tenhemelopneming, de Verrezen Christus, God de Vader en verhalen over de levens van de opgenomen heiligen. Antonello Gagini werkte vanaf 1510 tot aan zijn dood in 1536 aan de tribuna, zijn zonen zetten het werk tot 1574 voort, maar eind achttiende eeuw werd de constructie compleet ontmanteld. Het reliëf van God de Vader in de schelp van de apsis (van Vincenzo Gagini) ging verloren en de meeste beelden werden buiten tussen de kantelen van de kathedraal geplaatst (wat er tamelijk belachelijk moet hebben uitgezien). Pas in 1952 kregen ze binnen in het gebouw een plekje.

De grote verbouwing van 1781-1801 leverde naast de grote koepel ook de zestien kleinere koepeltjes, acht aan elke kant, op de zijbeuken van de kathedraal op. Elk koepeltje heeft een kleurrijk majolica-dak. De grote klokkentoren kreeg zijn huidige vorm in 1835, nadat hij bij een aardbeving in 1823 ernstig beschadigd was geraakt. De Neogotische toren die we vandaag de dag zien, is een werk van Emmanuele Palazzotto (1798-1872).

Interieur van de kathedraal.

Interieur

Het Neoclassicistische interieur van de kathedraal is niet echt mooi te noemen. Toch zijn er wel enkele interessante elementen te ontwaren. Zuilen afkomstig uit de kathedraal van Walter of the Mill zijn verwerkt in de grote pilaren die het gebouw opdelen in een middenschip en twee zijbeuken. De beelden van de tribuna van Antonello Gagini en zonen zijn tegen deze pilaren aan geplaatst (zie de afbeelding hierboven) en de Verrezen Christus heeft (weer) een plekje in de centrale apsis gekregen. Die apsis is nu voorzien van een groot fresco uit 1803 van de schilder Mariano Rossi (1731-1807). We zien hoe Robert Guiscard en Rogier de Hauteville de kathedraal teruggeven aan aartsbisschop Nicodemus (afbeelding hierboven). Op het tongewelf van het koor schilderde Rossi nog een Tenhemelopneming van de Maagd. Links in het koor staan de koninklijke troon en een paaskandelaar. Het zijn reconstructies, maar er is wel origineel materiaal voor gebruikt. De Cosmatendecoraties zijn prachtig. De tekst op de troon luidt PRIMA SEDES CORONA REGIS ET REGNI CAPVT, oftewel “eerste residentie, kroon des konings en hoofdstad van het koninkrijk”, allemaal verwijzingen naar de stad Palermo.

Wie door het gebouw slentert, komt nog aardig wat fraaie kunstvoorwerpen tegen. Zeer mooi is bijvoorbeeld een wijwaterschaal gemaakt door Domenico Gagini (ca. 1420-1492), de vader van Antonello. Niet zozeer mooi, als wel vanuit religieus oogpunt uitermate belangrijk is de kapel rechts van het koor, gewijd aan Sint Rosalia. Zij is de belangrijkste beschermheilige van Palermo. Rosalia ging in de twaalfde eeuw als kluizenaar op de Monte Pellegrino wonen. Na haar dood in 1166 of 1170 werd ze weliswaar als heilige vereerd, maar haar cultus werd pas echt populair na de pestepidemie van 1624. Palermo had toen al verschillende schutspatronen, maar Olivia, Nympha, Agatha en Christina bleken niet in staat iets aan de vreselijke ziekte te doen. Gelukkig werd zo’n twee maanden na de uitbraak het lichaam van Sint Rosalia teruggevonden en – toevallig of niet – juist op dat moment begon het aantal besmettingen af te nemen. Sindsdien geldt ook Rosalia als beschermheilige van de stad. Haar kapel in de kathedraal, waarin haar relikwieën bewaard worden, werd in 1635 voltooid, maar de wandreliëfs van Valerio Villareale (1773-1854) dateren 1818. Op het plein voor de kathedraal vinden we in het midden een beeld van Santa Rosalia.

Meridiaan van Piazzi.

Bijzonder aan het interieur van de kathedraal is ten slotte de aanwezigheid van een bronzen meridiaan. Deze is het werk van Giuseppe Piazzi (1746-1826), die naast priester ook wiskundige en astronoom was. De meridiaan werd in 1801 geplaatst en markeerde het begin van de Europese tijdsrekening op Sicilië. Ze deed me sterk denken aan een soortgelijke meridiaan in Rome, die overigens bijna honderd jaar ouder is.

Koninklijke graftomben

Bezoekers met een kaartje kunnen in de eerste twee kapellen aan de rechterzijde vier imposante koninklijke graftomben bewonderen. Linksachter staat de graftombe van Rogier II, koning van Sicilië tussen 1130 en 1154. Hij was, zoals hierboven reeds werd gememoreerd, de grondlegger van het Normandisch-Siciliaanse koninkrijk, dat mede heel Italië ten zuiden van de rivier de Garigliano besloeg. Rechts van de graftombe van Rogier staat die van zijn postume dochter Constance (1154-1198). Zij was getrouwd met Hendrik VI, keizer van het Heilige Roomse Rijk, die via haar ook koning van Sicilië werd (Rogiers kleinzoon Willem II was kinderloos gestorven). Hendrik VI ontpopte zich direct na zijn kroning tot een vreselijke tiran, dus de Sicilianen zullen nauwelijks hebben getreurd toen hij in 1197 op slechts 31-jarige leeftijd het tijdige met het eeuwige verwisselde. Niettemin kreeg hij een mooie porfieren graftombe die nu voor die van zijn echtgenote is geplaatst. De laatste graftombe, eveneens van porfier en links vooraan geplaatst, is die van de zoon van Constance en Hendrik, Frederik II van Hohenstaufen. Ik heb het verhaal van deze gigant al eens verteld, en zal het hier vrijwel verbatim herhalen.

Graftombe van keizer Hendrik VI. Daarachter de graftombe van zijn vrouw, Constance van Sicilië.

Frederik werd op 26 december 1194 geboren in het stadje Jesi in de Marche. Zijn ouders stierven al toen hij nog een peuter was, waarna de kersverse Paus Innocentius III (1198-1216) zich over de weesjongen ontfermde en diens voogd werd. Cencio Savelli – de latere Paus Honorius III (1216-1227) – werd als leraar van het kind aangesteld. Als vierjarige was Frederik al koning van Sicilië (na de dood van zijn moeder in 1198), maar voorlopig was hij nog geen keizer van het Heilige Roomse Rijk. Die positie ging eerst naar Filips van Zwaben, de broer van Hendrik VI, en vervolgens naar Otto van Brunswijk. Frederik nam het echter met succes tegen de laatstgenoemde op. Nadat Otto – die de geschiedenis in is gegaan als Otto IV – bij Bouvines een zware nederlaag tegen de Fransen had geleden, werd Frederik in 1215 Rooms koning. Na zijn kroning in 1220 door zijn voormalige leraar Paus Honorius III gold hij ook als keizer.

Frederik was zonder enige twijfel een van de grootste vorsten van de dertiende eeuw en zijn bijnaam stupor mundi – Latijn voor “verwondering der wereld” – geeft daar blijk van. Hij was als groot intellectueel zeer geïnteresseerd in wetenschap en sprak meerdere talen vloeiend, waaronder ook het Arabisch. Dat hij deze taal beheerste, was niet zo vreemd. Sicilië kende in die tijd nog altijd een substantiële Arabisch-islamitische minderheid, het resultaat van de besproken verovering in 831 door de Aghlabiden. De Normandische verovering tussen 1061 en 1091 betekende zeker niet het einde van de islam op Sicilië en in de tijd van Frederik II, ruim een eeuw later, woonden er nog grote groepen moslims op het eiland. Frederik was uiteraard katholiek, maar toonde grote belangstelling voor de islam en grote bewondering voor het werk van islamitische geleerden. In een tijd van religieus fanatisme en kruistochten bezorgde dat hem een slechte reputatie, zeker bij de opvolgers van Paus Honorius III, te weten Gregorius IX (1227-1241) en Innocentius IV (1243-1254). Met deze heren lag Frederik voortdurend overhoop.

Graftombe van keizer Frederik II. Daarachter de graftombe van zijn grootvader, koning Rogier II.

Frederik had al in 1217 aan Honorius beloofd om op kruistocht te gaan. De heilige stad Jeruzalem was in 1099 door de kruisvaarders van de Eerste Kruistocht veroverd, maar sinds 1187 weer in islamitische handen. Frederik trof voorbereidingen om de stad te heroveren, maar talmde wel erg lang met de uitvoering. Toen hij in 1227 alsnog op kruistocht ging, was Honorius al overleden. Bovendien werd Frederik zelf ernstig ziek. Honorius’ opvolger Gregorius IX had daar weinig begrip voor en ging over tot excommunicatie, een handeling die hij het volgende jaar zou herhalen toen Frederik richting Jeruzalem trok. Desalniettemin zette Frederik zijn kruistocht voort en hij wist als geëxcommuniceerde zondaar een vredesverdrag voor tien jaar met sultan Al-Kamil van Cairo te sluiten. Op grond van dit verdrag kwam Jeruzalem zonder dat er ook maar een druppel bloed gevloeid was weer in handen van de christenen, samen met de plaatsen Nazareth en Bethlehem. Frederik werd tot koning van Jeruzalem gekroond en de stad zou tot 1244 in christelijke handen blijven.

Hoewel hij als geëxcommuniceerde de heiligste stad van het christendom had betreden, maakte Paus Gregorius de excommunicatie van Frederik ongedaan, om hem in 1239 opnieuw met een banvloek te treffen. Gregorius overleed in 1241 en zijn opvolger Celestinus IV stierf al na 17 dagen op de Troon van Petrus. Aan Sinibaldo dei Fieschi – die in 1243 werd gekozen en de naam Innocentius IV aannam – had Frederik vervolgens de resterende zeven jaren van zijn leven een harde kluif. Vrijwel meteen werd hij opnieuw geëxcommuniceerd en op 13 december 1250, een kleine twee weken voor zijn 56e verjaardag, overleed de keizer aan dysenterie. Hij werd begraven in een porfieren sarcofaag in de kathedraal van Palermo die eigenlijk niet voor hem bedoeld was, maar voor zijn grootvader Rogier II. Rogier had altijd de vurige wens gehad zijn laatste rustplaats te vinden in de door hemzelf gebouwde kathedraal van Cefalù. Daar werden dan ook twee porfieren sarcofagen geplaatst: een als graftombe voor de koning en de ander als (leeg) eerbetoon aan de familie De Hauteville. Rogiers wens werd na zijn dood in 1154 helaas genegeerd, en hij werd begraven in de kathedraal van zijn hoofdstad Palermo. De twee sarcofagen bleven nog decennialang in Cefalù staan, waarna Frederik ze in 1215 naar Palermo liet overbrengen om ze voor hemzelf en voor zijn reeds overleden vader te gebruiken.

Graftombe van Constance van Aragon, echtgenote van keizer Frederik II.

Koepeltjes met majolicadaken.

In de rechter kapel vinden we aan de muur ook de graftombe van Constance van Aragon, de eerste echtgenote van Frederik. Zij was tussen 1179 en 1183 geboren en daarmee veel ouder dan haar man (ze had er dan ook al een huwelijk opzitten met de Hongaarse koning Imre). Constance stierf in 1222 in Catania en werd in de kathedraal van Palermo bijgezet in een oude Romeinse sarcofaag. Ze had Frederik een zoon geschonken, Hendrik (1211-1242), die tot Rooms koning werd verkozen, maar uiteindelijk in conflict raakte met zijn vader en zijn laatste jaren in gevangenschap sleet. Frederiks opvolger zou dan ook zijn zoon Koenraad zijn, geboren uit zijn tweede huwelijk met Yolande van Brienne (1212-1228). Uiteindelijk trouwde Frederik in 1235 nog een derde maal, nu met Isabella van Engeland (ca. 1214-1241), een zuster van de Engelse koning Hendrik III. Na de dood van Koenraad in 1254 lag de macht op Sicilië feitelijk in handen van Manfred, de favoriete buitenechtelijke zoon van Frederik. Vanaf 1258 noemde Manfred zich officieel koning van Sicilië, maar in 1266 moest hij het afleggen tegen de Fransman Karel van Anjou, waarmee de Angevijnse periode in de geschiedenis van Sicilië begint (zie Palermo: Santo Spirito en de Siciliaanse Vespers).

De daken

Via een deur in de binnengevel kunnen bezoekers een trap beklimmen die toegang geeft tot de daken van de kathedraal. Vanaf een soort tussenverdieping heeft men allereerst een mooi uitzicht op de koepeltjes op de rechter zijbeuk. Het uitzicht vanaf het dak van het middenschip is echter nog vele malen fraaier. Kijk naar het westen en het voormalig koninklijk paleis, het Palazzo dei Normanni, komt goed in beeld. Kijk vervolgens uit over het plein voor de kathedraal en aanschouw de vele koepels van de Palermitaanse kerken, met op de achtergrond de nevel tussen de bergen die Palermo omringen. Het mooiste uitzicht hebt u echter als u richting het noorden kijkt. Daar rijst de machtige en schaars bebouwde Monte Pellegrino op, de berg waarop Sint Rosalia woonde en waarop haar in de zeventiende eeuw gebouwde heiligdom staat (het kasteel op de berg is het in 1934 gebouwde Castello Utveggio). Bezoekers hebben ook mooi zicht op het in 1874 geopende Teatro Politeama en kunnen ten slotte een rondje om de koepel van Fuga en Marvuglia lopen.

Het Palazzo dei Normanni, bezien vanaf de kathedraal.

Skyline van Palermo.

Uitzicht op de Monte Pellegrino. Rechts het Teatro Politeama.

Crypte en schatkamer

Er bestaat onenigheid over de ouderdom van de crypte. Als gezegd is ze mogelijk een overblijfsel van de kathedraal uit 604, maar er zijn genoeg historici die de crypte op de twaalfde of zelfs de veertiende eeuw dateren. Hoe dit ook zij, de crypte is interessant vanwege de 23 sarcofagen die hier geplaatst zijn. Volgens een bordje stonden 11 hiervan altijd al in de crypte en zijn de overige 12 hier geplaatst tijdens de grote verbouwing van 1781-1801. Net als bij de graftombe van Constance van Aragon gaat het vaak om heidense Romeinse sarcofagen die met wat aanpassingen geschikt zijn gemaakt als laatste rustplaats voor een christelijke dode.

Graftombe van aartsbisschop Hugo.

Bij die christelijke doden kunnen we in de eerste plaats natuurlijk denken aan de aartsbisschoppen van Palermo. Zo vinden we in de crypte de sarcofaag van aartsbisschop Hugo, wiens episcopaat duurde van 1150 tot 1161. Hugo’s sarcofaag is een duidelijk voorbeeld van de hergebruikte Romeinse sarcofaag, waarop de heidense goden Tiber (personificatie van de rivier) en Ceres nog te zien zijn. Aartsbisschop Walter of the Mill, verantwoordelijk voor de herbouw van de kathedraal in de twaalfde eeuw, werd daarentegen te ruste gelegd in een Normandische sarcofaag. Helaas is een groot deel van de decoraties van deze sarcofaag verloren gegaan. En dan is er nog de sarcofaag van Giovanni Paternò, aartsbisschop van 1489 tot aan zijn dood in 1511. De sarcofaag zelf dateert van de Oudheid, maar dat geldt natuurlijk niet voor de liggende beeltenis van de overledene, van wie de naam in het hoofdkussen is gebeiteld.

Graftombe van aartsbisschop Walter of the Mill.

Graftombe van aartsbisschop Giovanni Paternò.

Pietro Tagliavia d’Aragona, aartsbisschop tussen 1544 en 1558, kreeg eveneens een Romeinse sarcofaag toegewezen, maar dan wel een uit de vroegchristelijke tijd. In het midden zien we een christelijk kruis met twee duiven en daarboven een krans waarin ooit de Griekse letters chi en rho (XP) te zien waren, de eerste letters van de naam van Christus. Bij de twaalf figuren die het kruis flankeren is het moeilijk niet aan de twaalf apostelen te denken. In de crypte komen we vervolgens weer bij Frederik II uit als we op de sarcofaag stuiten die voor zijn achterkleinzoon Frederik van Antiochië is gemaakt. Naast Manfred had Frederik II nog veel meer buitenechtelijke kinderen. Een van hen was een zoon, ook Frederik geheten. Diens zoon Koenraad had vijf zonen, van wie er twee (Bartolomeo en Francesco) allebei aartsbisschop van Palermo werden. Zij zorgden er ongetwijfeld voor dat hun oudste broer, de genoemde Frederik van Antiochië, na zijn dood in 1305 in de crypte van de kathedraal werd bijgezet. Dat de familie zeer gerespecteerd was, ondanks dat ze was ontstaan uit een bastaardzoon, moge ook blijken uit het feit dat drie dochters van Koenraad trouwden met leden van de familie Della Scala uit Verona.

Graftombe van aartsbisschop Pietro Tagliavia d’Aragona.

Graftombe van Frederik van Antiochië.

Kroon van Constance van Aragon.

Via de crypte komen we uit in de schatkamer, waar het hoogtepunt toch wel de kroon van Constance van Aragon is. Het prachtige voorwerp werd gemaakt in de tiraz (textielatelier) van het koninklijk paleis en bestaat uit goud- en zilverdraad, parels en andere edelstenen. Op de grote rood-zwarte edelsteen aan de voorkant staat een tekst in het Arabisch die kan worden vertaald als “Isa, zoon van Gibair, vertrouwt op God”. Isa – overigens de Arabische naam van Jezus – zal dan wellicht de naam van de maker van de kroon zijn geweest. Het voorwerp wordt op 1220-1222 gedateerd. Palermo was in die tijd nog steeds een cultureel Arabische stad, maar de tolerantie die het Normandisch-Siciliaanse koninkrijk had gekenmerkt was sterk geërodeerd. Het resultaat was dat veel moslims de stad hadden verlaten en in de onherbergzame streken van West-Sicilië een guerrillaoorlog tegen de christenen begonnen. In de periode 1222-1226 was Frederik II gedwongen hard tegen de rebellen op te treden, waarna hij enkele duizenden (misschien wel 15-20.000) moslims gedwongen liet verhuizen naar Lucera in Apulië, waar hun gemeenschap nog enkele decennia standhield.

Bronnen

Noten

[1] John Julius Norwich, The Kingdom in the Sun, p. 316.

[2] John Julius Norwich, The Normans in the South, p. 177.

[3] Het jaartal genoemd in Capitool reisgids Sicilië (2019), p. 70 en The Kingdom in the Sun, p. 316.

[4] The Kingdom in the Sun, p. 363.

6 Comments:

  1. Pingback:Palermo: San Cataldo – – Corvinus –

  2. Pingback:Palermo: La Zisa – – Corvinus –

  3. Pingback:Palermo: Santissima Trinità del Cancelliere (La Magione) – – Corvinus –

  4. Pingback:Palermo: Palazzo Abatellis – – Corvinus –

  5. Pingback:Cefalù: De Duomo – – Corvinus –

  6. Pingback:Palermo: Cappella Palatina – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.