Modena: De Duomo

Duomo van Modena.

Met een lengte van zo’n 67 meter en een breedte van 25 is de kathedraal van Modena niet uitzonderlijk groot. Het gebouw behoort echter wel tot de allermooiste Romaanse kathedralen van Italië. Wie voor de Duomo staat, wordt direct getroffen door het grote roosvenster, de reliëfs met gebeeldhouwde verhalen uit het Bijbelboek Genesis en de ruim 86 meter hoge klokkentoren, die La Ghirlandina wordt genoemd. De kathedraal is gewijd aan de tenhemelopneming van de Maagd Maria en aan Sint Geminianus. Deze laatste was in de vierde eeuw bisschop van Modena en stierf omstreeks het jaar 397. Tegenwoordig geldt Geminianus als de beschermheilige van de stad en zijn overblijfselen worden in de crypte bewaard. Vanwege het religieuze belang van deze relikwieën stond er waarschijnlijk al vroeg een christelijke kerk op deze plek. Rond het midden van de elfde eeuw werd deze kerk vervangen door een grotere, die echter slecht gebouwd was en al snel begon af te brokkelen. Op 9 juni 1099 werd de eerste steen gelegd voor een nieuwe Duomo. Daarmee begon een belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van Modena.

Geschiedenis

De architect van de nieuwe kathedraal was een zekere Lanfrancus of Lanfranco. Zijn naam is bewaard gebleven op een dertiende-eeuwse plaquette die aan de centrale apsis aan de achterkant van het gebouw is bevestigd.[1] De inscriptie vermeldt tevens het jaar 1099 en de datum 9 juni. Aan de gevel aan de voorzijde van de kathedraal vinden we eveneens een plaquette met de naam van een andere belangrijke betrokkene, ene Wiligelmus of Wiligelmo. Volgens een interessante theorie begon de eerstgenoemde met de bouw van de Duomo bij de apsis en de laatstgenoemde bij de gevel, om vervolgens ergens in het midden bij elkaar uit te komen. Helaas is over beide mannen niet veel bekend. Lanfranco was in elk geval niet de Lanfranco da Como die in 1226 het doopbad in het Baptisterium van Pistoia vervaardigde. Hij leefde immers ruim een eeuw eerder. Van Wiligelmo weten we in elk geval dat hij ook actief was in Piacenza, waar hij beeldhouwwerk voor de gevel van de plaatselijke kathedraal verzorgde. Ook beeldhouwwerk in Cremona (te zien aan de kathedraal en in het baptisterium) wordt wel aan hem of zijn school toegeschreven. Buiten kijf staat dat hij in Modena zijn allerbeste werk afleverde en daar zal ik hieronder dan ook uitgebreid bij stilstaan.

Duomo van Modena met de klokkentoren La Ghirlandina.

Plaquette met in de laatste regel de naam van Wiligelmo.

Voor de bouw van de Duomo werd veelvuldig gebruik gemaakt van spolia, dat wil zeggen van bouwmaterialen afkomstig van verwoeste of verlaten gebouwen in het Romeinse Mutina, de voorloper van het middeleeuwse Modena die in het jaar 183 voor onze jaartelling als een Romeinse kolonie was gesticht. Het werk aan de nieuwe kathedraal verliep soepel, zodat al in 1106 de overblijfselen van Sint Geminianus naar de crypte van het nieuwe gebouw konden worden overgebracht. Omdat we niet weten wanneer Lanfranco en Wiligelmo gestorven zijn, is het moeilijk om vast te stellen tot wanneer zij en hun medewerkers en leerlingen aan het gebouw hebben gewerkt. Mogelijk beëindigden zij ergens rond 1120 hun werkzaamheden. De oude kathedraal was toen al geheel gesloopt, maar de nieuwe nog niet voltooid. De taak het project af te ronden werd enkele decennia later toevertrouwd aan een groep beeldhouwers en architecten die de Maestri campionesi worden genoemd. Zij waren afkomstig uit Campione d’Italia bij de grens met Zwitserland. De Maestri campionesi moeten rond 1170 in Modena zijn neergestreken. Nog tot in de eerste decennia van de veertiende eeuw waren werklieden uit deze groep in de stad actief.

Veel belangrijke toevoegingen zijn aan de Maestri campionesi toe te schrijven. Zo waren ze verantwoordelijk voor het grote roosvenster, de twee secundaire ingangen van de gevel en de Porta Regia, een indrukwekkend portaal aan de zuidzijde van het gebouw, dat toegang geeft tot het grote plein van Modena, de Piazza Grande. In 1179 begonnen de Maestri bovendien met de bouw van de vrijstaande klokkentoren, waarvan een zekere Enrico da Campione in 1319 de spits voltooide. Dezelfde Enrico da Campione was in 1322 verantwoordelijk voor de preekstoel die in het middenschip staat, terwijl zijn verre voorgangers al ergens eind twaalfde eeuw (ca. 1180) het verhoogde koor bouwden, inclusief de prachtig gebeeldhouwde balustrade (pontile)[2] met een tweede preekstoel. Deze wordt toegeschreven aan Anselmo da Campione en zijn medewerkers. We weten dat ook verschillende familieleden van Anselmo bij de bouwwerkzaamheden betrokken waren, onder andere zijn zonen, een kleinzoon en een neef. De Maestri campionesi opereerden duidelijk als familiebedrijf. Wie precies wat ontwierp, bouwde of beeldhouwde, is natuurlijk voer voor specialisten.

Porta Regia.

De nieuwe kathedraal van Modena werd al in 1184 gewijd door Paus Lucius III (1181-1185). Het gebouw zal rond die tijd dus bruikbaar voor de eredienst zijn geweest. Met de voltooiing van de torenspits in 1319 was de Duomo ook echt helemaal voltooid. In de eeuwen die volgden werden er maar weinig structurele wijzigingen aan het gebouw aangebracht. Uiteraard werd er de nodige kunst uit latere perioden, vooral de Renaissance, in de Duomo geplaatst, maar de structurele ingrepen bleven beperkt tot de dakconstructie. Tussen 1437 en 1455 werden namelijk de originele houten balken vervangen door de huidige kruisgewelven. Mede omdat zoveel van het oorspronkelijke Romaanse gebouw bewaard is gebleven geldt de kathedraal van Modena als hét schoolvoorbeeld van deze bouwstijl. Sinds 1997 staan de Duomo, de klokkentoren en de aangrenzende Piazza Grande op de lijst met UNESCO Werelderfgoed.

Gevel

De beroemdste decoraties aan de gevel van de Duomo zijn de vier reliëfs van Wiligelmo met voorstellingen uit Genesis. Links zien we de Schepper in een mandorla gedragen door twee engelen. Hij houdt een boek vast met de tekst LUX EGO SVM MVNDI VIA VERAX VITA PERENNIS, wat “ik ben het licht van de wereld, de ware weg, het eeuwige leven” betekent. Vervolgens vindt de schepping van Adam (‘mens’) plaats, waarna Eva (‘leven’) uit een rib van Adam wordt gecreëerd. Adam en Eva zijn voorzien van ietwat versleten bijschriften die hen identificeren, al is het verhaal ook voor de ongeletterde (waarvan er in het middeleeuwse Modena genoeg moeten zijn geweest) direct duidelijk. Helemaal rechts worden Adam en Eva verleid door de slang die in de boom van de kennis van goed en kwaad zit. Eva heeft haar hand op een appel, die door de slang met zijn bek lijkt te worden aangereikt. Adam hapt al in een andere appel, een prachtig detail. Het eten van de boom van de kennis van goed en kwaad leidt uiteraard tot verbanning uit het Paradijs. Dat is te zien op het tweede reliëf. God houdt een boekrol vast met daarop – slecht leesbaar – de tekst DVM DEAMBVLARET DOMINVS IN PARADISVM, “terwijl God in het Paradijs rondliep [zondigden jullie]”. Een engel verdrijft het paar vervolgens daadwerkelijk uit het Paradijs. Uiterst rechts zien we de geklede Adam en Eva zware arbeid verrichten.

Voorstellingen uit Genesis: Adam en Eva in het Paradijs.

Voorstellingen uit Genesis: Adam en Eva verbannen uit het Paradijs.

Het derde reliëf begint met het offer van Abel (links) en Kaïn (rechts). God heeft alleen oog voor het offer van Abel en dat leidt tot de bekende broedermoord van Kaïn op Abel, die in het midden is afgebeeld. Rechts wordt de moordenaar door God geconfronteerd met zijn daad. Op de boekrol die God vasthoudt, staat de tekst VBI EST ABEL FRATER TVVS, “Waar is je broer Abel?”. Kaïn wordt vervolgens tot een bestaan van dolen en dwalen veroordeeld. Op het vierde reliëf zien we hoe dat eindigt: daar wordt Kaïn met een pijlschot gedood door Lamech, een nazaat van hem (zie voor een soortgelijke voorstelling Pistoia: Cappella del Tau). Dodelijk getroffen door de pijl grijpt Kaïn nog een boomtak vast. Dan gaat het verhaal verder met de Ark van Noach. Noach en zijn vrouw steken hun hoofden naar buiten, maar dieren zien we niet. Rechts eindigt het verhaal dan met Noach en zijn zonen die de Ark verlaten. Het zal de bezoeker opvallen dat de reliëfs niet op dezelfde hoogte bevestigd zijn. Dat heeft te maken met de twee secundaire ingangen die de Maestri campionesi aan de voorkant hebben gemaakt. Ooit vormden de reliëfs waarschijnlijk een doorlopend en aaneengesloten geheel, maar als gevolg van de nieuwe ingangen moesten de eerste en de laatste hoger worden bevestigd.

Voorstellingen uit Genesis: Kaïn en Abel.

Voorstellingen uit Genesis: dood van Kaïn en Ark van Noach.

Leeuw van de Porta Regia.

Aan de gevel bevindt zich als gezegd ook een plaquette waarop de naam van Wiligelmo wordt genoemd (zie de afbeelding hierboven). De tekst op de plaquette wordt vastgehouden door Henoch en Elia. Volgens Genesis 5:23-24 werd Henoch op 365-jarige leeftijd door God weggenomen, terwijl 2 Koningen 2:11 stelt dat Elia in een stormwind werd meegevoerd naar de hemel. Beiden kunnen als voorlopers van Christus worden gezien, die immers ten hemel is gevaren. Rondom de hoofdingang staat een fraaie verticale loggia (pròtiro) die wordt gedragen door leeuwen. Wie goed kijkt, ziet nog meer gebeeldhouwde reliëfs aan de gevel, die ofwel aan Wiligelmo zelf ofwel aan een leerling worden toegeschreven. Zeker van een leerling zijn de symbolen van de vier evangelisten boven het roosvenster. Dat roosvenster is als gezegd een werk van de Maestri campionesi, die ook verantwoordelijk waren voor het beeldje van de aartsengel Gabriel dat op de gevel staat. Op de middelste apsis aan de achterzijde staat overigens een andere aartsengel, namelijk Michael.

Zijingangen

De Duomo heeft drie zijingangen, twee aan de zuidzijde en een aan de noordzijde. De kleinste van de twee zuidelijke zijingangen is de Porta dei Principi, voorzien van een pròtiro en fraai gedecoreerd door een beeldhouwer uit de school van Wiligelmo. De decoraties bestaan in dit geval uit een architraaf met zes voorstellingen uit het leven van Sint Geminianus. De heilige wordt van Mutina naar het oosten van de Romeinse Rijk geroepen om de dochter van keizer Jovianus (363-364) te genezen. Zij is door een duivel bezeten. Geminianus reist eerst te paard en vervolgens per schip. Hij weet de duivel uit te drijven (fraai weergegeven!) en wordt vervolgens overladen met geschenken. De laatste twee voorstellingen betreffen zijn terugkeer en begrafenis. Het beeldhouwwerk is mooi, maar het verhaal is compleet verzonnen. Jovianus was slechts acht maanden keizer, van juni 363 tot februari 364. Hij had wel andere zaken aan zijn hoofd dan een beroep doen op een bisschop die helemaal uit Italië moest komen, zoals het sluiten van vrede met de Perzen en het ongedaan maken van de antichristelijke maatregelen van zijn voorganger, Julianus de Apostaat. En misschien wel het belangrijkste argument dat tegen het hele verhaal pleit: van Jovianus is geen dochter bekend.

Verhalen uit het leven van Sint Geminianus – school van Wiligelmo.

De tweede zijingang aan de zuidzijde is de Porta Regia. Deze is voorzien van een veel grotere en diepere pròtiro, die alleen al opvalt door zijn kleur. Toen de Maestri campionesi de Porta Regia in het eerste kwart van de dertiende eeuw bouwden, kozen ze als bouwmateriaal voor het rozerode Veronamarmer. De verticale loggia wordt gedragen door leeuwen die van hetzelfde materiaal gemaakt zijn (zie de afbeelding hierboven). Rechts van de ingang is nog een externe kansel te zien die van 1500-1501 dateert, en rechts daarvan een reliëf van de beeldhouwer Agostino di Duccio (ca. 1418-1481) dat in 1442 werd gemaakt. Het reliëf bevat vier voorstellingen uit het leven van Sint Geminianus en lijkt hetzelfde verhaal te vertellen als de architraaf van de Porta dei Principi. De volgorde van de scènes is wel enigszins anders en het vierde reliëf gaat over hoe Geminianus een aanval van Attila de Hun op Mutina weet te voorkomen. Dat verhaal is volkomen fictief: pas ruim een halve eeuw na de dood van Geminianus viel Attila Italië binnen. Ooit was het reliëf onderdeel van een altaar.

Verhalen uit het leven van Sint Geminianus – Agostino di Duccio.

Ten slotte is er aan de noordzijde de Porta della pescheria, de poort van de vismarkt. Aan deze kant loopt de Via Aemilia, de oude Romeinse weg waarvan de aanleg in 187 BCE begon. Het beeldhouwwerk van de Porta della pescheria wordt net als dat van de Porta dei Principi toegeschreven aan iemand uit de school van Wiligelmo. Aan de binnenzijde van de deurposten zien we figuren die de twaalf maanden voorstellen en daarboven een architraaf met voorstellingen van echte en fantasiedieren. Aan deze voorstellingen zijn moralistische verhalen verbonden. Twee hanen hebben bijvoorbeeld een vos gevangen. Die speelt dat hij dood is, maar zal de twee domme vogels te grazen nemen als ze hem losmaken (zie voor een soortgelijke voorstelling uit 1140 Murano: Santi Maria e Donato). Ook de kraanvogel die zijn kop in de bek van een wolf steekt om heel behulpzaam een botje te verwijderen is natuurlijk stom bezig. Verdere zien we een persoon een zeepaard berijden en kraanvogels die met een slang vechten.

Porta della pescheria.

Nog interessanter zijn de voorstellingen op de boog boven de architraaf. Hier is een zeer vroege versie van de Arthurlegende afgebeeld. Zes ridders te paard, van wie vijf in maliënkolders, vallen een kasteel aan. Het kasteel bestaat uit twee torens, een muur en een centrale donjon. Er zijn twee gewapende verdedigers bij de poorten en een ongewapende man en vrouw in het kasteel. De aanvallers worden links geleid door ARTVS DE BRETANIA, dus door Arthur van Bretagne. Achter hem rijdt – zonder maliënkolder – ISDERNVS en daarachter nog een naamloze ridder. De linker poort wordt verdedigd door ene BVRMALTVS, die vecht met een anti-cavaleriewapen dat veel weg heeft van een pikhouweel of strijdhamer. De personen in het kasteel heten WINLOGEE en MARDOC, terwijl uit de rechter poort een ridder galoppeert die CARRADO heet. Hij neemt het op tegen de ridder GALVAGIN, die gevolgd wordt door GALVARIVN en CHE.

Interieur van de Duomo.

Van veel van deze namen is lastig chocola te maken voor mensen die vooral het klassieke Arthurverhaal kennen. GALVAGIN zou echter een vroege versie van Gawain kunnen zijn en CARRADO is misschien Carados. CHE is natuurlijk Kay en WINLOGEE wellicht een voorloopster van Guinevere. Het is moeilijk te zeggen welke bron de leerling van Wiligelmo voor zijn reliëfs gebruikte. Het beeldhouwwerk is volgens sommige experts ouder dan de Geschiedenis van de Britse koningen (ca. 1135), het belangrijkste werk van de geestelijke Geoffrey of Monmouth, dat sterk bijdroeg aan de populariteit van de Arthurlegende. Anderen menen echter dat de reliëfs pas in de tweede helft van de twaalfde eeuw werden gemaakt.

Interieur

Het is nu tijd om de kathedraal binnen te gaan. De Duomo is gebouwd in de vorm van een klassieke Romeinse basilica, met een middenschip en zijbeuken, maar zonder dwarsschip. Aan de linkerzijde van het middenschip ziet de bezoeker direct de al genoemde preekstoel uit 1322 van Enrico da Campione. De preekstoel is verfraaid met beeldjes van heiligen, maar het is moeilijk vast te stellen om wie het gaat. Achter het hoogaltaar is nog een tweede preekstoel, ditmaal rond, zo’n honderd jaar ouder en voorzien van reliëfs waarop Christus, de symbolen van de evangelisten en kerkvaders zijn afgebeeld. De preekstoel wordt gedragen door slanke zuilen die op hun beurt rusten op voetstukken in de vorm van leeuwen en mensen. Achter de preekstoel bevindt zich de al genoemde balustrade (pontile) uit ca. 1180. Het interessante aan de vijf voorstellingen op deze balustrade is dat ze nog beschilderd zijn. Zo zien we – dankzij een restauratie uit 1984 – de voorstellingen min of meer zoals iemand in het middeleeuwse Modena ze zal hebben gezien. De reeks begint met het wassen van de voeten, gevolgd door een grote voorstelling van het Laatste Avondmaal. Interessant is de plek die Judas heeft gekregen: hij zit direct rechts van de Messias, die hem een hostie in de mond stopt. Hierna zien we nog de Judaskus en arrestatie van Christus, Christus voor Pilatus en Simon van Cyrene met het kruis.

Preekstoel en pontile, met onder meer het Laatste Avondmaal.

Leeuw en zondaar.

Madonna della pappa – Guido Mazzoni.

Bij de balustrade kunnen we omlaag en omhoog. Beneden bevindt zich de crypte met de resten van Sint Geminianus. Tevens staat hier een interessante beeldengroep bestaande uit de Madonna met het kind, twee knielende gelovigen en een dienstmeid. De groep staat ook wel bekend als de Madonna della Pappa, de ‘Madonna van de pap’. Dit omdat de dienstmeid een kom met pap en een lepel in handen houdt en de hete pap wat koeler probeert te blazen. Lang is gedacht dat de knielende gelovigen Joachim en Anna waren, de ouders van de Maagd Maria. Tegenwoordig wordt echter aangenomen dat het gaat om het echtpaar dat de opdracht gaf voor het vervaardigen van de beeldengroep, Francesco en Polissena Porcini. De beeldengroep werd omstreeks 1480-1485 gemaakt door de lokale beeldhouwer Guido Mazzoni (1450-1518). Alle beelden zijn van terracotta en later beschilderd. De kleuren – ongetwijfeld later bijgewerkt – zien er bijzonder fris uit.

Dat geldt ook voor de kleuren van de neo-Byzantijnse fresco’s die we zien als we bij de balustrade omhoog gaan. Aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw schilderde een onbekende schilder deze fresco’s in de schelpen van de drie apsissen. De fresco’s moeten eigenlijk mozaïeken voorstellen. Een ervan (in de rechter apsis) is een rechtstreekse kopie van het beroemde mozaïek in de kerk van San Clemente in Rome, een andere lijkt een versimpelde kopie te zijn van het apsismozaïek van de Kroning van de Maagd in de Santa Maria Maggiore in dezelfde stad. Erg origineel zijn de fresco’s dan ook niet te noemen en de kwaliteit is ook niet bijzonder hoog. Wellicht dat de naam van de schilder daarom is vergeten.

Sint Geminianus – Agostino di Duccio.

De Kroning van de Maagd is ook het thema van een veelluik van Serafino de’ Serafini (1323-1393) uit 1385. Het staat in de linker apsis op een altaar waarin een gebeeldhouwd reliëf uit de negende eeuw is verwerkt. Dat reliëf komt nog uit de eerste kathedraal van Modena en is voor zover mij bekend ook het enige overgebleven element van die kathedraal. Misschien was het onderdeel van een pluteus (balustrade). Als we vervolgens langs de wand van de linker zijbeuk teruglopen richting de ingang komen we langs een beeld van Sint Geminianus dat is omstreeks 1442 vervaardigd door de al genoemde Agostino di Duccio. Sint Geminianus houdt een kind bij de haren vast. Het kind is van de Ghirlandina gevallen en door de heilige gered.

Even verderop staat een enorm terracotta altaar dat het Altare delle statuine wordt genoemd, naar de vele beeldjes die erin zijn verwerkt. Ooit waren die allemaal beschilderd, maar veel kleur is er niet bewaard gebleven. Het altaar is een werk van Michele da Firenze (ca. 1385-1455) uit 1440-1441. Aan de andere kant, in de rechter zijbeuk, is vooral de Cappella Bellincini uit ca. 1472-1476 de moeite waard. Voor het kleurrijke fresco van het Laatste Oordeel in deze kapel (feitelijk niet meer dan een nis) was Cristoforo Canozzi, ook bekend als Cristoforo da Lendinara (ca. 1426-na 1477), verantwoordelijk. Hij was een navolger van de bekendere Piero della Francesca. En zo heeft de Duomo van Modena de geïnteresseerde bezoeker heel veel te bieden. Buiten is misschien nog wel meer interessants te zien dan binnen. Al met al is de opname van het gebouw op de lijst met UNESCO Werelderfgoed meer dan terecht te noemen.

Altare delle statuine en Cappella Bellincini.

Bronnen

Noten

[1] De plaquette is gemaakt in opdracht van ene Bocalinus, die tussen 1208 en 1225 massarius (financieel administrateur) van Sint Geminianus was.

[2] De toeschrijving van de balustrade aan de Maestri campionesi staat kennelijk onder druk. Volgens de website UNESCO Modena (zie bronnen) gaan geleerden er tegenwoordig vanuit dat een groep van Maestri padani de pontile tussen 1165 en 1184 vervaardigde.

One Comment:

  1. Pingback:Modena: Musei del Duomo – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.