Cremona: De Duomo

Duomo van Cremona.

De Duomo van Cremona, ook bekend als de kathedraal van Santa Maria Assunta, is zonder enige twijfel het beroemdste gebouw van de stad. Vrijwel iedereen in Nederland heeft deze kathedraal wel eens gezien, al was het alleen maar omdat het immense gebouw, samen met het naastgelegen Baptisterium, een prominente rol heeft in de koffiereclame van De’Longhi. Deze reclame speelt zich af op de pittoreske Piazza del Comune, waar we naast de reeds genoemde gebouwen ook twee fraaie gebouwen uit de dertiende eeuw vinden: het Palazzo del Commune en de Loggia dei Militi. Deze bijdrage gaat echter over de kathedraal, die in de twaalfde eeuw verrees. De Duomo van Cremona kan tot de mooiste Romaanse godshuizen van Italië worden gerekend, waarbij ik gelijk moet aantekenen dat het gebouw niet puur Romaans is gebleven. Daarvoor vinden we binnen en buiten te veel Gotische, Maniëristische en Barokke elementen. Naast de kathedraal staat de kloeke Torrazzo, de meer dan 112 meter hoge klokkentoren die naar algemeen wordt aangenomen de hoogste middeleeuwse toren van Italië is (de Campanile di Mortegliano is hoger, maar die is niet middeleeuws). De toren is te beklimmen en dat zal ik in deze bijdrage ook doen.

Geschiedenis

De eerste steen van de Duomo werd gelegd op 26 augustus 1107. De twaalfde eeuw was een bloeitijd voor Cremona. Hoewel er zeker twisten waren tussen de Welfen (die de Paus steunden) en de Ghibellijnen (die aanhangers van de Keizer waren), stond de economie van de stad er goed voor en gold zij als een regionale militaire macht. Het was ook de tijd waarin de grote geleerde Gerardus van Cremona (ca. 1114-1187) leefde, al vertrok die naar Toledo in Spanje om daar Arabisch te leren en Arabische teksten te vertalen in het Latijn. Voor Cremona was, kortom, de twaalfde eeuw de ideale tijd om met de bouw van een nieuwe kathedraal te beginnen. Men neemt aan dat de werklieden begonnen met de apsis en het koor en vervolgens het schip van de Duomo bouwden. Helaas werd Noord-Italië in 1117 getroffen door een zware aardbeving die vrijwel al het werk ongedaan maakte. Na een pauze van 12 jaar werd het project in 1129 hervat. Vermoedelijk was de kathedraal al rond het midden van de eeuw gereed, maar het duurde nog tot 1190 of 1196 voordat het gebouw werd gewijd door Sicardus van Cremona, bisschop van de stad tussen 1185 en 1215.

Piazza del Comune.

Bij de wijding werden de overblijfselen van Sint Himerius van Cremona (gestorven omstreeks 560) naar de kathedraal overgebracht. Deze overblijfselen zouden zijn ‘teruggevonden’ toen men in 1129 tussen het puin van de ingestorte, halfvoltooide Duomo zocht. Het is een beetje een vaag verhaal dat doet denken aan de manier waarop in Venetië de overblijfselen van de Heilige Marcus werden ‘herontdekt’ (zie Venetië: San Marco). Misschien hebben de kerkelijke autoriteiten het verhaal wel verzonnen om de bouw weer vlot te trekken. Als dat het geval is, kunnen we concluderen dat de list gewerkt heeft. Overigens had de in de zesde eeuw gestorven Sint Himerius helemaal geen band met Cremona: hij was bisschop van Amelia in Umbrië geweest. Dankzij de tiende-eeuwse bisschop Liutprand werden zijn overblijfselen in 965 naar Cremona overgebracht en kon hij uitgroeien tot een beschermheilige van de stad.

Zicht op het dwarsschip vanaf de Torrazzo. Let op de karakteristieke torentjes.

Toen de Duomo in 1190 werd gewijd, had het gebouw nog geen dwarsschip. Dat werd in de dertiende en de veertiende eeuw toegevoegd. Beide uiteinden hebben een eigen gevel. Het dwarsschip is veel langer dan gebruikelijk is bij katholieke kerken. De kathedraal heeft daardoor in feite de vorm van een mislukt Grieks kruis gekregen. Ik heb het niet precies nagemeten, maar het heeft er alle schijn van dat het dwarsschip zelfs langer is dan het schip zelf. Toen het dwarsschip werd gebouwd, was de Romaanse stijl alweer uit de mode en was de Gotische stijl de norm geworden. In de kathedraal herkennen we direct de puntbogen en de kruisgewelven, ook in het middenschip. Daar moesten de Romaanse bogen plaatsmaken voor Gotische, een operatie die zeer waarschijnlijk gepaard ging met verhoging van de lichtbeuk en het plafond. De Maniëristische fresco’s op de muren van het middenschip, die hieronder nog nader ter sprake zullen komen, dateren van de eerste decennia van de zestiende eeuw. De Barokke kunstwerken in de kathedraal dateren op hun beurt vooral van de zeventiende eeuw.

Exterieur

De gevel van de Duomo is misschien wel het mooiste onderdeel van het gebouw. Waar de twee gevels van het dwarsschip – de noordelijke en de zuidelijke – betrekkelijk eenvoudig zijn en vrijwel helemaal van baksteen zijn gemaakt, is de hoofdgevel aan de Piazza del Comune geheel bekleed met wit en roze marmer. Deze gevel wordt toegeschreven aan de Maestri campionesi, gespecialiseerde werklieden uit Campione d’Italia bij de grens met Zwitserland die in de dertiende eeuw in Cremona actief waren. Meer specifiek wordt de gevel, op basis van een inscriptie, toegeschreven aan Jacopo Porrata en gedateerd op 1274. Hij zal wellicht de hoofdarchitect zijn geweest. Over Porrata weten we eigenlijk niets, behalve dat hij uit Como kwam.

Close-up van een deel van de gevel.

Petrus van Verona.

De gevel bevat overigens ook nog het nodige beeldhouwwerk uit de twaalfde eeuw, dat gewoon werd hergebruikt. Het portaal waardoor men de kerk binnenkomt, wordt bijvoorbeeld toegeschreven aan het atelier van een zekere Meester Niccolò. Een beeldhouwer uit dit atelier maakte vier tamelijk grote beelden van profeten die men aan weerszijden van de ingang aantreft. Het gaat om Jeremia en Jesaja (links) en Daniël en Ezechiël (rechts). Direct links van de ingang, onder de loggia, zijn reliëfs uit het Bijbelboek Genesis in de muur verwerkt. Dit beeldhouwwerk komt uit de school van een zekere Wiligelmus. Uit deze school komt ook de ceremoniële eerste steen van de kathedraal, die zich in de sacristie zou moeten bevinden (in het Baptisterium vindt u een replica).

Verder vallen aan de gevel direct twee loggia’s op. De lange horizontale loggia wordt ook wel de Loggia della Bertazzola genoemd (zie de tweede afbeelding in deze bijdrage). Ze verbindt de kathedraal met de Torrazzo. Deze galerij werd eind vijftiende, begin zestiende eeuw gebouwd ter vervanging van een eerdere houten loggia. Op de loggia staan afwisselend heiligen en engelen. Onder de heiligen herkennen we direct Sint Petrus van Verona (met een mes in zijn schedel; uiterst links) en Sint Franciscus van Assisi (uiterst rechts). De beelden werden in de achttiende eeuw gemaakt door Giorgio en Antonio Ferretti, vader en zoon (zie voor de zoon ook Brescia: Santa Maria della Carità). Ze zijn aardig, maar bepaald niet uitzonderlijk.

Marmeren leeuw.

Heel anders is dat met de smalle verticale loggia (of pròtiro) die de hoofdingang omringd. Die is werkelijk exceptioneel te noemen. Het gevaarte wordt gedragen door twee leeuwen die zijn gemaakt van rood marmer uit Verona. Ze worden met de nodige slagen om de arm toegeschreven aan Giambono da Bissone, een van de Maestri campionesi. In het hogere gedeelte van de loggia is weer ouder beeldhouwwerk verwerkt. Hier vinden we de prachtige Fregio dei Mesi, de Fries van de Maanden, die eind twaalfde of begin dertiende eeuw werd gemaakt (zie de grote afbeelding hierboven). De naam van de beeldhouwer is onbekend, maar hij werkte in de stijl van Benedetto Antelami (ca. 1150-1230).

De kalender moet van rechts naar links worden gelezen. De maanden maart tot en met augustus worden van september tot en met februari gescheiden door een reliëf van een bisschop, naar alle waarschijnlijkheid Sicardus, de man die de kathedraal in 1190 of 1196 inwijdde. De website van de kathedraal wijst op grote gelijkenissen tussen de Fries van de Maanden en een soortgelijke kalender die men in het Baptisterium van Parma vindt (een ontwerp van Antelami). Ik zag zelf ook gelijkenissen met de beelden van de maanden die ooit de buitenkant van de Duomo van Ferrara sierden als onderdeel van een Porta dei Mesi. En jawel, ook bij dat portaal was Benedetto Antelami betrokken.

De verticale loggia heeft boven de Fries van de Maanden drie nissen met daarin beelden van de Madonna met het Kind, de al genoemde Sint Himerius en Sint Homobonus van Cremona (zie de grote afbeelding hierboven). Die laatste heette eigenlijk Omobono Tucenghi. Hij was een rijke stoffenhandelaar die bekendstond als een bijzonder vroom man. Na zijn overlijden op 13 november 1197 drongen de burgers van Cremona er bij de nieuwe paus Innocentius III (1198-1216) op aan dat hij heilig verklaard zou worden. Paus Innocentius honoreerde het verzoek en verklaarde Homobonus al in januari 1199 heilig. Dat was net iets meer dan een jaar na zijn dood, waarmee zijn heiligverklaring sneller ging dan die van Sint Franciscus, maar net iets minder snel dan die van Sint Petrus van Verona. De drie beelden worden toegeschreven aan Marco Romano, een beeldhouwer die – zoals zijn naam al aangeeft – afkomstig was uit Rome. Hij behoorde echter tot de Toscaanse school en werkte in Cremona in opdracht van de toenmalige bisschop Rainerio del Porrina (1296-1312). Oorspronkelijk moeten de beelden beschilderd zijn geweest. Himerius is duidelijk herkenbaar als bisschop, terwijl Homobonus de kleding van een koopman draagt en een muntstuk vasthoudt. Tegenwoordig geldt de laatstgenoemde, veel meer dan de eerstgenoemde, als beschermheilige van Cremona.

Bovenste gedeelte van de gevel.

Ik heb al veel over de gevel verteld, maar er is nog meer. Zo zien we nog twee zuilengalerijen (plus nog een stukje galerij) en boven de verticale loggia een prachtig roosvenster van de al genoemde Jacopo Porrata. Het bovenste gedeelte van de gevel is relatief nieuw: dit werd tussen 1491 en 1507 toegevoegd. Tot 1498 was het werk in handen van Alberto Maffiolo da Carrara, waarna Giovan Pietro da Rho het stokje overnam. Dit bovenste gedeelte bestaat uit gekrulde versieringen of voluten, vier nissen met heiligen en een driehoekig fronton. In de nissen staan Petrus, Paulus, Marcellinus en een andere Petrus.

Marcellinus en Petrus, een priester en een exorcist, waren slachtoffers van de christenvervolgingen van de Romeinse keizer Diocletianus aan het begin van de vierde eeuw (zie Rome: Catacombe dei Santi Marcellino e Pietro). Kennelijk genieten ze de nodige populariteit in Cremona. Ten westen van de kathedraal staat namelijk een kerk van Santi Marcellino e Pietro en in de crypte van de Duomo worden relikwieën van de twee martelaren bewaard. Ze hebben dus een band met Cremona, al is mij niet duidelijk geworden welke dat precies is. Een wat curieus detail is dat in het fronton de naam van Paus Gregorius XIV (1590-1591) wordt genoemd. Deze Niccolò Sfondrati was bisschop van Cremona in de periode 1560-1590 en kardinaal-priester van de Santa Cecilia in Trastevere in Rome. Als paus hield hij het minder dan een jaar vol.

Interieur van de Duomo.

Interieur

Apsis met werken van Boccaccino, Gatti en Campi.

Het is tijd om de kathedraal te betreden. Van de decoraties in het middenschip, het koor en de apsis vallen de maniëristische fresco’s uit de vroege zestiende eeuw het meest op. Het werk begon in de apsis, waar Boccaccio Boccaccino (gestorven ca. 1525) in 1506-1507 Christus de Verlosser (of de Pantokrator) schilderde. Christus wordt geflankeerd door de symbolen van de vier evangelisten en door vier heiligen: Marcellinus, Himerius, Homobonus en Petrus (de exorcist uiteraard, niet de apostel). Op de boog boven de apsis schilderde Boccaccino een mooie Annunciatie, maar het enorme altaarstuk met de Tenhemelopneming van de Maagd – passend in een kathedraal van Santa Maria Assunta – is niet van hem. Dit werd gemaakt door Bernardino Gatti (ca. 1495-1576), die echter stierf voordat hij het werk kon voltooien. Giovan Battista Trotti (1555-1619), bekend als ‘Il Malosso’, maakte het vervolgens af. De werken aan weerszijden van het altaarstuk zijn van Antonio (ca. 1523-1587) en Bernardino Campi (ca. 1520-1591). De familie Campi bracht vele getalenteerde schilders voort, maar de precieze familierelaties zijn niet altijd duidelijk. Ook Giulio Campi (1502-1572) was nog in de kathedraal actief. Hij verzorgde het altaarstuk voor het altaar van de aartsengel Michael in het linker dwarsschip.

Zo’n zeven jaar na de voltooiing van zijn apsisschildering, in 1514, begon Boccaccio Boccaccino met de decoratie van de linkermuur van het middenschip. Hier verschenen verhalen uit het leven van de Maagd, op de rechtermuur aangevuld met episodes uit het Lijden van Christus. Gecombineerd met het enorme fresco van de Kruisiging en de kleinere fresco’s van de Kruisafneming en de Wederopstanding op de binnengevel ontstond hier – zoals de website van de kathedraal het prachtig formuleert – een ware Biblia Pauperum, een Bijbel voor de armen. Die hoefden niet te kunnen lezen om de wezenlijke verhalen uit de levens van de Maagd en Jezus Christus te kennen. Boccaccino was zeker niet de enige schilder. Op de linkerwand vinden we ook werk van Gian Francesco Bembo (gestorven 1526) en Altobello Melone (gestorven in de jaren 1540), op de rechterwand van genoemde Melone en de grote Romanino (Girolamo Romani; ca. 1484-1566). Vanaf 1520 is dan Giovanni Antonio de’ Sacchis, bijgenaamd Il Pordenone (ca. 1483-1539), in de kathedraal actief. Hij schilderde de laatste drie voorstellingen op de rechterwand, waarvan de scène waarop te zien is hoe Jezus aan het kruis wordt genageld een waar hoogstandje is vanwege de trompe-l’oeil elementen (zie de afbeelding hieronder). Let op de doek uiterst links die over het hoofd van een profeet heen hangt. Aan de andere kant steekt een stuk van het kruis uit en wijst een profeet naar een gat erin.

Christus aan het kruis genageld – Il Pordenone.

Het hoogtepunt moet dan nog komen, want dat is het enorme fresco van de Kruisiging, door Pordenone in de jaren 1520-1521 op de binnengevel geschilderd. Dit werk is echt huiveringwekkend (zie hieronder). Christus (met het bordje INRI) en een van de dieven zijn al gekruisigd, de kruisiging van de andere dief is nog in volle gang. Het werk zit vol actie, drama en surrealistische effecten. Let op de Maagd die flauwgevallen is, de enorme banier met de letters SPQR van de soldaat te paard en de wild gesticulerende figuren. Opmerkelijk is het contrast tussen de figuren rechts met oosterse tulbanden en de soldaten die in Europese harnassen gestoken zijn. De centrale figuur is niet eens Christus, maar de gigantische bebaarde soldaat met het enorme slagzwaard. Hij draagt een harnas van het type dat men in het kasteel van Brescia kan vinden en wijst naar de Heiland. Vergeleken met de rauwe woestheid van de Kruisiging is de Kruisafneming uit 1522, eveneens van Pordenone, een toonbeeld van rust en vrede. De cyclus over het leven van Christus werd in 1529 voltooid door Bernardino Gatti, die de Wederopstanding schilderde.

Kruisiging – Il Pordenone.

Altaar van San Rocco.

En zo is er in de fascinerende Duomo van Cremona nog veel meer te zien. Zelf moest ik enige tijd na mijn bezoek concluderen dat ik veel te weinig aandacht heb besteed aan de middeleeuwse fresco’s op de kruisgewelven van het dwarsschip. Die dateren van de tweede helft van de veertiende eeuw en moeten na het gereedkomen van het dwarsschip zijn geschilderd. De schilder is onbekend, maar hij verstond zijn vak. De website van de Duomo bevat veel extra informatie over de cyclus. Verder zijn de koorbanken van Giovanni Maria Platina (ca. 1455-1500) zeer de moeite waard. Deze werden in de periode 1483-1489 vervaardigd.

Van de vele altaren in de kathedraal wijs ik vooral op het Barokke altaar van San Rocco uit 1635-1645. De bouw van het altaar hing direct samen met een pestepidemie in 1630. Sint Rochus is immers een pestheilige. Het beschilderde houten beeld van Rochus wordt geflankeerd door kleinere beelden van Sint Franciscus van Assisi en Sint Bernardinus van Siena. De tien schilderijen van het altaar werden gemaakt door Luigi Miradori, bijgenaamd Il Genovesino (ca. 1610-1657). Ten slotte wijs ik erop dat in de kathedraal de cultus van Marius, Martha, Abachum en Audifax een belangrijke plaats inneemt. Deze zeer obscure derde-eeuwse martelaren zouden artsen uit Perzië zijn geweest (behalve Martha dan, zij was de echtgenote en moeder) en onder keizer Claudius Gothicus (268-270) in Rome de marteldood zijn gestorven. Dat is heel vreemd, want van deze keizer zijn helemaal geen christenvervolgingen bekend. Op twee preekstoelen aan het einde van het middenschip vinden we reliëfs met verhalen over hun vermeende martelaarschap. De preekstoelen werden in 1813-1817 gemaakt door Luigi Voghera, maar de reliëfs dateren van de late vijftiende eeuw.

Crypte en Torrazzo

Drieluik met Sint Nicolaas (1495).

De crypte zou toegankelijk moeten zijn voor het publiek, maar we werden er samen met enkele andere bezoekers al snel weer weggestuurd om onduidelijke redenen. We konden daarom slechts een glimp opvangen van de Arca dei santi Marcellino e Pietro, de boog uit 1506 waarin de overblijfselen van Marcellinus en Petrus worden bewaard. De maker was de beeldhouwer Benedetto Briosco (ca. 1460-1517; zie Milaan: Museo del Duomo). Uiteraard vindt men hier beneden ook de overblijfselen van de beschermheiligen Himerius en Homobonus. Toen we weer boven waren gekomen na ons kortstondige verblijf in de crypte, zagen we gelukkig nog een prachtig marmeren drieluik uit 1495 met daarop Sint Nicolaas (in het midden), Sint Damianus (links) en Sint Homobonus (rechts). Homobonus is wederom als een koopman afgebeeld en hij geeft een jongetje een muntstuk. De makers van het drieluik waren Tommaso Amici en Mirabila del Mazo. Daarover kan geen misverstand bestaan, want ze hebben hun werk gesigneerd.

Tegen betaling van vijf euro kunt u de immense Torrazzo naast de kathedraal beklimmen (voor een euro meer kunt u tevens het Baptisterium bezoeken). 502 traptreden leiden naar de top, vanwaar u een fraai uitzicht hebt over Cremona en zult ontdekken dat dit helemaal niet zo’n grote stad is. Achter de bebouwing ziet u de velden al liggen. Vanaf de Torrazzo kunt u verder de kathedraal zelf goed van boven zien. De smalle bakstenen torentjes die op de drie gevels en de apsis staan, vallen direct op. Ook ziet u veel van de andere kerken in Cremona liggen. Daaronder godshuizen gewijd aan Sint Homobonus en Marcellinus en Petrus. Ook de nog te bespreken kerk van Sant’Agata is goed zichtbaar.

Uitzicht over Cremona.

Klok van de kathedraal.

De klokkentoren van de Duomo werd in fasen gebouwd in de periode 1230-1309 (of 1305, afgaande op de website van de kathedraal). Het uiteindelijk gevaarte is meer dan 112 meter hoog, al houdt de kathedraal het zelf op maar liefst 122 meter. Nu is er in Italië wel vaker wat verwarring over de precieze hoogte van torens (zie Siena: Palazzo Pubblico en Museo Civico), maar in dit geval denk ik toch echt dat 122 meter sterk overdreven is. Sinds 2018 is in de Torrazzo het Verticale Museum (Museo Verticale) gevestigd dat zich geheel richt op de onderwerpen tijd en astronomie. De astronomische klok in de toren is een technologisch hoogstandje. Ze is kort na de invoering van de Gregoriaanse kalender in 1582 gemaakt door een vader en een zoon, Giovanni Francesco en Giovanni Battista Divizioli. Het schilderwerk aan de buitenkant werd verzorgd door Giovanni Battista Dordoni en Pietro Martire Pesenti.

Bronnen

3 Comments:

  1. Pingback:Cremona: Het Baptisterium – – Corvinus –

  2. Pingback:Cremona: Sant’Agata – – Corvinus –

  3. Pingback:Cremona: The Duomo – – Corvinus –

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.